Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2016:89
Datum uitspraak:
22-11-2016
Datum publicatie:
23-11-2016
Zaaknummer(s):
494.2016
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Klacht ongegrond. Ministerieplicht. Art. 475g lid 3 Rv betreft geen verplichting voor de gerechtsdeurwaarder, maar een bevoegdheid. Deze informatiebevoegdheid is in het leven geroepen om bij gerede twijfel onderzoek te kunnen doen om beslagleggingen die geen doel treffen zoveel mogelijk te voorkomen. Van onderhavige beslaglegging kon niet op voorhand worden gezegd dat deze zodanig onzeker was of het doel zou treffen dat van de gerechtsdeurwaarder verwacht moest worden dat hij van deze bevoegdheid gebruik maakte. Gerechtsdeurwaarder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in beginsel niet mogelijk is om partneralimentatie te verrekenen. Of daar onder bijzondere omstandigheden van kan worden afgeweken is ter beoordeling aan de rechter, indien daar tussen de voormalig echtelieden geen overeenstemming bestaat.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 22 november 2016 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/608512 DW RK 16/494 ingesteld door:

 

[   ],

wonende te [   ],

klager,

 

tegen:

 

[   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2016, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 12 september 2016 na verleend uitstel, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2016 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van deze behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 22 november 2016.

 

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

a)    De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een beschikking van de Rechtbank Den Haag van [   ] en een vonnis gewezen door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van [   ]. Het betreffen vorderingen wegens verbeurde dwangsommen, ver­schul­digde reiskosten en verschuldigde partneralimentatie en de kindrekening. Het dos­sier is in behandeling op zijn kantoor.

b)    Bij exploot van 25 februari 2016 heeft een collega gerechtsdeurwaarder ten laste van klager beslag gelegd onder [   ]. Bij exploot van 2 maart 2016 is het van het beslag opgemaakte proces-verbaal aan klager betekend.

c)    Bij exploot van 15 maart 2016 is klager een (hernieuwd) bevel gedaan tot betaling van verbeurde dwangsommen.

d)    Bij exploot van 29 maart 2016 heeft een collega gerechtsdeurwaarder ten laste van klager beslag gelegd onder de [   ].

e)    Bij vonnis van 11 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter te Den Haag de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder gelast de executie van de hiervoor onder 1. a) vermelde uitspraken te staken.

f)     Op 12 mei 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder het gelegde beslag onder de bank opgeheven.

 

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij:

 

2.1. onterecht loonbeslag heeft gelegd onder [   ]. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of de gestelde vorderingen rechtmatig zijn dan wel bestaan heeft de gerechtsdeurwaarder zonder vooraf te checken of klager daar in loondienst werkzaam was loonbeslag gelegd onder [   ]. Dit had de gerechtsdeurwaarder eenvoudig via het UWV kunnen opvragen. De verplichting tot controle vooraf vloeit ook voort uit het bepaalde in art. 475g lid 3 Rv. Bij [   ] zijn überhaupt geen mensen in loondienst. Uit de door zijn op­dracht­gever aangedragen stukken alsook uit common sense moet het de gerechts­deurwaarder duidelijk zijn geweest dat partners bij accountantskantoren evenals bij advocatenkantoren niet in loondienst zijn. Het loonbeslag is bij [   ] via diverse afdelingen gelopen (o.a. juridische zaken, HR, de [   ]). Dit heeft klager onnodig schade toegebracht. [   ] heeft vanzelfsprekend binnen de termij­nen gereageerd met de mededeling dat klager daar niet in dienst is en ook niet is geweest. De gerechtsdeurwaarder heeft derhalve zonder enige toetsing de wens van zijn cliënte uitgevoerd en heeft daarmee zijn zorgplicht geschonden en onvoldoende onafhankelijk en zorgvuldig opgetreden;

 

2.2. dwangsommen onrechtmatig heeft opgeëist. De gerechtsdeurwaarder was hier niet onpartijdig, niet integer en niet onafhankelijk. Met opzet is gesteld dat er tegenbewijs was hetgeen nooit ter tafel is gebracht. Ook in dit dossier was sprake van nalatigheid en onzorgvuldigheid door de gerechtsdeurwaarder. Uit de door klager overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt volgens hem ondubbelzinnig dat van verbeuring van dwangsommen geen sprake kan zijn, daar alle informatie door hem al in juli 2015 was verstrekt. De zaak betreft het deel van het vonnis van de voorzie­ningenrechter van 23 juli 2015 waar opgave werd gevorderd over het jaar 2013 van alle door partijen op peildatum 31 december 2013 gehouden bankrekeningen en beleggingen. Deze jaaropgaven zijn ook verstrekt en dat is ook door klager aan het [   ] en later de gerechtsdeurwaarder in persoon toegelicht en gedocumenteerd. Na veel correspondentie en telefonisch contact met de gerechtsdeurwaarder heeft de gerechtsdeurwaarder uiteindelijk de executie van dit dossier opgeschort in afwachting van het inmiddels door klager ingestelde kort geding. De gerechtsdeur­waar­der is hier volgens klager intimiderend geweest en heeft niet integer, niet onpar­tij­dig, niet onafhankelijk en niet zorgvuldig gehandeld;

 

2.3. een niet onderbouwde vordering wegens reiskosten heeft gevorderd, die al in eerdere gerechtelijke procedures was afgewezen. Een zeer eenvoudige rekensom kon de onjuistheid van het bedrag al aantonen. De argumenten van klager werden zeker in eerste instantie gewoon terzijde gelegd. Verder had de gerechtsdeurwaarder in de eerdere uitspraken kunnen lezen dat deze vordering was afgewezen. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij deze vordering nooit heeft ingebracht en dat het dossiernummer de achterstallige partneralimentatie van maart 2016 betreft. Volgens de gerechtsdeurwaarder zijn er maar drie vorderingen. Echter er is derdenbeslag gelegd bij de [   ] waarin de vordering wegens reiskosten als één van de vier dossiers is opgenomen. Het bedrag van deze vordering lijkt niet en wijkt sterk af van het bedrag van de partneralimentatie. Na de uitspraak in kort geding heeft de gerechtsdeurwaarder klager gemeld dat hij het bedrag van dit dossiernummer zal aanpassen naar het bedrag van de partneralimentatie van maart 2016. Naar de bank heeft hij dit echter niet gecommuniceerd. Kortom, op zijn minst een slordigheid van de gerechtsdeurwaarder en het is wel heel toevallig dat het bedrag van de vordering van dit dossier gelijk is aan de vordering inzake reiskosten;

 

2.4. beslag heeft gelegd voor de vordering van de partneralimentatie terwijl klager die vordering had verrekend met zijn vorderingen op de cliënte van de gerechts­deurwaarder. Dat in Nederland verrekenen van partneralimentatie lastig ligt was klager bekend. Daarom was al maanden daarvoor correspondentie richting de cliënte gegaan met tussenkomst van advocaten, is het LBIO ingeschakeld en uiteindelijk is klager tot verrekening overgegaan. Hier is dus niet over één nacht ijs gegaan. Zonder overleg en zonder enige nuancering is de gerechtsdeurwaarder overgegaan tot executie en beslaglegging. Ter voorkoming van kosten zou het de gerechtsdeurwaar­der hier gepast hebben om gezamenlijk een oplossing te zoeken voor het kennelijke executieverschil. De gerechtsdeurwaarder had gezien het dossier en eerdere uitspraken er rekening mee moeten houden dat de zaak genuanceerder lag. De simpele stelling van de gerechtsdeurwaarder dat verrekening met partneralimentatie nooit mag en hij dat nog nooit eerder heeft gezien is volgens klager niet passend voor een gerechtsdeurwaarder. De voorzieningenrechter heeft verrekening van partnerali­men­tatie toegestaan gezien de omstandigheden;

 

2.5. een vordering heeft ingesteld inzake de kindrekening die niet ingesteld had mogen worden. Los van de vraag of de cliënte van de gerechtsdeurwaarder überhaupt hier een vordering in rechte kon instellen waren de gevorderde bedragen niet onderbouwd, onjuist en ook in eerdere gerechtelijke procedures reeds afgewezen. De initieel gestelde vordering bedroeg ruim     € 14.918,00. Ook hier is wekenlang over gecorrespondeerd en getelefoneerd voordat de vordering werd teruggebracht tot een bedrag van € 612,00. Het beslag bij de [   ] trof een bedrag van € 5.859,00 en het beslag is nooit aangepast. Hoewel het voor de gerechtsdeurwaarder uit de beschikking van de rechtbank simpel te berekenen viel, is zelfs het laatste door de gerechtsdeur­waarder ingebrachte overzicht van de gestelde vordering nog onjuist. De voorzie­ning­en­rechter heeft geoordeeld dat cliënte en daarmee de gerechtsdeurwaarder niet gerechtigd waren deze vordering in te stellen.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

 

 

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tucht­recht­spraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Dat is niet het geval. De Kamer zal zich in het na­volgende per klachtonderdeel nader uitlaten.

 

4.2. Ten aanzien van klachtonderdeel 2.1. overweegt de Kamer dat klager op 25 maart 2015 bij beschikking is veroordeeld en nadien heeft nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Indien een gerechtsdeurwaarder door zijn opdrachtgever wordt verzocht een titel te executeren is hij wettelijk verplicht om aan dat verzoek te voldoen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren. Het door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm, nu klager op grond van artikel 3:276 BW met zijn hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager. Voorts is klager voor de beslaglegging op 22 januari 2016, op 25 januari 2016 en op 1 februari 2016 door [   ] aangemaand tot betaling van de alimentatie. Vervolgens is op 25 februari 2016 beslag gelegd. Dit beslag is dus niet rauwelijks gelegd. Ingevol­ge artikel 475g lid 3 Rv bestaat er voor de gerechtsdeurwaarder geen verplichting tot het inwinnen van inlichtingen. Dit betreft een bevoegdheid. De informa­tiebevoegdheid is in het leven geroepen om bij gerede twijfel onderzoek te kunnen doen om beslagleg­gingen die geen doel treffen zoveel mogelijk te voorkomen. Van de onderhavige beslaglegging kan, om redenen als in het verweerschrift omschreven, niet worden gezegd dat op voorhand zodanig onzeker was of het wel doel zou treffen dat van de gerechtsdeurwaarder moest worden verwacht dat hij van deze bevoegdheid gebruik maakte. Bovendien snijden de door de gerechtsdeurwaarder aangevoerde argumenten van spoedeisendheid van de opdracht en vrees bij de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder voor samenspanning tussen klager en de derde-gearresteerde hout. Tot slot blijkt uit het beslagexploot dat ook beslag is gelegd op niet-periodieke vorderingen. Voor dergelijke vorderingen kent de wet geen informatiebevoegdheid. De Kamer kan klager verder niet volgen in zijn stelling dat hij onnodig schade heeft geleden door de beslaglegging, nu de gerechts­deurwaarder de kosten van de beslaglegging niet aan klager heeft doorbelast. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

4.3. Ten aanzien van klachtonderdeel 2.2. overweegt de Kamer dat de gerechtsdeur­waarder in beginsel in eerste instantie mag afgaan op de informatie die hij van zijn cliënte ontvangt. De gerechtsdeurwaarder dient (marginaal) te bekijken of de aan hem ter hand gestelde titel een grondslag biedt voor het opeisen van dwangsommen. Deze grondslag was in de titel aanwezig. Hoewel klager verwijst naar correspondentie afkomstig van het [   ] en klager het [   ] vereenzelvigt met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, is niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarder van de met [   ] gevoerde correspondentie afwist. De gerechtsdeurwaarder is werkzaam in [   ] en het weliswaar gelieerde [   ] is een incassobureau dat is gevestigd te [   ]. Eerst na het beslag heeft klager contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder. Indien de feiten achteraf anders lijken te zijn (de opdrachtgever kon in het kort geding niet bewijzen dat er stukken ontbraken) dan kan dat slechts in zeer bijzondere gevallen aan de gerechtsdeurwaarder worden tegengeworpen. Die omstandigheden zijn door klager gesteld noch gebleken. Na kennisname van de uitkomst van het kort geding heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag direct opgeheven. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken.

 

4.4. Ten aanzien van klachtonderdeel 2.3. overweegt de Kamer dat uit het exploot van beslaglegging d.d. 29 maart 2016 niet volgt dat er beslag is gelegd voor een vor­de­ring met betrekking tot reiskosten. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn e-mail van 12 mei 2016 ook uitdrukkelijk aan klager medegedeeld dat er geen reiskosten geëxe­cuteerd worden. Wel heeft de gerechtsdeurwaarder in dezelfde e-mail erkend dat het bedrag in het exploot bij dossiernummer 416003963 onjuist is en dat het een bedrag van € 4.499,00 aan partneralimentatie voor de maand maart 2016 had moeten zijn. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder echter direct na ontdekking hersteld. Hierdooris klager niet geschaad. De fout is niet zo ernstig dat deze niet op deze wijze rechtgezet kon worden. Van handelen of nalaten door de gerechtsdeurwaarder dat tuchtrechtelijk dient te worden bestraft is niet gebleken.

 

4.5. Ten aanzien van klachtonderdeel 2.4. overweegt de Kamer dat het in beginsel niet mogelijk is om partneralimentatie te verrekenen. Of daar onder bijzondere omstandigheden vanaf kan worden geweken is ter beoordeling aan de rechter, indien tussen de ex echtelieden daarover geen overeenstemming bestaat. De rechter heeft zich pas in het vonnis van 11 mei 2016 uitgelaten over de mogelijkheid om de partneralimentatie te verrekenen. De gerechtsdeurwaarder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij (zonder de toestemming van zijn opdrachtgever) niet mocht verrekenen. Dat al reeds maanden door tussenkomst van advocaten werd gecorrespondeerd over (mogelijke) verrekening en het LBIO was ingeschakeld maakt dit niet anders en kan niet aan de gerechtsdeurwaarder worden tegengeworpen.

 

4.6. Ten aanzien van klachtonderdeel 2.5. overweegt de Kamer dat de gerechtsdeur­waarder, na marginale toetsing, op grond van de door hem ontvangen informatie van zijn cliënte, heeft onderzocht of de titel voldoende grond bood voor de te nemen executiemaatregelen. Uit de beschikking van 25 maart 2015 volgt dat de gelden op de kindrekening dienden te worden overgemaakt. Nu dat niet was gedaan heeft de gerechtsdeurwaarder de executie ter hand genomen en beslag gelegd. Toen de hoogte van de opgegeven vordering niet correct bleek te zijn heeft de gerechtsdeurwaarder dit aangepast en aan klager medegedeeld. Dat de voorzieningenrechter later anders heeft geoordeeld maakt het handelen van de gerechtsdeurwaarder niet met terugwer­kende kracht tuchtrechtelijk laakbaar.

 

4.7. Nu op grond van het voorgaande geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen kan worden geconstateerd, wordtbeslist als volgt.

 

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-      verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, voorzitter, en mrs. A.E. de Vos en J.J.L. Boudewijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2016, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens