Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2016:14
Datum uitspraak:
26-01-2016
Datum publicatie:
11-03-2016
Zaaknummer(s):
GDWverzet617.2015
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Beslissing op verzet. De Kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 26 januari 2016 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beschikking van 30 juni 2015 met zaaknummer 776.2014 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer 617.2015 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde: [     ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 4 oktober 2015, heeft klaagster een klacht

ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Bij verweerschrift, ingekomen op 10 november 2015, heeft de gerechtsdeurwaarder

op de klacht gereageerd.

Bij beslissing van 30 juni 2015 heeft de voorzitter de klacht als zijnde kennelijk

ongegrond afgewezen. Klaagster is een afschrift van de beslissing van de voorzitter

toegezonden bij brief van 7 juli 2015.

Bij brief, ingekomen op 21 juli 2015, heeft klaagster verzet ingesteld tegen de

beslissing van de voorzitter.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 15 december 2015

alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 26 januari 2016.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klaagster heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

Een op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder werkzame toegevoegd kandidaat- gerechtsdeurwaarder heeft op 9 september 2014 in opdracht van de advocaat van de ex-partner van klaagster een vonnis aan klaagster betekend op haar verblijfsadres door overhandiging aan haar 17-jarige zoon. Klaagster was op dat moment op vakantie.

 

4. De oorspronkelijke klacht

 

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze het vonnis aan haar minderjarige zoon heeft betekend en ook nog op een adres waar zij niet woonde. Volgens haar heeft de gerechtsdeurwaarder onrechtmatig gehandeld en hebben de vragen die bij de betekening aan haar zoon zijn gesteld, hem verontrust.

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

 

‘4.1 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Daarvan is geen sprake. De gerechtsdeurwaarder heeft terecht aangevoerd dat het adres waar klaagster bij de GBA staat ingeschreven, niet per definitie een woonstede is zoals bedoeld in artikel 1.10 van het Burgerlijke wetboek. Op dit laatste adres mag een titel ook betekend worden, in het geval een gerechtsdeurwaarder het vermoeden heeft dat iemand daar in werkelijkheid woont. In dit geval heeft de opdrachtgever aan de gerechtsdeurwaarder opgegeven dat klaagster een nieuwe relatie zou hebben en daar zou samenwonen. De gerechtsdeurwaarder was wettelijke bevoegd om aldaar te betekenen en het vonnis te overhandigen aan de zoon van klaagster, omdat hij de gerechtvaardigde indruk kon hebben dat deze het vonnis aan klaagster zou overhandigen. Dit is ook gebeurd. Bij de betekening moest worden geverifieerd of de zoon het vonnis ook aan klaagster zou overhandigen. Daarbij moesten wat vragen worden gesteld. Niet gebleken is dat dit op een onbehoorlijke manier is geschied.’

 

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klaagster als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

 

In verzet heeft klaagster aangevoerd dat de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De gerechtsdeurwaarder heeft het vonnis betekend door middel van overhandiging aan een minderjarige op een adres waar zij niet woonachtig was.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

7.1 Het verzet kan naar het oordeel van de Kamer niet slagen. Het onderzoek in verzet heeft naar het oordeel van de Kamer niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de voorzitter waarmee de Kamer zich verenigt. De Kamer acht de beslissing van de voorzitter derhalve juist en de door klaagster aangevoerde gronden geven evenmin aanleiding de motivering van de beslissing aan te passen.

 

7.2 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. J.H.C. Schouten, voorzitter, en mr. M.S.F. Voskens en A.M. Maas, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2016, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4, van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens