ECLI:NL:TAHVD:2025:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 240175
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:48 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-02-2025 |
Datum publicatie: | 21-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 240175 |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Bekrachtiging beslissing raad. Klager verwijt verweerder dat hij niet tegen klager mocht optreden, omdat verweerder ook direct of indirect voor hem heeft opgetreden. Ook verwijt hij verweerder gebrek aan onafhankelijkheid, (financiële) belangenverstrengeling en het niet spreken van de waarheid. Ongegrond. |
Beslissing van 10 februari 2025
in de zaak 240175
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Klager stelt dat verweerder niet tegen hem had mogen optreden, omdat verweerder ook voor hem heeft opgetreden, hetzij persoonlijk, hetzij indirect omdat hij mede-eigenaar is van een cliënte van verweerder. Ook verwijt hij verweerder gebrek aan onafhankelijkheid, (financiële) belangenverstrengeling en het niet spreken van de waarheid. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. De klacht ligt in volle omvang voor bij het hof.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in
de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 23-913/A/A) een beslissing gewezen
op 6 mei 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a), b), d) en e) ongegrond
verklaard en is klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:87 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 3 juni 2024 ontvangen
door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift;
- aanvullende producties met een toelichting van klager, ontvangen op 5 december
2024.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
16 december 2024. Daar is verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht
aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het
hof. Klager is – hoewel deugdelijk opgeroepen – niet op tijd verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder verricht sinds eind 2000 als advocaat en belastingadviseur werkzaamheden voor D B.V. (hierna: D). Ook treedt verweerder op voor de aandeelhouder en bestuurder van D, JH B.V. (hierna: JH) en voor de aandeelhouder en bestuurder van JH (de UBO), de heer V (hierna: V). Deze cliënten worden hierna gezamenlijk genoemd: D c.s.
3.3 Klager heeft een geschil met D c.s. over de vraag of hij medegerechtigde is in D. Klager stelt dat hij 50% eigenaar is van D en dat hierover destijds door hem een mondelinge afspraak met V is gemaakt. D c.s. betwisten dit.
3.4 Op 1 mei 1999 heeft D een Amsterdams relaxbedrijf (hierna: Y) gekocht.
3.5 Bij brief van 15 september 2006 heeft een kandidaat-notaris, tevens kantoorgenoot
van verweerder, een brief aan klager gestuurd met daarin, voor zover relevant:
“Hierbij opnieuw ter beoordeling het concept van uw testament, opgesteld op verzoek
van [verweerder]. (…)”
3.6 Op 15 december 2011 is Y verkocht aan een derde partij.
3.7 Op 27 juli 2021 heeft klager een verzoekschrift bij de rechtbank Amsterdam ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. D c.s. zijn in de procedure als verweerders aangemerkt. Verweerder is als getuige in het verzoekschrift genoemd en heeft namens D c.s. verweer gevoerd en op 19 oktober 2021 een verweerschrift opgesteld.
3.8 In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 28 oktober 2021
staat dat verweerder ter zitting heeft verklaard, voor zover relevant:
"(…)[V] kan mij niet betalen. Hij heeft niets meer. Ik kan wel een dure procedure
beginnen tegen [K], maar hiermee bereik ik niets zolang het beslag er nog ligt. Vandaar
dat [V] nu geen dure procedures gaat voeren. Wij helpen hem nu omdat je dat nu eenmaal
doet voor iemand die aan de grond zit. (…)"
"(…)[D] is niet in 2001 mijn cliënt geweest. Eind 2003 ben ik als Belastingadviseur
aangesteld, niet als advocaat.(…)"
3.9 Bij beschikking van de rechtbank van 9 december 2021 is het verzoek van klager afgewezen wegens misbruik van recht.
3.10 Klager is in beroep gegaan tegen de beschikking van de rechtbank. In hoger
beroep heeft verweerder wederom namens D c.s. verweer gevoerd. In het verweerschrift
van 5 juli 2022 staat, voor zover relevant:
"(…) Het enige dat [D c.s]. niet zal ontkennen, is dat [klager], toen hij zag dat
[V] geen verkeerde zaak met de koop had gedaan, van oordeel was dat hij daarvoor best
wat extra mocht krijgen. Hij maakte zich ook zorgen over de financiële toekomst van
zijn dochter voor wie hij graag iets wilde regelen. In een gesprek met [verweerder]
is toen de testamentgedachte opgekomen. Naar ondergetekende zich meent te herinneren,
is daarvoor zelfs een concept zonder vermelding van een bedrag opgesteld. [V] wilde
daar echter niets van weten en het concept is daardoor een concept gebleven. (…)"
"(…)Overigens is in het verweerschrift van [D], zoals terecht is opgemerkt in het
beroepschrift, een onjuistheid als gevolg van een onjuiste voorlichting door, dan
wel als gevolg van miscommunicatie met degene die belast is met de administratie bij
[kantoor van verweerder] geslopen. Als gevolg daarvan is ook op de mondelinge behandeling
bij de zitting ten onrechte door hem verklaard dat [D] pas in 2003 cliënt van hem
is geworden.(…)"
3.11 Op 31 januari 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.
3.12 Verweerder heeft op 22 februari 2023 en op 7 maart 2023 klachten tegen de
advocaat van klager ingediend bij de deken. Deze klachten zien onder andere op het
poneren van onwaarheden door die advocaat. In de klacht staat, voor zover relevant:
“[Verweerder] is inderdaad voor het eerst in december 2000 betrokken geraakt bij [D].,
zij het voor totaal iets anders, en wel iets dat niets maar dan ook niets met de gestelde
advisering in die periode te maken heeft gehad, nog afgezien van het feit dat [verweerder]
toen niet eens wist wie [klager] was.(…)”
3.13 De mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de beschikking van 9 december 2021 heeft op 3 maart 2023 bij het Gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden.
3.14 Op 11 april 2023 heeft de gemachtigde van klager ook een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.
3.15 Bij beschikking van 25 april 2023 heeft het gerechtshof het verzoek van klager
tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van onder meer verweerder en V alsnog
gedeeltelijk toegewezen. Het gerechtshof heeft, voor zover relevant, overwogen:
“(3.6) Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat [klager] met het verzoek van zijn
bevoegdheid tot het bezigen van het voorlopig getuigenverzoek misbruik maakt. Evenmin
zijn door [D c.s] voldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen
dat vanwege onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen [klager] in redelijkheid
niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten Ten slotte is het hof
van oordeel dat het onderhavige verzoek niet strijdig is met de goede procesorde.
(…)
”(3.7) [Klager] heeft recht en belang bij het voorlopig horen van [V], [verweerder],
(…) en hemzelf. De vermeende afspraak zou mondeling zijn gemaakt tussen [klager] en
[V], waarmee het belang is gegeven (…).”
3.16 Verweerder is hierna in de procedure als getuige gehoord en is tevens opgetreden als advocaat van een andere getuige, te weten V.
3.17 Bij arrest van 18 maart 2024 heeft het gerechtshof V in een strafzaak schuldig bevonden aan witwassen. Het gerechtshof heeft V schuldig bevonden aan het meewerken aan een schijnconstructie waarmee een ander buiten het zicht werd gehouden, terwijl die ander in feite mede-eigenaar was van (de rechten op) Y. Van het arrest van het gerechtshof is cassatie ingesteld.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:
a) tegen hem op te treden, terwijl verweerder klager eerder als advocaat heeft bijgestaan;
b) niet onafhankelijk te handelen door op te treden als advocaat van D c.s. in de
verzoekschriftprocedure die door klager is gestart, terwijl verweerder in die procedure
zelf als getuige is opgeroepen;
c) niet onafhankelijk en in strijd met de regels van financiële integriteit te handelen,
doordat zijn financiële belangen zijn verstrengeld met die van zijn cliënten;
d) niet de waarheid te spreken over het moment waarop hij betrokken raakte bij D
en daarover te blijven liegen;
e) niet de waarheid te spreken over de wijze waarop hij wordt betaald door D. Verweerder
heeft verklaard dat hij D gratis bijstaat, terwijl dit niet waar is.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel a)
5.1 De raad heeft overwogen dat klager verweerder verwijt in strijd met gedragsregel
15 te hebben gehandeld door voor D c.s. tegen klager op te treden, terwijl hij klager
eerder heeft bijgestaan. Ten bewijze wijst klager op de ontvangen brief rond zijn
testament. In gedragsregel 15 staat dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden
tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot, tenzij is voldaan aan
de in Regel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c (niet dezelfde zaak,
geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren). De eerste vraag is of er
een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder heeft bestaan. Hoe lang klager
en verweerder elkaar al dan niet zouden kennen, doet daarbij niet ter zake. Wel van
belang is het onderliggende geschil tussen klager en D c.s. en de beslissing van het
gerechtshof, waarin is geoordeeld dat klager (inderdaad) mede-eigenaar van D was.
Dat recent vastgestelde mede-eigenaarschap brengt naar het oordeel van de raad niet
alsnog een eerdere advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder met zich mee.
Verweerder verkondigde in deze procedure het standpunt van zijn cliënten D c.s. dat
juist géén sprake was van mede-eigenaarschap van klager. Dat verweerder desondanks
wist of moet hebben geweten, dat klager wel degelijk (naar nu is vastgesteld) mede-eigenaar
van D was, en dat klager dan dus (indirect) ook de cliënt van verweerder was of kon
zijn, is daarmee niet in lijn. Uit de brief van 25 september 2006 blijkt weliswaar
dat verweerder opdracht aan de kandidaat-notaris heeft gegeven tot het opmaken van
een testament voor klager, maar ook hieruit volgt geen advocaat-cliënt relatie tussen
klager en verweerder. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat zijn kantoor een samenwerkingsverband
met een notariskantoor heeft en dat hij klager heeft doorverwezen. Voor zover de enkele
opdracht of verwijzing van verweerder al tot (het begin van) een advocaat-cliënt relatie
heeft geleid, heeft de raad geoordeeld dat wordt voldaan aan de in gedragsregel 15
lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden. Het maken van een testament voor klager ziet
immers op een geheel andere kwestie dan het geschil tussen klager en D en ook de overige
in lid 3 genoemde voorwaarden (het delen van vertrouwelijke informatie en het bestaan
van redelijke bezwaren) zijn niet aan de orde.
Klachtonderdeel b)
5.2 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd handelt met de kernwaarde onafhankelijkheid
zoals neergelegd in gedragsregel 2, omdat hij namens D c.s. als advocaat optreedt
en verweer voert in een procedure, waarin hij zelf als getuige wordt genoemd. Ook
verwijt klager verweerder handelen in strijd met gedragsregel 22, omdat hij rondom
het getuigenverhoor contact heeft opgenomen met andere getuigen en hen ongeoorloofd
heeft beïnvloed. Verweerder heeft onbetwist ter zitting aangevoerd dat hij in de kwestie
rondom het getuigenverhoor contact heeft opgenomen met en advies heeft ingewonnen
bij de deken. Deze zag in zijn vertegenwoordiging van D c.s. geen bezwaar. Daarnaast
heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij de rechter-commissaris had voorgesteld
om hem als eerste getuige te doen horen, om op die manier mogelijke beïnvloeding van
de overige getuigen te voorkomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de raad dat
verweerder zich voldoende bewust was van de mogelijke gevoeligheid van de situatie
en dat hij alles zo zorgvuldig mogelijk heeft proberen aan te pakken. Dat verweerder
desondanks toch getuigen zou hebben beïnvloed, of zich op enige andere wijze niet
onafhankelijk heeft opgesteld, heeft de raad niet kunnen vaststellen.
Klachtonderdeel c)
5.3 Klager verwijt verweerder in dit klachtonderdeel niet onafhankelijk op te
treden en in strijd met gedragsregel 2, als ook met de regels van financiële integriteit
zoals neergelegd in gedragsregel 19 en artikel 5.1 van de Voda, te handelen. Verweerder
heeft via zijn persoonlijke holding alle aandelen in een door de echtgenote van V
opgerichte vennootschap verkregen voor een bedrag van € 2,-. HR heeft vervolgens op
basis van een geldleningsovereenkomst een vordering op de cliënten van verweerder
verkregen. Ter zekerheid van terugbetaling van deze geldlening zijn ten laste van
V en zijn echtgenote zekerheidsrechten gevestigd. Het in de Advocatenwet voorziene
recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar
slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks
in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke
procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. De raad stelt
vast dat verweerder advocaat van D c.s. is en dat hij in die hoedanigheid (kennelijk)
financiële constructies met zijn cliënt is aangegaan. Of en op welke wijze deze constructies
al dan niet toelaatbaar zijn en of dit de onafhankelijkheid van verweerder als advocaat
van zijn cliënt heeft aangetast, is echter allereerst een kwestie tussen verweerder
en zijn cliënt, D c.s. of hooguit de deken en verweerder. Klager staat daarbuiten.
Klachtonderdelen d) en e)
5.4 In deze klachtonderdelen verwijt klager verweerder niet de waarheid te spreken.
Verweerder heeft volgens klager in strijd met gedragsregel 8 informatie verstrekt
waarvan hij weet dat die onjuist is. De raad overweegt dat er in de procedure tussen
klager en verweerder veel is gediscussieerd over het moment waarop verweerder betrokken
zou zijn geraakt bij D. Alhoewel verweerder hierover (klaarblijkelijk) in eerste instantie
bij de rechtbank onjuiste informatie heeft verstrekt, heeft hij dit hierna in de hoger
beroepsprocedure, als ook in de onderhavige tuchtprocedure, gecorrigeerd naar het
door klager gestelde moment, te weten december 2000. Naar het oordeel van de raad
is niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie over het moment van zijn
betrokkenheid heeft verstrekt. Mede gelet ook op het tijdsverloop in de onderhavige
kwestie acht de raad een vergissing in deze voorstelbaar. Daarbij komt dat verweerder
zijn vergissing in een later stadium heeft gecorrigeerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen door verweerder is gelet op het voorgaande geen sprake. Verder stelt de raad
op grond van het proces-verbaal van de zitting vast dat verweerder ter zitting van
28 oktober 2021 heeft verklaard dat “zijn cliënt V hem niet kan betalen en dat V daarom
nu geen dure procedures gaat voeren”. Of dit feitelijke onjuiste informatie is, kan
de raad op grond van de inhoud van het klachtdossier niet vaststellen.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd.
6.2 Klachtonderdeel a): De raad gaat eraan voorbij dat verweerder met klager ook gesproken heeft over het testament van V. In dat testament zou klagers dochter voor klagers mede-eigendom van 50% worden benoemd. Er is ook een concept testament opgesteld. Verweerder heeft hierin, maar ook eind 2000 al, een adviserende rol gehad. Klager verwijst naar jurisprudentie van het hof, waarin formeel geen advocaat-cliënt relatie heeft bestaan, maar de contacten zodanig zijn geweest dat dit met een advocaat-cliënt relatie gelijk te stellen is. De advocaat moet duidelijkheid scheppen en het bij voorkeur schriftelijk vastleggen. Dat het mede-eigenaarschap ‘pas’ op 18 maart 2024 bekrachtigd is door het gerechtshof, doet niets af aan het feit dat verweerder hiervan al vanaf eind 2000 op de hoogte is geweest. Hieruit volgt dan ook de advocaat-clientrelatie. Zowel voor klager in privé als via D was verweerder als advocaat/adviseur vanaf 2000 betrokken. Beslissend is wat klager uit de verklaringen en gedragingen van verweerder redelijkerwijs mocht afleiden. De raad is ook voorbij gegaan aan het gesprek dat klager in juli 2019 op het kantoor van verweerder heeft gevoerd. Klager verwijst naar specifieke passages in het transcript van dat gesprek en voert aan dat daaruit blijkt dat verweerder op de hoogte was van klagers medegerechtigdheid. Verder is verweerder met een getuige gaan corresponderen, nadat die getuige zijn verklaring had afgelegd.
6.3 Klachtonderdeel b): in de klachtzaak van verweerder tegen de advocaat van klager heeft de deken in zijn visie aangegeven dat verweerder niet met voldoende distantie naar de zaak kan kijken. Verweerder heeft bij het bevragen van zijn cliënt V als getuige niet voldoende afstand gehouden. Zijn vragen gingen over de rol van verweerder. Een door verweerder in contra-enquête opgeroepen getuige heeft tevoren met verweerder contact gehad en een uittreksel KvK van verweerder ontvangen.
6.4 Klachtonderdeel c): klager heeft wel een klachtrecht, omdat er wel een advocaat-cliënt relatie bestond. Daarnaast heeft D een klachtrecht en klager dus als medegerechtigde in D eveneens. Verweerder is niet onafhankelijk in de procedures tussen klager en V vanwege de vergaande financiële constructies die verweerder met zijn cliënten is aangegaan. Verweerder heeft zich een en ander – ook volgens de deken Den Haag – te veel persoonlijk aangetrokken. De verstrekte zekerheid heeft betrekking op nog niet betaalde declaraties. Door zich in de positie van schuldeiser te plaatsen wordt de kernwaarde onafhankelijkheid aangetast.
6.5 Klachtonderdelen d) en e): verweerder heeft bewust onjuiste informatie verstrekt over het moment van zijn betrokkenheid en is pas gaan corrigeren toen klager het tijdstip onderbouwd met facturen kon aantonen. Klager verwijst ook naar een afgelegde getuigenverklaring. De raad is ook ten onrechte voorbij gegaan aan de verklaring van verweerder dat hij D ‘gratis’ bijstaat. Verweerder staat V niet gratis bij, hij heeft hypothecaire zekerheid.
Verweer
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant
is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf
die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten
geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een
grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die
hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden
beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.
Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b)
geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c)
bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij
niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat
de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal
dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid
daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.
De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn
cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel
dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden
van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot
enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij
toebrengen.
Overwegingen hof
7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om
tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof
voegt hieraan nog het volgende toe. Anders dan klager stelt en waarvan de raad ten
aanzien van klachtonderdeel a) is uitgegaan, is in rechte – in ieder geval civielrechtelijk
– niet vastgesteld dat klager mede-eigenaar is van D. Alleen de strafrechter heeft
zich in die zin uitgelaten in een procedure tegen V, waarin klager geen partij was
en tegen welke beslissing nog cassatieberoep loopt. Of en in hoeverre klager ook civielrechtelijk
jegens D c.s. aanspraak kan maken op (eigendoms-)rechten, is daarmee (nog) niet vastgesteld.
Ten aanzien van klachtonderdeel e) geldt naar het oordeel van het hof verder hetzelfde
als de raad terecht met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft overwogen. Of verweerder
al dan niet voor zijn werkzaamheden door D c.s. wordt betaald, is evenals klachtonderdeel
c) een kwestie waar klager buiten staat. Klachtonderdeel e) is ongegrond, voor zover
klager met betrekking tot dit klachtonderdeel al ontvankelijk is.
7.3 Voor het overige sluit het hof zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 6 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 23-913/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 februari 2025.