Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2015:76
Datum uitspraak:
24-02-2015
Datum publicatie:
10-07-2015
Zaaknummer(s):
GDWverzet784.2014
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De Kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 24 februari 2015 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beschikking van 7 oktober 2014 met zaak-nummer 204.2014 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer 784.2014 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

-           Bij brief met bijlagen, ingekomen op 24 maart 2014, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

-           Bij verweerschrift, ingekomen op 20 mei 2014, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

-          Bij beslissing van 7 oktober 2014 heeft de voorzitter de klacht als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 8 oktober 2014.

-           Bij e-mail, ingekomen op 22 oktober 2014, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

-           Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 januari 2015 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

-           De uitspraak is bepaald op 24 februari 2015.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

-           De stichting [     ] heeft de gerechtsdeurwaarder belast met de tenuitvoerlegging van een ten nadele van klager gewezen vonnis d.d. 30 juni 2009.

-           Op 8 november 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder   beslag gelegd onder de Belastingdienst, op de huurtoeslag van klager.

-           De vordering waarvoor beslag is gelegd heeft betrekking op een betalingsachterstand die klager had laten ontstaan als huurder van de woning die hij voorheen had bewoond

-           de huurtoeslag gold voor de woning waarin hij later is komen te wonen.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ten onrechte beslag op zijn huurtoeslag heeft gelegd. Volgens klager mag voor een huurvordering van een vorige woning geen beslag worden gelegd op de huurtoeslag voor de huidige woning. Klager verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Door het beslag zit klager met zijn inkomsten onder de beslagvrije voet. Daarnaast klaagt klager over de aanvullende kosten die volgens hem onnodig en onredelijk hoog zijn. Klager heeft meerdere malen om een duidelijk overzicht gevraagd maar krijgt daarop geen antwoord.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft overwogen dat de klacht van klager betrekking had op het door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag op zijn huurtoeslag. Volgens klager mag voor een huurvordering terzake van een vorige woning geen beslag worden gelegd op de huurtoeslag voor de huidige woning aldus een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage; LJN: BZ7217. De gerechtsdeurwaarder stelt zich echter op het standpunt dat dit de enige uitspraak is van dier strekking. Deze uitspraak zou volgens de gerechtsdeurwaarder in strijd zijn met een eerdere uitspraak, gewezen door de rechtbank Almelo (LJN: BH4739). De gerechtsdeurwaarder stelt verder dat deze kwestie ook aan de orde is gekomen in het gepubliceerde rapport ‘Paritas Passé’ waarin een aanbeveling is gedaan tot wijziging van art. 45 AWIR.  Die aanbeveling is door het kabinet niet overgenomen. De gerechtsdeurwaarder verwijst naar een brief van het Ministerie van Sociale zaken aan de Tweede Kamer van 8 april 2013.

 

5.2 Gelet op het bovenstaande was de voorzitter van oordeel dat het de gerechts-deurwaarder niet kan worden verweten dat hij gevolg heeft gegeven aan de opdracht tot het leggen van beslag op de huurtoeslag. De stand van zaken in de rechtspraak is zodanig, dat het standpunt van de gerechtsdeurwaarder in ieder geval verdedigbaar werd geacht.

 

5.3 Voorts heeft de voorzitter overwogen dat ten aanzien van de beslagvrije voet als uitgangspunt geldt dat de beslagvrije voet onverwijld en met terugwerkende kracht dient te worden aangepast, tenzij onbekendheid met de juiste beslagvrije voet te wijten is aan (toerekenbaar) onjuiste of onvolledige inlichtingen van de zijde van de beslagene. De gerechtsdeurwaarder was niet door klager op de hoogte gesteld van de onjuiste beslagvrije voet en heeft zodra klager hem daarop had gewezen, de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aangepast en de gelden aan klager terugbetaald. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook niet gebleken. 

 

5.4 Verder heeft de voorzitter overwogen dat klager de stelling dat de kosten onnodig en onredelijk hoog waren, niet nader heeft onderbouwd. De kosten vloeien voort uit het vonnis van 30 juni 2009. In zijn brief van 21 februari 2014 heeft de gerechtsdeur-waarder klager daarop gewezen. Bij de stukken van klager bevindt zich een brief van de gerechtsdeurwaarder van 11 december 2013 met als bijlage een specificatie van de kosten. Vastgesteld kan worden dat de vragen van klager over de kosten voldoende zijn beantwoord.

 

5.5 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder:

a: de verkeerde beslagvrije voet heeft toegepast;

b: een onjuiste specificatie heeft verstrekt;

c: ten onrechte ontruimingskosten in rekening heeft gebracht.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Met betrekking tot verzet grond a overweegt de Kamer dat de gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat hij de verkeerde beslagvrije voet heeft toegepast doch dat dit hem niet kan worden verweten, omdat klager hem  niet eerder van de juiste gegevens op de hoogte had gesteld. De Kamer oordeelt dat - nu klager aanvankelijk heeft nagelaten om zijn bronnen van inkomsten op te geven en de gerechtsdeurwaarder – toen die informatie wél werd verstrekt –  binnen een redelijke termijn heeft gereageerd en de beslagvrije voet heeft aangepast, is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen geen sprake.

 

7.2 Met betrekking tot verzet grond b overweegt de Kamer dat voor zover er al een fout zou zijn gemaakt bij het opstellen van de specificatie niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder zulks willens en wetens zou hebben gedaan. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook geen sprake.

 

7.3 Met betrekking tot verzet grond c overweegt de Kamer dat de gerechtsdeurwaarder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem in rekening gebrachte ontruimingskosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Tegen deze stelling heeft klager onvoldoende ingebracht om het tegendeel aan te nemen. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook niet gebleken.

 

7.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. E.R.S.M. Marres, voorzitter, en mr. E.C. Smits en  A.M. Maas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2015, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens