Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2015:95
Datum uitspraak:
26-05-2015
Datum publicatie:
10-07-2015
Zaaknummer(s):
GDW534.2014
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
 Beslag onder twee banken waarbij de gerechtsdeurwaarder stelt dat er een redelijk vermoeden was dat klaagster bij die banken bankierde. De Kamer is van oordeel dat gerechtsdeurwaarder sub 1 bij beide beslagen geen redelijk vermoeden had dat klaagster bij die banken een rekening aanhield. Hij heeft de stellingen van klaagster niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Nu de gerechtsdeurwaarder mede weet moet hebben gehad van de moeilijke financiële situatie waarin klaagster verkeerde, had hij zich eens te meer behoren te realiseren dat hij zorgvuldig moest omgaan met het leggen van de beslagen. Klacht gegrond, maatregel van berisping opgelegd. 

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 26 mei 2015 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 534.2014 van:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

gemachtigde: [     ],

 

tegen:

 

1) [     ],

2) [     ],

gerechtsdeurwaarders te [     ],

beklaagden,

gemachtigde: [     ].

 

1. Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 juli 2014, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij aangehecht verweerschrift, ingekomen op 15 augustus 2014, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 april 2015 in aanwezigheid van de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders. Klaagster heeft een pleitnota doen overleggen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 26 mei 2015.

 

2. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-                      Op 7 februari 2011 hebben de gerechtsdeurwaarders een door het CJIB tegen klaagster uitgevaardigd dwangbevel aan haar betekend met bevel tot betaling.

-           Vervolgens zijn twee betalingsregelingen getroffen die niet correct zijn nagekomen.

-           Op 27 februari 2014 hebben de gerechtsdeurwaarders ten laste van klaagster beslag onder ING Bank N.V., hierna: ING, gelegd. Dit beslag heeft geen doel getroffen. Klaagster hield bij deze bank geen rekening aan.

-           Op 28 maart 2014 hebben de gerechtsdeurwaarders ten laste van klaagster beslag onder ABN AMRO Bank N.V., hierna: ABN gelegd.

-           In mei 2014 zijn de gerechtsdeurwaarders met klaagster een nieuwe betalingsregeling overeengekomen.

 

3. De klacht

 

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarders onder ING beslag hebben gelegd, bij welke bank klaagster geen rekening had, terwijl er geen wetenschap of vermoeden bij de gerechtsdeurwaarders aanwezig was dat zij met deze bank een rechtsbetrekking zou hebben. Er bestond evenmin een vermoeden dat er bij ABN een rekening werd aangehouden;

b: het door de gerechtsdeurwaarders gelegde beslag onder ABN vexatoir is. De bewindvoerder van klaagster heeft de gerechtsdeurwaarders bij brief van 18 februari 2014 gewezen op haar moeilijke financiële situatie en dat er sprake was van meerdere schulden. Zij waren er derhalve van op de hoogte dat bij een beslag onder deze bank hooguit de leefgeldrekening van klaagster getroffen zou worden, een bedrag derhalve dat hooguit gelijk of lager dan de beslagvrije voet zou zijn;

c: de gerechtsdeurwaarders, ondanks herhaald verzoek, geweigerd hebben om een specificatie van de vordering te verstrekken en een opsomming van de daaraan bestede  ambtshandelingen met de daaraan verbonden kosten.

 

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

 

4.1 De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat het beslag onder ING is gelegd op basis van een redelijk vermoeden dat klaagster bij deze bank zou bankieren. Er was een deelbetaling gedaan ten behoeve van klaagster welke betaling afkomstig was een rekening van ING van de moeder van klaagster. Volgens de gerechtsdeurwaarders leert de praktijk dat de kinderen vaak bankieren bij dezelfde bank als de ouders. Er is dus niet gehandeld in strijd met de artikelen 1 en 10 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders, aangezien er wel degelijk sprake was van een (onderbouwd ) vermoeden dat klaagster bij ING zou bankieren. Overigens hebben de gerechtsdeurwaarders de kosten van dit beslag gecrediteerd, terwijl zij daartoe volgens hen niet verplicht waren.

 

4.2 Klaagster heeft niet onderbouwd dat het beslag onder ABN alleen leefgelden zou treffen. De bank heeft bevestigd dat klaagster twee rekeningen aanhield. Klaagster is vrijwillig onder bewind gesteld. De afspraken tussen klaagster en haar bewindvoerder over het bedrag waarover zij vrij kon beschikken, waren bij de gerechtsdeurwaarders niet bekend. Ook heeft klaagster niet inzichtelijk gemaakt dat er sprake was van een problematische schuldenpositie. Dit beslag heeft wel doel getroffen, maar de bank heeft zich beroepen op verrekening. De kosten van overbetekening zijn dus niet nodeloos gemaakt.

 

4.3 Er is geen sprake geweest van het achterhouden van een specificatie.

 

5. Het nadere betoog van klaagster

 

5.1 Klaagster heeft ter zitting aangevoerd dat eerst is aangenomen dat zij bij ING zou bankieren omdat deelbetalingen via die bank waren ontvangen. Nadat de gemachtigde van klaagster had gewezen op de onhoudbaarheid van dat standpunt, werd een beroep gedaan op de familierelatie. Gaandeweg werd een nieuwe beweegreden ter tafel gebracht. Klaagster beschouwt dat als zwalken. Van enig redelijk vermoeden dat klaagster bij ING zou bankieren is dus geen sprake. De zogenaamde onderbouwing bestaat uit twee onderzoeken die de stelling dat kinderen in meerderheid bij dezelfde bank bankieren als hun ouders, niet ondersteunen. De kosten bij dit beslag zijn wel degelijk in strijd met het Btag in rekening gebracht. Dat de gerechtsdeurwaarders de kosten later hebben gecrediteerd, doet niet af aan het feit dat zij aanvankelijk wel degelijk aanspraak hebben gemaakt op deze kosten.

 

5.2 Het beslag onder ABN is wel degelijk vexatoir, omdat de gerechtsdeurwaarder redelijkerwijs hadden kunnen weten dat dit beslag geen zin had.  

 

5.3 Klaagster tast ook na kennisneming van het verweerschrift nog steeds in het duister over de in rekening gebrachte verschotten, wegens informatie bij het GBA.

 

6. Het nadere verweer van de gerechtsdeurwaarders

 

6.1 De gerechtsdeurwaarders hebben ter zitting gesteld dat aan het beslag onder ING wel degelijk een redelijk vermoeden ten grondslag lag, omdat de moeder van klaagster ten behoeve van haar een deelbetaling had gedaan waarbij gebruik werd gemaakt van een ING rekening. De praktijk leert dat kinderen vaak bij dezelfde bank bankieren als de ouders. Het vermoeden was dus gerechtvaardigd dat klaagster ook bij ING een rekening zou aanhouden. Het was niet bekend onder welke naam de moeder van klaagster de betalingen had gedaan en evenmin of de moeder dezelfde achternaam heeft als klaagster. Toen het beslag onder ABN werd gelegd of voorbereid, was niet bekend dat het beslag onder ING geen doel had getroffen, althans de gerechtsdeurwaarders vermoeden dit. De gerechtsdeurwaarders hebben ter zitting verklaard dat zij niet in staat zijn, de kosten die in rekening zijn gebracht dan wel in rekening hadden moeten worden gebracht bij het beslag onder ING, nader toe te lichten. Ter zitting hebben zij verklaard dat hun eerdere opgave van het bedrag van € 109,70 aan frustrakosten in ieder geval niet juist is. Dat bedrag zou € 162,79 moeten bedragen. 

 

6.2 De overbetekening van het beslag onder ABN heeft plaatsgevonden nadat de bank had laten weten wat het getroffen saldo was. Het getroffen saldo bedroeg

€ 112,30 en de kosten van overbetekening ongeveer € 70,00. De overbetekening was dus niet nutteloos Het was een redelijke eis om van klaagster te verlangen dat zij kon aantonen dat er meerdere schulden zouden zijn, zoals door de bewindvoerder is gesteld in zijn brief van 18 februari 2014. Daaruit volgt immers nog niet direct dat er sprake is van  een problematische schuldenpositie en dat op de rekening bij ABN enkel een minimum aan leefgeld zou worden gestort.  De gerechtsdeurwaarders konden ter zitting geen duidelijkheidgeven waarom beide gerechtsdeurwaarders verantwoordelijkheid zouden dragen voor de handelingen waarover wordt geklaagd.

 

 

7. Beoordeling van de klacht

 

7.1 Het is de Kamer bij de behandeling van de klacht gebleken dat gerechtsdeurwaarder sub 1 de verantwoordelijkheid  draagt voor de handelingen waarover wordt geklaagd. Er zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid van gerechtsdeurwaarder sub 2 gesteld. Jegens haar zal de klacht daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

 

7.2 Met betrekking tot klachtonderdeel a overweegt de Kamer dat de familierelatie tussen klaagster en haar moeder geen grondslag kon zijn om aan te nemen dat ook klaagster evenals haar moeder bij ING een rekening zou aanhouden. In het licht van de klacht heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een redelijk vermoeden dat klaagster bij deze bank een rekening zou aanhouden.

 

7.3 Gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft ter zitting nog wel aangeboden eventuele stukken na te sturen waaruit kon blijken waarom gerechtsdeurwaarder sub 1 reden had om te vermoeden dat klaagster wel bij ABN bankierde. De Kamer acht dit aanbod echter tardief. Klaagster had in de klacht reeds gesteld dat zodanige reden niet bestond. Gerechtsdeurwaarder sub 1 had daar zowel in het verweerschrift iets over kunnen zeggen of anders wel in de voorbereiding van de zitting daarover nadere stukken kunnen inzenden. Het feit dat dit beslag wel doel heeft getroffen, maakt niet dat het beslag op grond van  een redelijk vermoeden is gelegd. En evenmin dat het niet  klachtwaardig zou zijn.

 

7.4 De Kamer is van oordeel dat gerechtsdeurwaarder sub 1 bij beide beslagen geen redelijk vermoeden had dat klaagster bij die banken een rekening aanhield. Gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft de stellingen van klaagster niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Nu gerechtsdeurwaarder sub 1 mede weet moet hebben gehad van de moeilijke financiële situatie waarin klaagster verkeerde, had hij zich eens te meer behoren te realiseren dat hij zorgvuldig moest omgaan met het leggen van de beslagen.

 

7.5 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel is de Kamer van oordeel dat de beantwoording van de vraag of het onder ABN gelegde beslag vexatoir is, in beginsel door de gewone civiele rechter dient te worden gedaan.

 

7.6 Ten aanzien van het derde klachtonderdeel is de Kamer van oordeel dat uit de door klaagster zelf overgelegde brieven van 30 april en 22 mei 2014 kan worden opgemaakt dat wel degelijk specificaties aan haar zijn verstrekt. De Kamer kan thans niet meer vaststellen of alle de door de gerechtsdeurwaarder sub 1 opgevoerde GBA-kosten expliciet verband houden met een specifieke ambtsopdracht.

 

7.7 . De Kamer acht oplegging van na de melden maatregel op zijn plaats voor het gegronde deel van de klacht.

 

8. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klaagster in haar klacht jegens gerechtsdeurwaarders sub 2 niet-ontvankelijk;

-       verklaart  onderdeel a van de klacht jegens gerechtsdeurwaarder sub 1 gegrond;

-       verklaart de overige onderdelen van de klacht ongegrond;

-       legt aan gerechtsdeurwaarder sub 1 voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. E.R.S.M. Marres, voorzitter, mr. C.W. Inden en

A.M. Maas,  leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens