Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:147
Datum uitspraak:
13-06-2017
Datum publicatie:
13-09-2017
Zaaknummer(s):
C/13/598031 / DW RK 15/1067
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 Klacht over het leggen van twee beslagen waardoor onnodige kosten worden gemaakt terwijl uit de toelichting art. 475d lid 6 Rv volgt dat deze bepaling juist is opgenomen om te voorkomen dat er op meerdere inkomsten beslag gelegd moet worden om het maximale te innen. De wetgever heeft daarbij ook voor ogen gehad dat de kosten voor de schuldenaar zoveel als mogelijk beperkt moeten worden. Verder wordt geklaagd over het op nihil stellen van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder verschuilt zich achter zijn opdrachtgever bij een verzoek om informatie en verleent ten onrechte verlenen zijn ministerie. De klacht tegen gerechtsdeurwaarder sub 2 wordt ongegrond verklaard. Deze heeft geen ambtshandelingen verricht en kan dus ook niet verweten worden dat er dubbel beslag is gelegd, waarbij bij een van die beslagen de beslagvrije voet op nihil was geteld. Deze gerechtsdeurwaarder heeft slechts over de gelegde beslagen gecorrespondeerd en heeft daarbij bepaalde standpunten ingenomen. Behoudens bijzondere omstandigheden kan het door een gerechtsdeurwaarder in zijn zakelijke betrekkingen - in of buiten rechte - innemen van een (civielrechtelijk) standpunt, in het kader van de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit, niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Op grond van de omstandigheden van het geval acht de kamer het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder dubbel beslag heeft gelegd. De klacht met betrekking tot het op nihil stellen van de beslagvrije voet wordt gegrond verklaard omdat daarvoor geen wettelijke grondslag aanwezig was. Dat de op deze opdracht ziende correspondentie buiten beschouwing is gelaten, doet niet af aan de aannemelijkheid dat opdracht is gegeven tot het leggen van beslag. Onbeperkte inzage daarin volgt niet uit artikel 10 lid 2 van de gedragscode. Van verschuilen achter de opdrachtgever is geen sprake. Het weigeren van de ministerieplicht is eerst in bijzondere gevallen aan de orde. Het vragen van een deurwaarders kortgeding is een uitzondering op de hoofdregel waarbij de kamer het, gelet op de huidige tekst van het artikel en de toelichting op de invoering van dit artikel, niet onbegrijpelijk acht dat de gerechtsdeurwaarder deze kwestie niet aan de voorzieningenrechter heeft voorgelegd. De klacht ten aanzien van de nihil stelling van de beslagvrije voet wordt gegrond verklaard. maatregel van berisping opgelegd. De klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.  

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 13 juni 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/598031 / DW RK 15/1067 ingediend door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

gemachtigde: [     ],

 

tegen:

 

1. [     ],

2. [     ],

beiden toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders te [     ],

beklaagden,

gemachtigde [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen van 23 november 2015 heeft klager een klacht ingediend tegen deurwaarderskantoor [     ], hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij brief met bijlagen van 24 december heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 april 2017 alwaar de gemachtigde van klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 13 juni 2017.

 

1. De feiten

 

a)    De gerechtsdeurwaarders zijn belast met de executie van een grosse van een notariële (hypotheek)akte. De grosse van de akte is op 4 juli 2013 aan klager betekend.

b)    Op 30 juli 2013 is ten laste van klager loonbeslag gelegd onder diens werkgever met toepassing van een beslagvrije voet. Het beslag is opgeschort om een regeling te treffen.

c)    Omdat geen voorstel voor een betalingsregeling werd ontvangen, heeft de gerechtsdeurwaarder de werkgever van klager op 1 november 2013 bericht dat het beslag alsnog diende te worden uitgevoerd.

d)    Op 13 november 2013 is een betalingsregeling getroffen en is het beslag opnieuw opgeschort. Per 1 juli 2014 is klager uit dienst getreden.

e)    Op 20 november 2014 is door de gerechtsdeurwaarder bij de nieuwe werkgever van klager geïnformeerd naar een dienstverband. Daarnaast is informatie bij de Belastingdienst ingewonnen waaruit bleek dat klager aanspraak had op een voorlopige teruggave van de Belastingdienst van             € 745,00 per maand. Hierna is opnieuw een regeling getroffen die niet werd nagekomen.

f)     Op 24 december 2014 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 ten laste van klager beslag gelegd onder de Belastingdienst waarbij de beslagvrije voet op nihil is gesteld. Op 24 december 2014 is door een andere gerechtsdeurwaarder eveneens beslag ten laste van klager gelegd onder diens nieuwe werkgever met toepassing van een beslagvrije voet.

g)    Op 21 januari 2015 heeft klager de gerechtsdeurwaarders om aanpassing van de beslagvrije voet verzocht.

h)    Op 4 februari 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder klager en diens werkgever op de hoogte gebracht van de aangepaste beslagvrije voet.

i)     Naar aanleiding van een klacht heeft de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet op 9 september 2015 per rato verdeeld over het onder de werkgever en de belastingdienst gelegde beslag.

j)     Door de hulpverlener van klager is op 1 september 2015 een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder over het beslag op meerdere inkomens.

k)    Bij brief van 8 september 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

 

2. De klacht

 

2.1 Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder - samengevat - dat hij nodeloos kosten heeft gemaakt door ook onder de Belastingdienst beslag te leggen naast het reeds gelegde loonbeslag. Klager voert daartoe aan dat art. 475d lid 6 Rv bepaalt dat de beslagvrije voet verminderd wordt met het inkomen van de schuldenaar waarop geen beslag ligt. Uit de memorie van toelichting op het oorspronkelijke wetsartikel volgt dat deze bepaling juist is opgenomen om te voorkomen dat er op meerdere inkomsten beslag gelegd moet worden om het maximale te innen. De wetgever heeft daarbij ook voor ogen gehad dat de kosten voor de schuldenaar zoveel als mogelijk beperkt moeten worden. Door zowel beslag op het loon als beslag op de voorlopige teruggaaf te leggen vindt er per saldo geen extra beslagafdracht plaats. Door toch voor twee beslagen te kiezen worden er onnodig kosten gemaakt. Het gaat hierbij eenmalig om de kosten van betekening van het beslagexploot aan de derde en de kosten van betekening van het beslag aan de schuldenaar. Verder betreft het de kosten van de maandelijkse inning en verdeling. Volgens art. 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels zijn gerechtsdeurwaarders ook vanuit de eigen professie gehouden geen onnodig kosten te maken.

 

2.2 Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder voorts dat hij bij het beslag op de voorlopige teruggave de beslagvrije voet ten onrechte op nihil heeft gesteld. Klager voert daartoe aan dat volgens het bepaalde in art. 475c Rv rekening dient te worden gehouden met de beslagvrije voet. De beslagvrije voet had vervolgens op grond van art. 475b lid 2 Rv verdeeld moeten worden over de twee beslagen. Onder gerechtsdeurwaarders zou het gezien de duidelijke tekst van art. 475c Rv en gezien de verschillende uitspraken van de kamer voor gerechtsdeurwaarders en het Hof Amsterdam algemeen bekend moeten zijn dat - afgezien van de situatie dat iemand niet in Nederland woont of vast verblijft -  bij beslag op de voorlopige teruggaaf belastingen altijd rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet.

 

2.3 Verder wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij zich heeft verscholen achter zijn ministerieplicht en de opdrachtgever onvoldoende heeft geïnformeerd over de nadelen die zijn verbonden aan het tweede beslag. Klager voert daartoe aan dat als een gerechtsdeurwaarder zich er op beroept dat hij in opdracht van de opdrachtgever beslag legt op twee inkomensbestanddelen, dan van hem mag worden verwacht dat hij dit ook kan aantonen. Correspondentie kan vertrouwelijk zijn, maar als het slechts gaat om de opdracht tot het tweede beslag dan is hier weinig vertrouwelijks aan. Desnoods wordt een deel van de correspondentie weggelakt. Aangezien het leggen van dubbel beslag niet gebruikelijk en onnodig kostenverhogend is, mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij - wanneer de opdrachtgever volhardt in zijn wens tot het leggen van twee beslagen - om een expliciete ondertekende opdracht vraagt. Het tweede beslag is niet alleen nadelig voor klager, maar ook voor de opdrachtgever. Het zal vanwege de extra kosten langer duren voordat de vordering is voldaan. Nu de gerechtsdeurwaarder zich beroept op zijn ministerieplicht, mag van hem worden verwacht dat hij de opdrachtgever hierover informeert.

 

2.4 Als laatste wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij ten onrechte zijn ministerie heeft verleend bij de opdracht tot de tweede beslaglegging. Klager voert daartoe aan dat zowel uit de parlementaire geschiedenis van art. 475d lid 6 Rv - zoals hiervoor is aangehaald als uit het bepaalde in art. 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders volgt dat de gerechtsdeurwaarder geen onnodige kosten mag maken. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarder, ook in het geval er daadwerkelijk sprake is van een nadrukkelijke wens van de opdrachtgever om een dubbel beslag te leggen, zelfstandig moet beoordelen of hier wel gevolg aan kan worden gegeven. Allereerst mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij probeert de opdrachtgever ervan te overtuigen dat een dubbel beslag een zinloos kostenverhogend beslag is. Niet wordt duidelijk dat dit is gebeurd. Mocht de opdrachtgever ondanks de overtuigende informatie van de gerechtsdeurwaarder voet bij stuk houden, dan mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij dit via een deurwaardersrenvooi voorlegt aan de rechter.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

 

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1 De gerechtsdeurwaarder heeft de kamer separaat correspondentie over de opdracht tot het leggen van beslag toegezonden die is gevoerd tussen zijn kantoor en zijn opdrachtgever. De reden van de aparte toezending is gelegen in het feit dat de opdrachtgever te kennen heeft gegeven niet te willen dat de correspondentie aan klager wordt overgelegd. De kamer laat deze correspondentie buiten beschouwing omdat klager niet in de gelegenheid kan worden gesteld zich over de inhoud daarvan uit te laten, hetgeen in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.

 

4.2 De klacht is gericht tegen het gerechtsdeurwaarderskantoor. Een gerechtsdeurwaarderskantoor noch medewerkers daarvan kunnen als beklaagden worden aangemerkt. Bij het onderzoek wie als beklaagde kan worden aangemerkt geldt als leidraad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696). Uit dit arrest volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt.

 

4.3 De klacht is gericht tegen het leggen van het tweede beslag waardoor nodeloos kosten zijn gemaakt, het stellen van de beslagvrije voet op nihil en de daarop gevoerde correspondentie. Het beslag is gelegd door de in aanhef van de beslissing genoemde gerechtsdeurwaarder sub 1 en de daarop volgende correspondentie is gevoerd door de in aanhef van de beslissing genoemde gerechtsdeurwaarder sub 2. Gelet  hierop worden deze gerechtsdeurwaarders aangemerkt als beklaagden. Ter beoordeling staat of sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

 

4.4 De klacht tegen gerechtsdeurwaarder sub 2 dient ongegrond te worden verklaard. Deze gerechtsdeurwaarder heeft geen ambtshandelingen verricht en kan dus ook niet verweten worden dat er dubbel beslag is gelegd, waarbij bij een van die beslagen de beslagvrije voet op nihil was geteld. Deze gerechtsdeurwaarder heeft slechts over de gelegde beslagen gecorrespondeerd met de gemeente en de gemachtigde van klager en heeft daarbij bepaalde standpunten ingenomen. Behoudens bijzondere omstandigheden kan het door een gerechtsdeurwaarder in zijn zakelijke betrekkingen - in of buiten rechte - innemen van een (civielrechtelijk) standpunt, in het kader van de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit, niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. Een bijzondere omstandigheid als zojuist bedoeld kan zich onder meer voordoen indien een door een gerechtsdeurwaarder ingenomen standpunt bewust onjuist of misleidend - en dus te kwader trouw - blijkt te zijn en/of naar zijn aard bezien door een redelijke en goed geïnformeerde derde, die over alle relevante informatie beschikt, zal worden opgevat als schadelijk voor de goede naam van het ambt van de gerechtsdeurwaarder. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid is naar het oordeel van de Kamer in dit geval geen sprake.

 

4.5 De kamer overweegt dat klager op grond van artikel 3:276 BW in beginsel met zijn hele vermogen instaat voor betaling van de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Rv dan ook vrij beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen. Hieruit volgt dat het een gerechtsdeurwaarder in beginsel is toegestaan ten laste van een debiteur meerdere beslagen te leggen. Dit betekent echter niet dat er geen beperkingen aan het leggen van beslag zijn. In het geval van artikel 435 Rv zijn immers bepaalde goederen door de wetgever ter bescherming van de geëxecuteerde (deels) gevrijwaard van beslag, zoals bijvoorbeeld een beslag op periodieke betalingen. Ook andere (wettelijke) beperkingen kunnen verhinderen dat bepaalde beslagen worden gelegd. Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of sprake is van omstandigheden die verhinderen dat, zoals in dit geval, dubbel beslag wordt gelegd.

 

4.6  De kamer dient te beoordelen of door de gerechtsdeurwaarder door het leggen van twee beslagen onnodige kosten zijn  gemaakt. En daarbij is niet alleen de door zijn gemachtigde in de klacht weergegeven en ter zitting nader toegelichte zienswijze met betrekking tot het bepaalde in artikel 475d lid 6 Rv van belang. De gerechtsdeurwaarder dient bij het leggen van beslag meerdere belangen in de gaten houden. Allereerst betrof het een aanzienlijke vordering waarbij al vanaf 4 juli 2013 was getracht deze vordering te innen. Meerdere met klager afgesproken betalingsregelingen werden niet nagekomen en een eerder gelegd loonbeslag was beëindigd omdat klager uit dienst was getreden. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder gewezen op het feit dat als hij geen beslag zou leggen een andere schuldeiser dat wel had kunnen doen, hetgeen in het verleden al een keer was gebeurd. Als geen beslag wordt gelegd, wordt de regie uit handen gegeven. Als klager wederom zijn baan zou verliezen dan zou, indien geen beslag onder de belastingdienst was gelegd. de opdrachtgever het risico lopen die gelden te missen.Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden acht de kamer het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder dubbel beslag heeft gelegd. Er zijn dan ook geen onnodige kosten gemaakt.

 

4.7 De klacht als vermeld onder 2.2 treft doel. Door klager wordt terecht gesteld dat de gerechtsdeurwaarder bij het beslag onder de belastingdienst de beslagvrije voet van klager ten onrechte heeft vastgesteld op nihil. Dit is in strijd met de wet omdat niet gebleken is dat voor deze nihilstelling een wettelijke grondslag aanwezig was. De gerechtsdeurwaarder merkt weliswaar terecht op dat klager hiervan geen nadeel heeft ondervonden, omdat de beslagvrije voet die geldt voor het loonbeslag niet was verminderd met het bedrag van de voorlopige teruggaaf belastingen, maar dit doet hieraan niet af.  

 

4.8 Klachtonderdeel 2. 3 betreft eerst het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder zich verschuilt achter zijn ministerieplicht. Klager is van mening dat als de gerechtsdeurwaarder stelt dat hij uitdrukkelijk de opdracht heeft ontvangen om op beide inkomstenbronnen beslag te leggen, de gerechtsdeurwaarder dit moet aantonen. Klager heeft recht op deze informatie omdat het over hem gaat, zijn belangen raakt en het gaat om de uitvoering van een ambtshandeling. Klager is voorts van mening dat hij behoudens gewichtige belangen van anderen, op grond van de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming persoonsgegevens, recht heeft op inzage in de over hem geregistreerde gegevens. Dit omvat volgens klager mede de eventuele opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling. 

 

4.9 Klager kan hierin niet worden gevolgd. De informatie die klager wenst, weet hij al. De gerechtsdeurwaarder stelt immers in punt 42 van zijn verweerschrift dat hij zijn opdrachtgever heeft verzocht of er beslag diende te worden gelegd op beide inkomstenbronnen, hetgeen door de opdrachtgever is bevestigd. Dat de op deze opdracht ziende correspondentie buiten beschouwing is gelaten, doet niet af aan de aannemelijkheid dat opdracht is gegeven tot het leggen van beslag. De gedragscode kan klager ook niet baten. Uit artikel 10 lid 2 van de gedragscode kan worden afgeleid dat op de gerechtsdeurwaarder de verplichting rust om klager op zijn verzoek een overzicht te verstrekken van de van hem verwerkte gegevens. Een recht op inzage in alle correspondentie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever volgt daaruit niet. Het klachtonderdeel treft geen doel.

 

4.10 Klachtonderdeel 2. 3 betreft verder het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgever onvoldoende heeft geïnformeerd over de nadelen die zijn verbonden aan het tweede beslag. Dit verwijt stuit af op het bepaalde in artikel 434 Rv. De overhandiging van de titel waarvan de uitvoering wordt verlangd machtigt de gerechtsdeurwaarder tot het doen van de gehele executie. Dit brengt mee dat de gerechtsdeurwaarder zelfstandig de toelaatbaarheid en doelmatigheid van de te nemen maatregelen mag beoordelen. Behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn gebleken heeft de gerechtsdeurwaarder geen afzonderlijke toestemming nodig voor het leggen van beslag. Een bijzondere omstandigheid is niet dat de gerechtsdeurwaarder de opdrachtgever had moeten informeren over de kosten van het tweede beslag. Het betrof een professionele opdrachtgever die daarover niet hoeft te worden geïnformeerd.

 

4.11 Ten aanzien van klachtonderdeel 2.4 overweegt de kamer dat het weigeren van de ministerieplicht eerst in bijzondere gevallen aan de orde is. Als hoofdregel geldt immers dat degene die het met de executie niet eens is, zelf een executiegeschil aanhangig dient te maken. Een deurwaardersrenvooi kan worden gezien als de tegenhanger van de ministerieplicht die de gerechtsdeurwaarder verplicht een aan hem verstrekte opdracht tot het verrichten van een ambtshandeling uit te voeren. Blijkens de memorie van toelichting kwam de wetgever hiermee tegemoet “aan een verlangen van de deurwaarders die in de praktijk soms behoefte hebben om zelfstandig het oordeel van de president in te winnen, onder meer in het geval dat zij twijfelen of de door hun cliënt voorgestane wijze van executie geoorloofd is, maar zij zich anderzijds aan hun ministerieplicht gebonden voelen” (Kamerstukken II 1980/81, 16 593, nr. 3, p. 30-31 (MvT). Het gaat dus om een door de wetgever aan de gerechtsdeurwaarder gegeven bevoegdheid, waarbij de beoordeling of van deze bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt aan de gerechtsdeurwaarder wordt overgelaten. Deze bevoegdheid kan de gerechtsdeurwaarder zo nodig ook tegen de wil van de opdrachtgever uitoefenen met dien verstande dat dit aanleiding kan geven om de gerechtsdeurwaarder persoonlijk in de kosten te veroordelen indien de bevoegdheid nodeloos wordt uitgeoefend.

 

4.12 Het betreft dus een uitzondering op de hoofdregel waarbij de kamer het, gelet op de huidige tekst van het artikel,  niet onbegrijpelijk acht dat de gerechtsdeurwaarder deze kwestie niet aan de voorzieningenrechter heeft voorgelegd. Er is geen  grond aanwezig om op dit onderdeel van de klacht te komen tot het oordeel dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

 

5. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht tegen gerechtsdeurwaarder sub 2 ongegrond;

-      verklaart klachtonderdeel 2.2 ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1 gegrond,

-      legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op,

-      verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. J.H.C. Schouten, voorzitter, en mr. L. van Berkum en  mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens