Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2014:199
Datum uitspraak:
21-10-2014
Datum publicatie:
03-12-2014
Zaaknummer(s):
GDW880.2013
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Een berisping
Inhoudsindicatie:
 Leggen van beslag zonder de bewindvoerder daarvan op de hoogte te stellen terwijl die bij de gerechtsdeurwaarder bekend was. Halveren beslagvrije voet.De kamer overweegt dat indien bij een gerechtsdeurwaarder bekend is dat een schuldenaar onder bewind staat, als uitgangspunt geldt dat hij met de bewindvoerder dient te corresponderen. Exploten dienen mede aan de bewindvoerder te worden betekend. Een schuldenaar is nu juist onder bewind gesteld omdat hij als gevolg van zijn geestelijke en/of lichamelijk toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Vast staat dat de gerechtsdeurwaarder van het bewind op de hoogte was. Hij heeft verwijtbaar gehandeld door de bewindvoerder niet op de hoogte te stellen. Onder de gegeven omstandigheden past het halveren van de beslagvrije voet een redelijk handelend gerechtsdeurwaarder niet. Klacht gegrond verklaard, maatregel van berisping opgelegd.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 21 oktober 2014 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 880.2013 ingediend door:

 

[     ], in zijn hoedanigheid als bewindvoerder van [     ],

gevestigd te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

 

Ontstaan en loop van de procedure

 

Bij brief van 30 oktober 2013 heeft klager een klacht ingediend tegen (het kantoor van beklaagde), hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 4 december 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

De klacht is behandeld ter zitting van 9 september 2014 alwaar de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 21 oktober 2014.

 

1. De feiten

 

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

a)     Klager is bij beschikking van 2 november 2011 door de kantonrechter te [     ] benoemd tot bewindvoerder over de gelden en goederen van een schuldenaar van de gerechtsdeurwaarder (hierna: de onderbewindgestelde). Klager heeft de gerechtsdeurwaarder hierover bij brief van 13 december 2011 geïnformeerd.

b)     De gerechtsdeurwaarder is belast met de executie van een op 22 november 2011 door de kantonrechter te [     ] bij verstek gewezen vonnis tegen de onderbewindgestelde.

c)     De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 16 december 2011 aan klager bericht dat hij een vordering op de onderbewindgestelde in behandeling heeft.

d)    Voormeld vonnis is op 16 december 2011 in persoon betekend aan de onderbewindgestelde, met daarbij gevoegd een in te vullen formulier met betrekking tot de inkomsten en uitgaven.

e)     Bij brief van 16 april 2012 heeft klager de gerechtsdeurwaarder een betalingsvoorstel toegestuurd. Bij brief van 17 april 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder de onderbewindgestelde medegedeeld dat de opdrachtgever niet met het voorstel kon instemmen.

f)      Bij e-mail van 22 november 2012 heeft klager gereageerd op een door de gerechtsdeurwaarder aan de onderbewindgestelde gezonden brief van 16 november 2012. Daarin wijst hij erop dat correspondentie aan de bewindvoerder gericht moet worden. Voorts wijst hij erop dat verdere executiemaatregelen slechts kostenverhogend werken omdat er sprake is van een problematische schuldensituatie en er al beslag is gelegd door de belastingdienst op de inkomsten van de onderbewindgestelde.

g)     Op 1 februari 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van de onderbewindgestelde beslag gelegd onder het UWV, waarbij de beslagvrije voet is bepaald op € 594,88. Op dat moment was de Gemeente [     ] eerste beslaglegger. Het proces-verbaal van het gelegde beslag is op 13 februari 2013 betekend aan de onderbewindgestelde.

h)     Bij brief van 22 maart 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder de onderbewindgestelde aangekondigd beslag op roerende zaken te gaan leggen.

i)       Klager heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 28 maart 2013 naar aanleiding van het aangekondigde beslag bericht dat beslag gelet op de slechte financiële positie van de onderbewindgestelde geen zin zal hebben.

j)       Bij brief van 22 juli 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gemeld dat de opdrachtgever niet langer wenst te wachten. Daarbij werd aangegeven dat indien op 5 augustus 2013 geen reactie zou zijn ontvangen, verdere executiemaatregelen zullen worden genomen.

k)     Bij brief van 16 september 2013 heeft het UWV de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat een eerder beslag is opgeheven en dat € 447,82 per maand zal worden gestort.

l)       Bij e-mail van 28 oktober 2013 heeft klager de gerechtsdeurwaarder er nogmaals op gewezen dat op grond van artikel 1:12 BW correspondentie aan hem en niet aan de onderbewindgestelde dient te worden gericht. Voorts heeft hij bezwaar gemaakt tegen de gehanteerde beslagvrije voet en nadere informatie verstrekt over de inkomsten en uitgaven van de onderbewindgestelde.

m)   Bij brief van 4 november 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder het UWV gemeld dat de voor de onderbewindgestelde te hanteren beslagvrije voet nader is bepaald op € 1.263,60 per maand.

n)     De gerechtsdeurwaarder heeft het van het UWV ontvangen bedrag van

€ 447,82 aan het UWV teruggestort.

 

2. De klacht

 

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder beslag te hebben gelegd zonder hem als bewindvoerder een kopie van de betekening toe te sturen ondanks dat aan de gerechtsdeurwaarder bekend was gemaakt dat de schuldenaar onder beschermingsbewind stond. Onder het mom van onvoldoende informatie is daarbij de beslagvrije voet gehalveerd. Aangezien de onderbewindgestelde een alleenstaande ouder is met de zorg voor een minderjarige, is het niet meer mogelijk haar te voorzien in haar middelen van bestaan. Klager is van mening dat de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig heeft gehandeld en zijn zorgplicht ernstig heeft verwaarloosd.

 

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

 

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

 

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, wordt overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechtsdeurwaarders (waarnemend en kandidaat-gerechtsdeurwaarders daaronder begrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [     ] kan daarom niet als beklaagde worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat het dossier in behandeling is op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder te [     ]. De aan dat kantoor verbonden en in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarder wordt aangemerkt als beklaagde.

 

4.2 Ter beoordeling staat of door de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld in de zin van voormeld artikel.

 

4.3 De Kamer overweegt als volgt. Indien bij een gerechtsdeurwaarder bekend is dat een schuldenaar onder bewind staat, geldt als uitgangspunt dat hij met de bewindvoerder dient te corresponderen. Exploten dienen mede aan de bewindvoerder te worden betekend. Een schuldenaar is nu juist onder bewind gesteld omdat hij als gevolg van zijn geestelijke en/of lichamelijk toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

 

4.4 Vast staat dat de gerechtsdeurwaarder van het bewind op de hoogte was. Hij heeft dit ter zitting ook erkend. In dat kader valt het niet te begrijpen waarom het vonnis  en het exploot van overbetekening van het gelegde beslag alsmede de onder 1e en 1f  genoemde brieven alleen naar de onderbewindgestelde zijn verzonden. Dit terwijl de gerechtsdeurwaarder wist van de onderbewindstelling en daarvan door de bewindvoerder herhaaldelijk op de hoogte was gesteld. De Kamer acht dit verwijtbaar aangezien van een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat deze in het geval van een onderbewindstelling de bewindvoerder (klager) direct op de hoogte stelt van al hetgeen de bewindvoering aangaat.

 

4.5. Daar komt bij dat onder de gegeven omstandigheden (de bekendheid met de benoeming van een bewindvoerder) het halveren van de beslagvrije voet met een verwijzing naar het feit dat de inkomsten- en uitgaven niet bekend waren een redelijk handelend gerechtsdeurwaarder niet past.

 

4.6 De klacht is dan ook terecht voorgesteld en zal gegrond worden verklaard. De Kamer ziet aanleiding tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan. Daarbij heeft de Kamer mede in aanmerking genomen dat de gerechtsdeurwaarder ter zitting heeft erkend dat niet alles volgens de regelen der kunst is gegaan en maatregelen zijn genomen om dit voor de toekomst te voorkomen.

 

5. De Kamer is niet bevoegd beklaagde te bewegen tot opheffing van beslag of betaling van gelden, zodat het verzoek van klager dat daartoe strekt niet toewijsbaar is.

 

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart de klacht gegrond,

-       legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

 

Aldus gegeven door mr. C.W. Inden, plaatsvervangend-voorzitter, mr. A. Sissing en M. Colijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2014 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens