Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TGDKG:2014:125
Datum uitspraak:
29-07-2014
Datum publicatie:
29-08-2014
Zaaknummer(s):
GDWverzet151.2014
Onderwerp:
Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
 Beslissing op verzet. De Kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens. Het verzet wordt ongegrond verklaard.

 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

 

Beslissing van 29 juli 2014 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beschikking van 11 februari 2014 met zaaknummer 743.2014 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer 151.2014 ingesteld door:

 

[     ],

wonende te [     ],

klager,

 

tegen:

 

[     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde.

 

1. Ontstaan en verloop van de procedure

-           Bij brief met bijlagen, ingekomen op 5 september 2013, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

-           Bij verweerschrift, ingekomen op 25 oktober 2013, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

-          Bij beslissing van 11 februari 2014 heeft de voorzitter de klacht als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 27 februari 2014.

-           Bij brief, ingekomen op 11 maart 2014, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

-           Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 juni 2014 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

-           De uitspraak is bepaald op 29 juli 2014.

 

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

 

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

 

Klager is eigenaar van een woning aan de [     ] te [     ]. Op dat adres staat mevrouw [     ] ingeschreven. De gerechtsdeurwaarder heeft op 15 augustus 2013 in aanwezigheid van een hulpofficier van justitie en een slotenmaker voornoemde woning te [     ] betreden en beslag gelegd op de daar aanwezige inboedel.

 

4. De oorspronkelijke klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder de woning te hebben betreden zonder zijn toestemming. Klager is eigenaar van de woning en heeft geen enkel bericht van de gerechtsdeurwaarder ontvangen, noch een gerechtelijk bevel van de rechtbank op grond waarvan de woning kon worden betreden. Klager is van mening dat inbreuk is gemaakt op zijn privacy. De goederen die in de woning staan behoren hem in eigendom toe. De mevrouw waarom het gaat staat ingeschreven op zijn adres maar dat is antikraak. De voordeur is vernield en klager heeft daardoor schade geleden.

 

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft op de klacht overwogen dat bij het leggen van een beslag een gerechtsdeurwaarder uitvoering geeft aan een hem bij wet voorgeschreven taak. Op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet is een gerechtsdeurwaarder te allen tijde verplicht de ambtshandelingen waartoe hij bevoegd is, te verrichten wanneer hierom wordt verzocht. In dit geval heeft de gerechtsdeurwaarder beslag op roerende zaken aangekondigd en zich begeven naar de woning waar de beslagdebiteur stond ingeschreven. Omdat niemand aanwezig was heeft de gerechtsdeurwaarder zich ex artikel 444 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in aanwezigheid van een hulpofficier van justitie de toegang tot de woning verschaft. Op grond van voormeld artikel heeft de gerechts-deurwaarder ter inbeslagneming toegang tot elke plaats. Dat het slot is geforceerd is niet tuchtrechtelijk laakbaar. Dat daar kosten aan verbonden zijn is inherent aan het betreden van de woning. De kosten zijn voor rekening van de schuldenaar. Dat klager eigenaar is van de woning doet hieraan niet af. De gerechtsdeurwaarder stelt terecht dat hij niet is verplicht onderzoek te doen naar de eigendom van een woning om een mogelijke verhuurder in kennis te stellen van een beslag. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

 

5.2 De voorzitter heeft voorts overwogen dat wanneer een gerechtsdeurwaarder beslag legt op zaken waarop een derde eigendom pretendeert, het aan die derde is om zich tegen het beslag te verzetten. Het moment waarop beslag wordt gelegd leent zich immers niet voor een uitgebreid onderzoek naar de eigendomsverhoudingen van in beslaggenomen zaken.

 

5.3 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als zijnde kennelijk ongegrond afgewezen.

 

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat uit de beschikking niet kan worden opgemaakt dat de voorzitter enig onderzoek in de onderhavige zaak heeft gedaan, omdat hij gewoon een standaardverhaal uit een leerboek over het beslag op papier heeft gezet en het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder in iets andere bewoording heeft overgenomen. Dit geeft naar de mening van klager geen blijk van een objectieve en onafhankelijk kijk op de gang van zaken. Daarnaast heeft klager aangevoerd dat de door de gerechtsdeurwaarder gestuurde brieven van 6 en 11 september 2013 hem niet eerder hebben bereikt dan bij de ontvangst van het verweerschrift.

 

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Het door klager ingestelde verzet slaagt niet. De gerechtsdeurwaarder is namelijk niet gehouden om onderzoek te doen naar de eigendom van de woning teneinde een mogelijke verhuurder in kennis te stellen van het voornemen om ten laste van zijn huurster beslag roerende zaken te gaan leggen. Zou de gerechtsdeurwaarder klager, als verhuurder, wel van dit voornemen in kennis stellen dan zou hij in strijd handelen met artikel 5 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders te weten de aan hem opgelegde geheimhoudingsplicht. Naar het oordeel van de Kamer heeft de voorzitter terecht en op juiste gronden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder jegens klager niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De door klager in verzet aangevoerde gronden werpen naar het oordeel van de Kamer geen nieuw licht op de zaak waarover de voorzitter heeft beslist. De Kamer zal het verzet met aanvulling van de gronden ongegrond verklaren.

 

7.2 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

 

BESLISSING:

 

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

 

-       verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. E.R.S.M. Marres, voorzitter, en mr. M.S.F. Voskens en M. Colijn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2014, in tegenwoordigheid van de secretaris.

 

 

 

 

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4, van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens