Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2017:140
Datum uitspraak:
07-07-2017
Datum publicatie:
13-09-2017
Zaaknummer(s):
C/13/612344 / DW RK 16/786
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 Klacht over het stellen van de beslagvrije voet op nihil. Voor het zonder meer vaststellen van de beslagvrije voet op nihil ontbreekt een wettelijke grondslag. Het hanteren van een beslagvrije voet van nihil kan gerechtvaardigd zijn als degene die recht heeft op de voorlopige teruggaaf voldoende voor beslag vatbare andere periodieke inkomsten geniet waarop geen beslag is gelegd. In deze procedure is echter niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarder op het moment van het leggen van het beslag bekend was met andere voor beslag vatbare periodieke inkomsten van klager. Daarmee werd de gerechtsdeurwaarder eerst bekend nadat klager hem daarop had gewezen. Het valt de gerechtsdeurwaarder verder aan te rekenen dat hij, nadat hij door klager op een door een collega gelegde eerdere beslag op zijn inkomen was gewezen, niet zelf het initiatief heeft genomen zijn collega te raadplegen inzake de te hanteren beslagvrije voet, maar het initiatief hiertoe aan klager heeft gelaten. Voor zover de gerechtsdeurwaarder van mening was dat zijn collega een verkeerde beslagvrije voet had toegepast had hij zijn collega daarop moeten wijzen. Voor zover de gerechtsdeurwaarder stelt dat hij op grond van het feit dat klager een bepaalde handelsnaam (had) gebruikt twijfels had over de juistheid en volledigheid van de financiële gegevens die klager aan hem had verstrekt, had hij daarnaar nader onderzoek moeten doen. De gerechtsdeurwaarder was niet op basis van deze gestelde twijfel gerechtigd vaststelling of aanpassing van de beslagvrije voet achterwege te laten. Klacht gegrond, maatregel van berisping opgelegd.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 7 juli 2017 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/612344 / DW RK 16/786 ingediend door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 20 juli 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 20 september  2016 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 mei 2017 alwaar de heer [     ], namens de gerechtsdeurwaarder, is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 7 juli 2017.

 

1. De feiten

 

a)    De gerechtsdeurwaarder heeft beslag gelegd onder de belastingdienst ten laste van klager op een aan klager toekomende voorlopige teruggaaf. Daarbij is de beslagvrije voet op nihil bepaald.

b)    Bij e-mailbericht van 26 april 2016 heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder verzocht om een beslagvrije voet te bepalen.

c)    Bij e-mailbericht van 13 juni 2016 heeft klager stukken aan de gerechtsdeurwaarder verzonden teneinde de beslagvrije voet te kunnen berekenen.

d)    Bij e-mailbericht van 13 juni 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager medegedeeld dat er op de voorlopige teruggaaf geen beslagvrije voet van toepassing is of berekend hoeft te worden en klager verwezen naar de gerechtsdeurwaarder die een eerder beslag had gelegd op zijn inkomen.

e)    Bij e-mailbericht van 14 juni 2016 heeft klager aangegeven dat de voorlopige teruggaaf in mindering gebracht dient te worden op de beslagvrije voet, maar niet zonder hiervan een berekening te maken.

f)     De gerechtsdeurwaarder heeft bij e-mailbericht van 20 juni 2016, onder verwijzing naar zijn eerdere bericht, aangegeven geen reden of aanleiding te zien om een beslagvrije voet te gaan berekenen.

g)    Klager heeft bij e-mailbericht van 20 juni 2016 een conceptberekening van zijn beslagvrije voet aan de gerechtsdeurwaarder verzonden. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder nogmaals aangegeven geen beslagvrije voet te zullen berekenen, nu op de vordering waarop beslag is gelegd geen beslagvrije voet van toepassing is.

h)    Klager heeft in reactie hierop bij e-mailbericht van 20 juni 2016 aangegeven dat op de desbetreffende vordering wel degelijk een beslagvrije voet van toepassing is.

i)     Bij e-mailbericht van 24 juni 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager verzocht om de door [     ] gemaakte berekening van de beslagvrije voet, dan wel de specificatie van de door hen gehanteerde beslagvrije voet. Klager heeft de gevraagde stukken op diezelfde dag aan de gerechtsdeurwaarder verzonden.

j)     Bij e-mailbericht van 29 juni 2016 heeft klager (nogmaals) stukken van de door [     ] gehanteerde beslagvrije voet aan de gerechtsdeurwaarder verzonden.

k)    Bij e-mailbericht van 30 juni 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager bericht dat hij nog steeds niet de gevraagde berekening van de door [     ] vastgestelde beslagvrije voet van klager heeft ontvangen. Hierop heeft klager op diezelfde datum nogmaals de gevraagde stukken aan de gerechtsdeurwaarder verzonden en verzocht om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aan te passen.

l)     Bij e-mail van 5 juli 2016 heeft klager de door de gerechtsdeurwaarder gevraagde specificatie van de berekening van de beslagvrije voet van [     ] aan de gerechtsdeurwaarder verzonden.

m)  Bij e-mail van 13 juli 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat er geen reden of aanleiding is om een beslagvrije voet toe te passen op het gelegde beslag onder de belastingdienst.

 

2. De klacht

 

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij de beslagvrije voet ten onrechte op nihil heeft gesteld. Door de gerechtsdeurwaarder is beslag gelegd onder de belastingdienst op het volledige bedrag van de voorlopige teruggave in verband met de hypotheek. Klager kan nu zijn vaste lasten niet meer voldoen. Aan herhaalde verzoeken om een beslagvrije voet te bepalen is niet voldaan. Op verzoek van de gerechtsdeurwaarder heeft klager stukken toegezonden waaronder een berekening van de gerechtsdeurwaarder die beslag had gelegd op de uitkering van klager. Volgens de gerechtsdeurwaarder klopte die berekening niet maar hij weigerde een eigen berekening te maken. Door de gerechtsdeurwaarder werd beweerd dat klager de handelsnaam [     ] zou voeren hetgeen niet waar is.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft samengevat aangevoerd dat de klacht is gericht op de toepassing van de beslagvrije voet welke klacht dient te worden gekwalificeerd als een executiegeschil. Het staat klager vrij een rechtsmiddel in te stellen omtrent het toepassen van de beslagvrije voet maar de kamer is daarvoor niet de geëigende instantie. Bij brief van 14 november 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder nog medegedeeld dat het beslag is komen te vervallen omdat de belastingdienst kenbaar had gemaakt dat aan de rechtsverhouding waarop beslag was gelegd een einde was gekomen en aan klager geen betalingen meer zouden worden verricht.

 

4. De beoordeling van de klacht

 

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn de gerechtsdeurwaarders, waarnemend- en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in voormelde zin.

 

4.2 De kamer overweegt als volgt. Aan een beslag onder de belastingdienst op een voorlopige teruggaaf is op grond van artikel 475c, aanhef en onder b, Rv een beslagvrije voet verbonden. Artikel 475g, lid 1, Rv schrijft voor dat een gerechtsdeurwaarder die beslag heeft gelegd, verplicht is om aan de schuldenaar op te geven hoeveel zijn beslagvrije voet bedraagt, berekend volgens het bepaalde in artikel 475d Rv.

 

4.3 Het door de gerechtsdeurwaarder tegenover klager ingenomen standpunt dat op het beslag onder de belastingdienst geen beslagvrije voet van toepassing is, kan dan ook niet worden gevolgd. Voor het zonder meer vaststellen van de beslagvrije voet op nihil ontbrak dan ook een wettelijke grondslag.

 

4.4 Het hanteren van een beslagvrije voet van nihil kan, zoals blijkt uit artikel 475d, lid 6, Rv, gerechtvaardigd zijn als degene die recht heeft op de voorlopige teruggaaf voldoende voor beslag vatbare andere periodieke inkomsten geniet waarop geen beslag is gelegd. In deze procedure is echter niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarder op het moment van het leggen van het beslag bekend was met andere voor beslag vatbare periodieke inkomsten van klager. Daarmee werd de gerechtsdeurwaarder eerst bekend nadat klager hem daarop had gewezen.

 

4.5 Het valt de gerechtsdeurwaarder verder aan te rekenen dat hij, nadat hij door klager op het door [     ] gelegde eerdere beslag op zijn inkomen was gewezen, niet zelf het initiatief heeft genomen zijn collega te raadplegen inzake de te hanteren beslagvrije voet, maar het initiatief hiertoe aan klager heeft gelaten. Klager heeft meermalen aangedrongen op toepassing van de beslagvrije voet en heeft hiertoe meermalen financiële stukken aan de gerechtsdeurwaarder toe gezonden. Hiermee heeft de gerechtsdeurwaarder in eerste instantie niets gedaan en heeft aan klager slechts gemeld dat [     ] naar zijn mening een verkeerde beslagvrije voet had gehanteerd. Dit is niet de juiste handelwijze. Hij had [     ] zelf daarop moeten aanspreken om gezamenlijk tot een juiste beslagvrije voet te komen. Voor zover de gerechtsdeurwaarder stelt dat hij op grond van het feit dat klager een bepaalde handelsnaam (had) gebruikt twijfels had over de juistheid en volledigheid van de financiële gegevens die klager aan hem had verstrekt, had hij daarnaar nader onderzoek moeten doen. De gerechtsdeurwaarder was niet op basis van deze gestelde twijfel gerechtigd vaststelling of aanpassing van de beslagvrije voet achterwege te laten. Het voorgaande brengt mee dat de klacht gegrond zal worden verklaard.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. De kamer acht termen aanwezig de gerechtsdeurwaarder na te melden maatregel op te leggen. Bij het inzetten van een ingrijpend middel als beslaglegging op een periodieke uitkering mag van de gerechtsdeurwaarder uiterste zorgvuldigheid worden verwacht. Die zorgvuldigheid is hier niet in acht genomen.

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht gegrond;

-      legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. S.P. Pompe, voorzitter, en mr. A.E. de Vos en M. Colijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2017, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens