ECLI:NL:TAHVD:2025:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 240175

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2025:48
Datum uitspraak: 10-02-2025
Datum publicatie: 21-03-2025
Zaaknummer(s): 240175
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Bekrachtiging beslissing raad. Klager verwijt verweerder dat hij niet tegen klager mocht optreden, omdat verweerder ook direct of indirect voor hem heeft opgetreden. Ook verwijt hij verweerder gebrek aan onafhankelijkheid, (financiële) belangenverstrengeling en het niet spreken van de waarheid. Ongegrond.


Beslissing van 10 februari 2025
in de zaak 240175

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager

tegen:


verweerder

1 INLEIDING

1.1 Klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Klager stelt dat verweerder niet tegen hem had mogen optreden, omdat verweerder ook voor hem heeft opgetreden, hetzij persoonlijk, hetzij indirect omdat hij mede-eigenaar is van een cliënte van verweerder. Ook verwijt hij verweerder gebrek aan onafhankelijkheid, (financiële) belangenverstrengeling en het niet spreken van de waarheid. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. De klacht ligt in volle omvang voor bij het hof.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.


2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 23-913/A/A) een beslissing gewezen op 6 mei 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a), b), d) en e) ongegrond verklaard en is klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:87 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 3 juni 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift;
- aanvullende producties met een toelichting van klager, ontvangen op 5 december 2024.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 december 2024. Daar is verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Klager is – hoewel deugdelijk opgeroepen – niet op tijd verschenen.


3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Verweerder verricht sinds eind 2000 als advocaat en belastingadviseur werkzaamheden voor D B.V. (hierna: D). Ook treedt verweerder op voor de aandeelhouder en bestuurder van D, JH B.V. (hierna: JH) en voor de aandeelhouder en bestuurder van JH (de UBO), de heer V (hierna: V). Deze cliënten worden hierna gezamenlijk genoemd: D c.s.

3.3 Klager heeft een geschil met D c.s. over de vraag of hij medegerechtigde is in D. Klager stelt dat hij 50% eigenaar is van D en dat hierover destijds door hem een mondelinge afspraak met V is gemaakt. D c.s. betwisten dit.

3.4 Op 1 mei 1999 heeft D een Amsterdams relaxbedrijf (hierna: Y) gekocht.

3.5 Bij brief van 15 september 2006 heeft een kandidaat-notaris, tevens kantoorgenoot van verweerder, een brief aan klager gestuurd met daarin, voor zover relevant:
“Hierbij opnieuw ter beoordeling het concept van uw testament, opgesteld op verzoek van [verweerder]. (…)”

3.6 Op 15 december 2011 is Y verkocht aan een derde partij.

3.7 Op 27 juli 2021 heeft klager een verzoekschrift bij de rechtbank Amsterdam ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. D c.s. zijn in de procedure als verweerders aangemerkt. Verweerder is als getuige in het verzoekschrift genoemd en heeft namens D c.s. verweer gevoerd en op 19 oktober 2021 een verweerschrift opgesteld.

3.8 In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 28 oktober 2021 staat dat verweerder ter zitting heeft verklaard, voor zover relevant:
"(…)[V] kan mij niet betalen. Hij heeft niets meer. Ik kan wel een dure procedure beginnen tegen [K], maar hiermee bereik ik niets zolang het beslag er nog ligt. Vandaar dat [V] nu geen dure procedures gaat voeren. Wij helpen hem nu omdat je dat nu eenmaal doet voor iemand die aan de grond zit. (…)"
"(…)[D] is niet in 2001 mijn cliënt geweest. Eind 2003 ben ik als Belastingadviseur aangesteld, niet als advocaat.(…)"

3.9 Bij beschikking van de rechtbank van 9 december 2021 is het verzoek van klager afgewezen wegens misbruik van recht.

3.10 Klager is in beroep gegaan tegen de beschikking van de rechtbank. In hoger beroep heeft verweerder wederom namens D c.s. verweer gevoerd. In het verweerschrift van 5 juli 2022 staat, voor zover relevant:
"(…) Het enige dat [D c.s]. niet zal ontkennen, is dat [klager], toen hij zag dat [V] geen verkeerde zaak met de koop had gedaan, van oordeel was dat hij daarvoor best wat extra mocht krijgen. Hij maakte zich ook zorgen over de financiële toekomst van zijn dochter voor wie hij graag iets wilde regelen. In een gesprek met [verweerder] is toen de testamentgedachte opgekomen. Naar ondergetekende zich meent te herinneren, is daarvoor zelfs een concept zonder vermelding van een bedrag opgesteld. [V] wilde daar echter niets van weten en het concept is daardoor een concept gebleven. (…)"
"(…)Overigens is in het verweerschrift van [D], zoals terecht is opgemerkt in het beroepschrift, een onjuistheid als gevolg van een onjuiste voorlichting door, dan wel als gevolg van miscommunicatie met degene die belast is met de administratie bij [kantoor van verweerder] geslopen. Als gevolg daarvan is ook op de mondelinge behandeling bij de zitting ten onrechte door hem verklaard dat [D] pas in 2003 cliënt van hem is geworden.(…)"

3.11 Op 31 januari 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

3.12 Verweerder heeft op 22 februari 2023 en op 7 maart 2023 klachten tegen de advocaat van klager ingediend bij de deken. Deze klachten zien onder andere op het poneren van onwaarheden door die advocaat. In de klacht staat, voor zover relevant:
“[Verweerder] is inderdaad voor het eerst in december 2000 betrokken geraakt bij [D]., zij het voor totaal iets anders, en wel iets dat niets maar dan ook niets met de gestelde advisering in die periode te maken heeft gehad, nog afgezien van het feit dat [verweerder] toen niet eens wist wie [klager] was.(…)”

3.13 De mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de beschikking van 9 december 2021 heeft op 3 maart 2023 bij het Gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden.

3.14 Op 11 april 2023 heeft de gemachtigde van klager ook een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

3.15 Bij beschikking van 25 april 2023 heeft het gerechtshof het verzoek van klager tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van onder meer verweerder en V alsnog gedeeltelijk toegewezen. Het gerechtshof heeft, voor zover relevant, overwogen:
“(3.6) Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat [klager] met het verzoek van zijn bevoegdheid tot het bezigen van het voorlopig getuigenverzoek misbruik maakt. Evenmin zijn door [D c.s] voldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat vanwege onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen [klager] in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten Ten slotte is het hof van oordeel dat het onderhavige verzoek niet strijdig is met de goede procesorde. (…)
”(3.7) [Klager] heeft recht en belang bij het voorlopig horen van [V], [verweerder], (…) en hemzelf. De vermeende afspraak zou mondeling zijn gemaakt tussen [klager] en [V], waarmee het belang is gegeven (…).”

3.16 Verweerder is hierna in de procedure als getuige gehoord en is tevens opgetreden als advocaat van een andere getuige, te weten V.

3.17 Bij arrest van 18 maart 2024 heeft het gerechtshof V in een strafzaak schuldig bevonden aan witwassen. Het gerechtshof heeft V schuldig bevonden aan het meewerken aan een schijnconstructie waarmee een ander buiten het zicht werd gehouden, terwijl die ander in feite mede-eigenaar was van (de rechten op) Y. Van het arrest van het gerechtshof is cassatie ingesteld.

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:

a) tegen hem op te treden, terwijl verweerder klager eerder als advocaat heeft bijgestaan;
b) niet onafhankelijk te handelen door op te treden als advocaat van D c.s. in de verzoekschriftprocedure die door klager is gestart, terwijl verweerder in die procedure zelf als getuige is opgeroepen;
c) niet onafhankelijk en in strijd met de regels van financiële integriteit te handelen, doordat zijn financiële belangen zijn verstrengeld met die van zijn cliënten;
d) niet de waarheid te spreken over het moment waarop hij betrokken raakte bij D en daarover te blijven liegen;
e) niet de waarheid te spreken over de wijze waarop hij wordt betaald door D. Verweerder heeft verklaard dat hij D gratis bijstaat, terwijl dit niet waar is.


5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a)
5.1 De raad heeft overwogen dat klager verweerder verwijt in strijd met gedragsregel 15 te hebben gehandeld door voor D c.s. tegen klager op te treden, terwijl hij klager eerder heeft bijgestaan. Ten bewijze wijst klager op de ontvangen brief rond zijn testament. In gedragsregel 15 staat dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot, tenzij is voldaan aan de in Regel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren). De eerste vraag is of er een advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder heeft bestaan. Hoe lang klager en verweerder elkaar al dan niet zouden kennen, doet daarbij niet ter zake. Wel van belang is het onderliggende geschil tussen klager en D c.s. en de beslissing van het gerechtshof, waarin is geoordeeld dat klager (inderdaad) mede-eigenaar van D was. Dat recent vastgestelde mede-eigenaarschap brengt naar het oordeel van de raad niet alsnog een eerdere advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder met zich mee. Verweerder verkondigde in deze procedure het standpunt van zijn cliënten D c.s. dat juist géén sprake was van mede-eigenaarschap van klager. Dat verweerder desondanks wist of moet hebben geweten, dat klager wel degelijk (naar nu is vastgesteld) mede-eigenaar van D was, en dat klager dan dus (indirect) ook de cliënt van verweerder was of kon zijn, is daarmee niet in lijn. Uit de brief van 25 september 2006 blijkt weliswaar dat verweerder opdracht aan de kandidaat-notaris heeft gegeven tot het opmaken van een testament voor klager, maar ook hieruit volgt geen advocaat-cliënt relatie tussen klager en verweerder. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat zijn kantoor een samenwerkingsverband met een notariskantoor heeft en dat hij klager heeft doorverwezen. Voor zover de enkele opdracht of verwijzing van verweerder al tot (het begin van) een advocaat-cliënt relatie heeft geleid, heeft de raad geoordeeld dat wordt voldaan aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden. Het maken van een testament voor klager ziet immers op een geheel andere kwestie dan het geschil tussen klager en D en ook de overige in lid 3 genoemde voorwaarden (het delen van vertrouwelijke informatie en het bestaan van redelijke bezwaren) zijn niet aan de orde.

Klachtonderdeel b)
5.2 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd handelt met de kernwaarde onafhankelijkheid zoals neergelegd in gedragsregel 2, omdat hij namens D c.s. als advocaat optreedt en verweer voert in een procedure, waarin hij zelf als getuige wordt genoemd. Ook verwijt klager verweerder handelen in strijd met gedragsregel 22, omdat hij rondom het getuigenverhoor contact heeft opgenomen met andere getuigen en hen ongeoorloofd heeft beïnvloed. Verweerder heeft onbetwist ter zitting aangevoerd dat hij in de kwestie rondom het getuigenverhoor contact heeft opgenomen met en advies heeft ingewonnen bij de deken. Deze zag in zijn vertegenwoordiging van D c.s. geen bezwaar. Daarnaast heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij de rechter-commissaris had voorgesteld om hem als eerste getuige te doen horen, om op die manier mogelijke beïnvloeding van de overige getuigen te voorkomen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de raad dat verweerder zich voldoende bewust was van de mogelijke gevoeligheid van de situatie en dat hij alles zo zorgvuldig mogelijk heeft proberen aan te pakken. Dat verweerder desondanks toch getuigen zou hebben beïnvloed, of zich op enige andere wijze niet onafhankelijk heeft opgesteld, heeft de raad niet kunnen vaststellen.

Klachtonderdeel c)
5.3 Klager verwijt verweerder in dit klachtonderdeel niet onafhankelijk op te treden en in strijd met gedragsregel 2, als ook met de regels van financiële integriteit zoals neergelegd in gedragsregel 19 en artikel 5.1 van de Voda, te handelen. Verweerder heeft via zijn persoonlijke holding alle aandelen in een door de echtgenote van V opgerichte vennootschap verkregen voor een bedrag van € 2,-. HR heeft vervolgens op basis van een geldleningsovereenkomst een vordering op de cliënten van verweerder verkregen. Ter zekerheid van terugbetaling van deze geldlening zijn ten laste van V en zijn echtgenote zekerheidsrechten gevestigd. Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken. De raad stelt vast dat verweerder advocaat van D c.s. is en dat hij in die hoedanigheid (kennelijk) financiële constructies met zijn cliënt is aangegaan. Of en op welke wijze deze constructies al dan niet toelaatbaar zijn en of dit de onafhankelijkheid van verweerder als advocaat van zijn cliënt heeft aangetast, is echter allereerst een kwestie tussen verweerder en zijn cliënt, D c.s. of hooguit de deken en verweerder. Klager staat daarbuiten.

Klachtonderdelen d) en e)
5.4 In deze klachtonderdelen verwijt klager verweerder niet de waarheid te spreken. Verweerder heeft volgens klager in strijd met gedragsregel 8 informatie verstrekt waarvan hij weet dat die onjuist is. De raad overweegt dat er in de procedure tussen klager en verweerder veel is gediscussieerd over het moment waarop verweerder betrokken zou zijn geraakt bij D. Alhoewel verweerder hierover (klaarblijkelijk) in eerste instantie bij de rechtbank onjuiste informatie heeft verstrekt, heeft hij dit hierna in de hoger beroepsprocedure, als ook in de onderhavige tuchtprocedure, gecorrigeerd naar het door klager gestelde moment, te weten december 2000. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie over het moment van zijn betrokkenheid heeft verstrekt. Mede gelet ook op het tijdsverloop in de onderhavige kwestie acht de raad een vergissing in deze voorstelbaar. Daarbij komt dat verweerder zijn vergissing in een later stadium heeft gecorrigeerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is gelet op het voorgaande geen sprake. Verder stelt de raad op grond van het proces-verbaal van de zitting vast dat verweerder ter zitting van 28 oktober 2021 heeft verklaard dat “zijn cliënt V hem niet kan betalen en dat V daarom nu geen dure procedures gaat voeren”. Of dit feitelijke onjuiste informatie is, kan de raad op grond van de inhoud van het klachtdossier niet vaststellen.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd.

6.2 Klachtonderdeel a): De raad gaat eraan voorbij dat verweerder met klager ook gesproken heeft over het testament van V. In dat testament zou klagers dochter voor klagers mede-eigendom van 50% worden benoemd. Er is ook een concept testament opgesteld. Verweerder heeft hierin, maar ook eind 2000 al, een adviserende rol gehad. Klager verwijst naar jurisprudentie van het hof, waarin formeel geen advocaat-cliënt relatie heeft bestaan, maar de contacten zodanig zijn geweest dat dit met een advocaat-cliënt relatie gelijk te stellen is. De advocaat moet duidelijkheid scheppen en het bij voorkeur schriftelijk vastleggen. Dat het mede-eigenaarschap ‘pas’ op 18 maart 2024 bekrachtigd is door het gerechtshof, doet niets af aan het feit dat verweerder hiervan al vanaf eind 2000 op de hoogte is geweest. Hieruit volgt dan ook de advocaat-clientrelatie. Zowel voor klager in privé als via D was verweerder als advocaat/adviseur vanaf 2000 betrokken. Beslissend is wat klager uit de verklaringen en gedragingen van verweerder redelijkerwijs mocht afleiden. De raad is ook voorbij gegaan aan het gesprek dat klager in juli 2019 op het kantoor van verweerder heeft gevoerd. Klager verwijst naar specifieke passages in het transcript van dat gesprek en voert aan dat daaruit blijkt dat verweerder op de hoogte was van klagers medegerechtigdheid. Verder is verweerder met een getuige gaan corresponderen, nadat die getuige zijn verklaring had afgelegd.

6.3 Klachtonderdeel b): in de klachtzaak van verweerder tegen de advocaat van klager heeft de deken in zijn visie aangegeven dat verweerder niet met voldoende distantie naar de zaak kan kijken. Verweerder heeft bij het bevragen van zijn cliënt V als getuige niet voldoende afstand gehouden. Zijn vragen gingen over de rol van verweerder. Een door verweerder in contra-enquête opgeroepen getuige heeft tevoren met verweerder contact gehad en een uittreksel KvK van verweerder ontvangen.

6.4 Klachtonderdeel c): klager heeft wel een klachtrecht, omdat er wel een advocaat-cliënt relatie bestond. Daarnaast heeft D een klachtrecht en klager dus als medegerechtigde in D eveneens. Verweerder is niet onafhankelijk in de procedures tussen klager en V vanwege de vergaande financiële constructies die verweerder met zijn cliënten is aangegaan. Verweerder heeft zich een en ander – ook volgens de deken Den Haag – te veel persoonlijk aangetrokken. De verstrekte zekerheid heeft betrekking op nog niet betaalde declaraties. Door zich in de positie van schuldeiser te plaatsen wordt de kernwaarde onafhankelijkheid aangetast.

6.5 Klachtonderdelen d) en e): verweerder heeft bewust onjuiste informatie verstrekt over het moment van zijn betrokkenheid en is pas gaan corrigeren toen klager het tijdstip onderbouwd met facturen kon aantonen. Klager verwijst ook naar een afgelegde getuigenverklaring. De raad is ook ten onrechte voorbij gegaan aan de verklaring van verweerder dat hij D ‘gratis’ bijstaat. Verweerder staat V niet gratis bij, hij heeft hypothecaire zekerheid.

Verweer
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7 BEOORDELING HOF

Maatstaf
7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof
7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. Anders dan klager stelt en waarvan de raad ten aanzien van klachtonderdeel a) is uitgegaan, is in rechte – in ieder geval civielrechtelijk – niet vastgesteld dat klager mede-eigenaar is van D. Alleen de strafrechter heeft zich in die zin uitgelaten in een procedure tegen V, waarin klager geen partij was en tegen welke beslissing nog cassatieberoep loopt. Of en in hoeverre klager ook civielrechtelijk jegens D c.s. aanspraak kan maken op (eigendoms-)rechten, is daarmee (nog) niet vastgesteld. Ten aanzien van klachtonderdeel e) geldt naar het oordeel van het hof verder hetzelfde als de raad terecht met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft overwogen. Of verweerder al dan niet voor zijn werkzaamheden door D c.s. wordt betaald, is evenals klachtonderdeel c) een kwestie waar klager buiten staat. Klachtonderdeel e) is ongegrond, voor zover klager met betrekking tot dit klachtonderdeel al ontvankelijk is.

7.3 Voor het overige sluit het hof zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.


8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 6 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 23-913/A/A.


Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.


griffier voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 februari 2025.