Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2014:63
Datum uitspraak:
08-04-2014
Datum publicatie:
23-05-2014
Zaaknummer(s):
GDW703.2013
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
 Beslagvrije voet. De kamer overweegt dat er nodeloos beslag is gelegd en niet adequaat en correct is gehandeld naar aanleiding van vragen van klaagster ten aanzien van de beslagvrije voet. Klaagster is gedupeerd omdat er ten onrechte inkomsten onder het beslag zijn gebracht. Dat de kosten van het tweede beslag door de gerechtsdeurwaarder zijn gecrediteerd maakt dit niet anders. Maatregel van berisping opgelegd.  

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 8 april 2014 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 703.2013 van:

 

[     ],

wonende te [     ],

klaagster,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde: [     ]

 

1. Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief  ingekomen op 21 augustus 2013, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 oktober 2013, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd.  De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 februari 2014 in aanwezigheid van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 8 april 2014.

 

2. De feiten

 

De gerechtsdeurwaarder heeft op 15 augustus 2012 ten laste van klaagster beslag op haar uitkering gelegd. Daarbij is een beslagvrije voet toegepast. Naar aanleiding van verzoeken van klaagster tot aanpassing van die beslagvrije voet, heeft de gerechtsdeurwaarder deze op 9 oktober 2012 bepaald op € 939,21 per maand en omdat de inkomsten van klaagster hoger waren dan haar maandelijkse uitkering is aan de uitkeringsinstantie verzocht om het beslag slechts voor het vakantiegeld van 2013 te handhaven. De netto inkomsten van klaagster bedroegen toen ongeveer € 805,00 per maand. Op 21 maart 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder onder de Belastingdienst beslag gelegd op de voorlopige teruggave van klaagster. Daarbij is geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Naar aanleiding van een verzoek van de schuldhulpverlener is op 8 augustus 2013 de beslagvrije voet herzien en is een bedrag van € 153,31 aan de Belastingdienst terugbetaald. Naar aanleiding van een verzoek van klaagster tot stopzetting van het beslag onder de Belastingdienst, heeft de gerechtsdeurwaarder op 12 augustus 2013 geschreven dat het dossier door totale betaling al was gesloten en terug naar de opdrachtgever was gegaan. Hierna heeft de gerechtsdeurwaarder zijn standpunt herzien, mede naar aanleiding van contacten met de hulpverlener van klaagster, heeft hij erkend dat de beslagvrije voet niet juist was bepaald en is € 370,67 aan klaagster terugbetaald. De beslagvrije voet is herzien naar € 956,26 per maand en de Belastingdienst is verzocht om het beslag te handhaven maar alleen tot uitkering over te gaan als de maandelijkse afdracht aan klaagster meer bedraagt dan € 78,00 per maand.

 

3. De klacht

 

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze erg onzorgvuldig heeft gehandeld door bij de beslaglegging onder de Belastingdienst geen rekening te houden met haar beslagvrije voet.

 

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

Volgens de gerechtsdeurwaarder behoort problematiek met de beslagvrije voet niet thuis bij de Kamer en heeft hij overigens steeds gehoor gegeven aan verzoeken tot aanpassing daarvan. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat hij niet meer kan achterhalen waarom niet meteen op de juiste wijze met de beslagvrije voet is rekening gehouden. De betreffende medewerker werkt niet meer op zijn kantoor. Het tweede beslag was niet nodig. De kosten daarvan zijn niet aan klaagster in rekening gebracht. 

 

5. Beoordeling van de klacht

 

4.1 Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

 

4.2 Dat geval doet zich hier voor. Er is nodeloos beslag gelegd en niet adequaat en correct gehandeld naar aanleiding van  vragen van klaagster ten aanzien van de beslagvrije voet. Klaagster is gedupeerd omdat er ten onrechte inkomsten onder het beslag zijn gebracht. Dat de kosten van het tweede beslag door de gerechtsdeurwaarder zijn gecrediteerd maakt dit niet anders.

 

4.3 Op grond van de ernst van deze gedragingen acht de Kamer na te melden maatregel op zijn plaats.

 

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-           verklaart de klacht gegrond;

 -           legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. A.W.J. Ros, voorzitter, mr. M.S.F. Voskens en mr. J.J.L. Boudewijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens