Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2014:145
Datum uitspraak:
22-07-2014
Datum publicatie:
29-08-2014
Zaaknummer(s):
GDWverzet178.2013
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Beslissing op verzet. De Kamer is het op 1 onderdeel niet met de beslissing van de voorzitter eens en vernietigt de beslissing op dat punt. Het betreft de klacht over de kosten. Die klacht wordt gegrond verklaard maar er wordt geen maatregel opgelegd. 

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 22 juli 2014 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beschikking van 19 november 2013 met zaaknummer 993.2012 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer 178.2013 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

waarnemend-gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde: [     ].

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

 

Bij brief van 3 december 2012 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Op 22 januari 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 19 februari 2013 heeft de voorzitter de klacht als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen.

Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 28 februari 2013.

Bij brief van 4 maart 2013 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

Bij brief van 19 september 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend op het verzet.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 september 2013 waarna de behandeling is aangehouden tot een nader te bepalen datum.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Bij brief van 1 oktober 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder zijn verweer in verzet nogmaals toegezonden. Bij brief van 1 oktober 2013 is het verweerschrift naar klager toegezonden.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 17 juni 2014 alwaar klager is verschenen. Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 22 juli 2014.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

 

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

 

3. De feiten

 

Op 25 januari 2012 is een vonnis ten laste van klager gewezen. Op 17 februari 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gesommeerd om tot betaling van het verschuldigde over te gaan. Op 30 maart 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis aan klager betekend met gelijktijdig bevel om aan de inhoud te voldoen. Op 2 augustus 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder klager gesommeerd om tot betaling van het verschuldigde over te gaan. Bij brief van 20 augustus 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager medegedeeld dat er beslag zal worden gelegd als betaling uitblijft. Op 30 augustus 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder een specificatie van de vordering aan klager doen toekomen. Nadien hebben klager en de gerechtsdeurwaarder veelvuldig met elkaar over de vordering gecorrespondeerd.

 

4. De oorspronkelijke klacht

 

Klager beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarder hem geen informatie heeft verstuurd, maar hem heeft geïntimideerd door een beslaglegging aan te kondigen in aanwezigheid van de hoofdinspecteur van politie, dat hij hem telefonisch onheus heeft bejegend, dat de door hem verstrekte gegevens vaag en onnavolgbaar zijn en dat hij na het vonnis nieuwe kosten heeft opgevoerd.

 

5. De beslissing van de voorzitter

 

5.1 De voorzitter heeft op de klacht overwogen dat uit de overgelegde producties kan worden opgemaakt dat de gerechtsdeurwaarder klager heeft geïnformeerd over het ten laste van hem gewezen vonnis. Nu klager niet vrijwillig tot betaling van het verschuldigde is overgegaan, kan hij het de gerechtsdeurwaarder niet verwijten dat tot betekening van het vonnis is overgegaan.

 

5.2 De voorzitter heeft verdere overwogen dat een aankondiging van een beslagpoging intimiderend mag overkomen, maar dat dit op zichzelf geen laakbaar handelen impliceert. In het onderhavige geval was de gerechtsdeurwaarder op grond  van het tegen klager gewezen vonnis gerechtigd tot het treffen van beslagmaatregelen en de aankondiging daarvan. Met de vermelding dat dit in aanwezigheid van de hoofdinspecteur van politie zal geschieden, heeft de gerechtsdeurwaarder klager alleen maar volledig geïnformeerd over wat hem te wachten zou kunnen staan, indien hij niet tot betaling zou overgaan.

 

5.3 De voorzitter heeft voorts overwogen dat de gerechtsdeurwaarder het gestelde met betrekking tot de onheuse bejegening uitdrukkelijk heeft ontkend. De gerechtsdeurwaarder heeft gesteld dat er met klager geen enkel telefonisch contact is geweest; klager stuurde brieven van de deurwaarder terug met handgeschreven aantekeningen erop. Uit de computeruitdraai die door de gerechtsdeurwaarder is overgelegd waarin de handelingen in dit dossier zijn vermeld, kan worden afgeleid dat er geen telefonisch contact met klager heeft plaatsgevonden. Nu klager met dit onderdeel van de klacht heeft volstaan met algemeenheden en niet heeft onderbouwd waaruit de onbeschofte wijze van te woord staan heeft bestaan, kan klachtwaardig handelen op dit punt ook om die reden niet  worden vastgesteld.

 

5.4 De voorzitter heeft als laatste overwogen dat het enkele feit dat de door de gerechtsdeurwaarder verstrekte gegevens vaag en onnavolgbaar zijn, onvoldoende is om tuchtrechtelijk laakbaar handelen vast te kunnen stellen. Overigens geven de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde stukken er blijk van dat de gegevens helemaal niet vaag en onnavolgbaar zijn. Daar komt dan nog bij dat uit niets blijkt dat klager opheldering heeft gevraagd aan de gerechtsdeurwaarder.

 

5.5 Als laatste heeft de voorzitter overwogen dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verweer heeft uitgelegd dat de zogenaamde nakosten in rekening zijn gebracht omdat klager niet aan het vonnis voldeed. Daarom is klager ook nakosten en kosten van betekening verschuldigd geworden. Voor zover klager van mening is dat voor deze kosten geen aanleiding is, dient hij zich hiermee volgens de voorzitter tot de executierechter te wenden. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is in verband hiermee geen sprake.

 

6. De gronden van het verzet

 

Klager heeft in verzet aangevoerd het niet eens te zijn met de beslissing van de voorzitter. De beschikking is volgens klager eenzijdig en onvolledig en de gerechtsdeurwaarder wordt op storende wijze door de  voorzitter bevoordeeld. De voorzitter presenteert veronderstellingen als feiten ten voordele van beklaagde. In het verweer staan pertinente onjuistheden, zoals het verwijt dat klager niet wil betalen. Het gaat hier om een bedrag van € 136,37 welk bedrag klager om illegale redenen in rekening is gebracht. Klager handhaaft zijn klacht onverkort.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

 

7.1 De beschikking van de voorzitter kan op een punt niet in stand blijven en dient op dat punt te worden vernietigd. Het betreft hier het volgende. 

 

7.2 Klager klaagt er in de inleidende  klacht onder meer over dat er de gerechtsdeurwaarder op zeker moment een nieuwe kostenpost heeft opgevoerd.

 

7.3  In zijn verweer heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat in vele uitspraken van lagere rechters bij een kostenveroordeling een zin wordt toegevoegd die luidt: “onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw”. In verband met deze (onduidelijke) formulering heerste in de gerechtsdeurwaarderspraktijk een verschil van mening over de uitleg van deze zin. In verband daarmee heeft de KBvG op 5 september 2012 aan al haar leden als formeel standpunt meegedeeld dat er geen btw (meer) mag worden gevorderd over het (na)salaris. In verband hiermee heeft de gerechtsdeurwaarder de btw componenten over het (na)salaris uit het dossier van klager verwijderd. De bedragen ter zake van salaris gemachtigde is teruggeboekt van € 71,40 naar € 60,00 en het bedrag aan nakosten is teruggeboekt van € 35,70 naar € 30,00, aldus de gerechtsdeurwaarder.

 

7.4 De Kamer stelt vast dat in het vonnis dat de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager ten uitvoer heeft gelegd, de hierboven vermelde zin niet voorkomt. Er kon dus geen onduidelijkheid bestaan over de vraag of er al dan niet BTW over het (na)salaris mocht worden berekend. Op dit onderdeel van de klacht heeft klager een punt en is zijn klacht terecht voorgesteld.

 

7.5 Gelet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder dit zelf heeft vastgesteld en de bedragen heeft tegengeboekt, kan de Kamer met de constatering dat de klacht op dit onderdeel terecht is voorgesteld volstaan. Er is geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel over te gaan.

 

7.6 Ten aanzien van al het overige dat door klager in verzet is aangevoerd, kan het verzet niet slagen. Naar het oordeel van de Kamer heeft de voorzitter terecht en op goede gronden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder jegens klager niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Klager heeft het verzet op geen enkele wijze nader onderbouwd. Gezien het uitvoerig gemotiveerde en met stukken onderbouwde verweer van de gerechtsdeurwaarder is er geen aanleiding anders te oordelen dat de voorzitter heeft gedaan. Hetgeen door klager verder in verzet is aangevoerd,werpt naar het oordeel van de Kamer dan ook geen nieuw licht op de overige klachten waarover de voorzitter heeft beslist. De Kamer zal het verzet voor al het overige daarom ongegrond verklaren.

 

8. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet gegrond voor wat betreft de klacht betreft omtrent het in rekening brengen van BTW over het (na)salaris;

-       vernietigt de beschikking van de voorzitter op dat onderdeel;

-       verklaart de klacht op dat onderdeel gegrond;

-       laat het opleggen van een maatregel achterwege;

-       verklaart het verzet op alle overige onderdelen ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. E.R.S.M. Marres, voorzitter, mr. M. Nijenhuis en M. Colijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2014 in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

Voor het deel van de beslissing waarbij het verzet en de klacht gegrond is verklaard, kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

 

Tegen deze beslissing waarbij het verzet ongegrond is verklaard staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens