Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2016:62
Datum uitspraak:
19-04-2016
Datum publicatie:
08-07-2016
Zaaknummer(s):
GDWverzet1087.2015
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De kamer is het niet met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet gegrond. Beslagvrije voet bij bankbeslag. Op grond van door klager overgelegde bankafschriften blijkt niet van andere inkomsten dan het loon. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen beslagvrije voet behoefde te worden toegepast.  De kamer verweegt dat de gerechtsdeurwaarder niet tot de conclusie is kunnen komen dat er bij het onderhavige bankbeslag geen aanleiding was voor het toepassen van een beslagvrije voet, zoals door klager verzocht. De Kamer acht de klacht daarom alsnog gegrond. Maatregel van berisping opgelegd. 

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM4

Beslissing van 19 april 2016 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van de voorzitter van 10 november 2015 met nummer 664.2015 en het daartegen ingestelde verzet met nummer 1087.2015 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

gemachtigde: [     ],

 

tegen:

 

[     ],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde: [     ].

 

1. Verloop van de procedure

 

Voormelde beslissing van de voorzitter is bij brief van 12 november 2015 aan klager toegezonden. Bij verzetschrift, ingekomen op 26 november 2015, heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016. Klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens klager is op 7 maart 2016 voor de tweede maal om uitstel verzocht. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 19 april 2016.

 

2. De feiten

 

De gerechtsdeurwaarder heeft op 26 mei 2015 ten laste van klager beslag gelegd op een bankrekening van klager.

 

3. De oorspronkelijke klacht

 

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat deze niet bereid is om alsnog een beslagvrije voet toe te passen en het daarmee gemoeide bedrag aan hem te restitueren. Op de bewuste bankrekening was het salaris van klager bijgeschreven op 22 mei 2015. Door de beslaglegging is het gehele loon van klager onder het beslag gebracht. Klager en zijn gezin hebben geen andere inkomsten en zijn door het beslag in de financiële problemen gekomen.  

 

 

 

4. Het oorspronkelijke verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat hij na beoordeling van de door klager toegezonden gegevens tot het oordeel is gekomen dat er terecht geen beslagvrije voet is toegepast. Op 16 juli 2015 is er namens klager voor het eerste geklaagd dat geen beslagvrije voet werd toegepast. Op basis van door klager na 16 juli 2015 toegestuurde gegevens is de gerechtsdeurwaarder tot het oordeel gekomen dat er terecht geen beslagvrije voet is toegepast. Dit is klager bij e-mail van 4 augustus 2015 meegedeeld.

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

5.1 De voorzitter heeft geoordeeld dat de klacht ongegrond is en heeft daartoe het volgende overwogen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de beslagvrije voet slechts geldt voor een beslag onder de verstrekker van periodieke inkomsten. De beslagvrije voet geldt in beginsel niet bij een beslag onder de bank. Onder omstandigheden kan sprake zijn van misbruik van recht indien de beslagen bankrekening uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed en de gerechtsdeurwaarder daarmee bekend is of moest zijn, maar dat is niet gesteld of gebleken. 

 

5.2 Voor het overige betreft de klacht een executiegeschil waarover de Kamer niet kan oordelen. Klager kan zich daarvoor eventueel wenden tot de gewone rechter, aldus de voorzitter.

 

6. De ontvankelijkheid van het verzet.

 

Klager heeft verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kunnen worden ontvangen.

 

7. De gronden van het verzet

 

Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter. De bankrekening waarop beslag is gelegd werd uitsluitend gevoed door het loon van klager. Er was dus wel degelijk aanleiding tot toepassing van een beslagvrije voet.  

 

8. Het verweer in verzet

 

De gerechtsdeurwaarder heeft geen verweer gevoerd.

 

9. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

9.1  De gemachtigde heeft bij brief van 7 februari 2016 om aanhouding verzocht. Dat is toegestaan en de zaak is verplaatst van de zitting van 9 februari 2016 naar de onderhavige zitting. Bij brief van 7 maart 2016 heeft de gemachtigde opnieuw om aanhouding verzocht. De Kamer ziet dit maal geen aanleiding om aan dat verzoek te voldoen.

 

9.2 Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer geleid tot de vaststelling van andere feiten of omstandigheden en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter. De Kamer acht het verzet daarom gegrond.

 

9.3 Klager heeft bij de klacht diverse bankrekeningafschriften overgelegd. Daaruit blijkt niet van andere inkomsten dan het loon. De gerechtsdeurwaarder heeft naar het oordeel van de Kamer in de e-mail van 4 augustus 2015 ten onrechte geconcludeerd dat er geen beslagvrije voet behoefde te worden toegepast. Hij heeft in de e-mail te kennen gegeven dat is gebleken dat na het beslag op de bankrekening nog diverse afschrijvingen hebben plaatsgevonden en op basis van die constatering aangenomen dat er nog andere inkomsten waren naast het loon en dat zich niet de situatie voordeed dat klager door het gelegde bankbeslag niet meer in zijn primaire levensbehoeften kan voorzien. De Kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder op basis van die enkele, niet nader onderbouwde, aanname niet tot de conclusie is kunnen komen dat er bij het onderhavige bankbeslag geen aanleiding was voor het toepassen van een beslagvrije voet, zoals door klager verzocht. De Kamer acht de klacht daarom alsnog gegrond en ziet aanleiding na te noemen maatregel op te leggen.

 

10. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-           verklaart het verzet gegrond;

-           vernietigt de beslissing van de voorzitter;

-           verklaart de klacht alsnog gegrond;

-           legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros plaatsvervangend-voorzitter, mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen en M. Colijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2016 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens