ECLI:NL:TAHVD:2025:46 Hof van Discipline 's Gravenhage 240180
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:46 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-02-2025 |
Datum publicatie: | 21-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 240180 |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de advocaat van de wederpartij misleiding door aan klaagster opzettelijk onjuiste mededelingen te doen over een cessie van vorderingen, die (nog) niet definitief was. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder - met de stelling in zijn brief dat de curator alle vorderingen had overgedragen - aan klaagster feitelijke informatie heeft verstrekt, waarvan hij wist dat die niet juist was. Waarschuwing. |
Beslissing van 10 februari 2025
in de zaak 240180
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: [naam]
tegen:
verweerder
gemachtigde: mr. G.N. Paanakker
1 INLEIDING
1.1 Klaagster verwijt de advocaat van de wederpartij misleiding door aan klaagster opzettelijk onjuiste mededelingen te doen over een cessie van vorderingen, die (nog) niet definitief was. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof komt tot een ander oordeel.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummers: 23-853/AL/NN en 23-854/AL/NN) een beslissing gewezen op 13 mei 2024. In deze beslissing zijn de klachten van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:129 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 11 juni 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
16 december 2024. Daar zijn de gemachtigde van klaagster en verweerder met zijn gemachtigde
verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2 A heeft zich tegenover klaagster contractueel verplicht tot de bouw van acht woningen in [plaats]. B is bestuurder en enig aandeelhouder van A. Verweerder is advocaat van B.
3.3 Op 23 mei 2022 hebben A en B een akte ondertekend met het opschrift ‘Stille cessie’. In die akte staat dat A vorderingen heeft vanwege twee bouwprojecten, waaronder een project in [plaats] en dat A die vorderingen wil overdragen aan B. In de akte staat dat A aan B cedeert ‘alle vorderingen die zij (in)direct op de Schuldenaren heeft verkregen’. In de akte worden de schuldenaren van dat project omschreven als de kopers van de woningen met huisnummers 1 t/m 14 en 26 t/m 35. Op 25 mei 2022 is de akte geregistreerd bij de belastingdienst.
3.4 Op 1 maart 2023 is aan klaagster mededeling gedaan van de cessie van 23 mei 2022 en ook dat klaagster niet meer bevrijdend kan betalen aan A.
3.5 Op 4 april 2023 is A failliet gegaan.
3.6 In een brief van 20 april 2023 heeft verweerder namens B aan klaagster laten
weten dat A haar vorderingen op klaagster aan B heeft gecedeerd. Verweerder heeft
klaagster namens B gesommeerd om binnen vijf dagen een bedrag van € 365.852,06 te
betalen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen werden aangekondigd. Voor dit bedrag
had A klaagster facturen gestuurd op 11 oktober 2022 en 29 maart 2023. In de brief
van verweerder staat:
“[B] heeft op 23 mei 2022 alle vorderingen van [A] op [klaagster] gekocht en overgedragen
gekregen. Voor de volledigheid – voor zover één of meerdere vorderingen niet zijn
overgedragen door deze cessie – heeft de curator eveneens alle vorderingen van A op
klaagster overgedragen.”
3.7 Bij de brief heeft verweerder de tussen de curator en B op 18 april 2023 ondertekende
cessie-akte gevoegd, die verweerder voor klaagster deels onleesbaar heeft gemaakt.
Onder meer de volgende passage was onleesbaar gemaakt:
“De levering van de debiteuren en de vorderingen terzake de procedures geschiedt door
middel van een afzonderlijke verklaring van de Curator, die zal worden verstrekt na
ontvangst van de volledige koopprijs van de activa en na bewijs dat voldaan is aan
het bepaalde over de lossing in artikel 1.3. hiervoor. Van deze cessie en mededeling
zal door de Curator op het eerste schriftelijke verzoek van Koper mededeling worden
gedaan aan de debiteuren.”
3.8 Op 20 april 2023 heeft de curator aan klaagster bevestigd dat nog geen levering had plaatsgevonden van de vorderingen van A.
3.9 Op 1 mei 2023 heeft de curator aan klaagster bevestigd dat alle vorderingen van A op klaagster zijn overgedragen aan B en dat niet meer bevrijdend aan A kan worden betaald.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
in zaak 23-853/AL/NN
in de tussen de curator en B op 18 april 2023 ondertekende cessie-akte (bijlage
bij de brief van 20 april 2023) de clausule onleesbaar te maken waarin staat dat de
curator de vorderingen van A op klaagster nog niet aan B heeft geleverd. Klaagster
stelt dat verweerder haar heeft misleid door belangrijke informatie te verbergen en
opzettelijk de onjuiste mededeling te doen dat de curator van A alle vorderingen van
zijn cliënte B heeft overgedragen.
in zaak 23-854/AL/NN
(…)
5 OMVANG HOGER BEROEP
Nu klaagster alleen in hoger beroep is gekomen van de eerste door de raad behandelde
klacht, is de tweede klacht in hoger beroep niet meer aan de orde.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft overwogen dat de brief van verweerder van 20 april 2023 namens B aan klaagster in die zin onjuist is, dat daarin staat dat de curator vorderingen van A aan B heeft gecedeerd, terwijl de levering van de vorderingen voorwaardelijk was en aan de voorwaarden nog niet was voldaan. Verweerder wist dat. Verweerder vindt, achteraf bezien, dat hij klaagster beter had kunnen melden dat na de cessie van 25 mei 2022 nog een cessie met de curator was overeengekomen, waarbij de levering van de vorderingen eerdaags zou plaatsvinden. Dat betekent nog niet dat verweerder feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan hij wist dat die onjuist is, zoals bedoeld in gedragsregel 8.
6.2 In de brief verwoordt verweerder de (juridische) stellingname van B dat de vorderingen van A op klaagster aan B zijn gecedeerd. Uit de in de brief opgenomen toevoeging ‘voor de volledigheid’ is voldoende duidelijk dat dit volgens B ofwel in mei 2022 is gebeurd ofwel nadien als gevolg van een met de curator in april 2023 overeengekomen cessie. B vindt dit nog steeds. Klaagster neemt het standpunt in dat de vorderingen op klaagster niet reeds op 23 mei 2022 zijn overgedragen, omdat de vordering van B (ook) op andere huisnummers ziet dan de in de cessie-akte van 23 mei 2022 genoemde en omdat die akte niet ziet op toekomstige vorderingen, terwijl de vordering van B dateert van ná 23 mei 2022. De raad beoordeelt niet of A een vordering op klaagster heeft en ook niet of A dan wel de curator die vordering rechtsgeldig aan B heeft gecedeerd, omdat de tuchtrechter niet tot taak heeft om de rechtsverhouding tussen klaagster en B civielrechtelijk te beoordelen. De raad toetst het gedrag van verweerder aan de tuchtrechtelijke maatstaf, die geldt voor het optreden van de advocaat van de wederpartij.
6.3 Verweerder heeft aangegeven dat hij tegenover klaagster (alleen maar) duidelijk heeft willen zijn. Dat heeft niet het beoogde effect gehad en juist tot onduidelijkheid geleid. Dat verweerder klaagster heeft willen misleiden en/of benadelen, is de raad niet gebleken. Verweerder heeft toegelicht dat de voorwaarden van de met de curator overeengekomen cessie inhielden dat B de koopprijs voor de vordering betaalde en dat B een schuld van A bij een bank moest aflossen, voorwaarden die in de beschikkingsmacht van B liggen, en dat hij van B had vernomen dat B aan die voorwaarden zou voldoen. Advocaten – en dus ook verweerder – mogen ervan uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen, juist is. Verweerder heeft verklaard dat hij daarom de betreffende passage in de cessie-akte onleesbaar heeft gemaakt. Overigens is niet in geschil, dat B nadien heeft voldaan aan de voorwaarden van de met de curator overeengekomen cessie.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
7.1 Klaagster heeft in hoger beroep aangevoerd dat de raad er met eigen samenvattingen een andere zaak van heeft gemaakt en vervolgens op onjuiste gronden een onjuiste beslissing heeft genomen. Toen verweerder de brief schreef, waren de vorderingen verpand aan de bank en was zijn cliënte dus geen rechthebbende. De passage dat de levering voorwaardelijk was en de voorwaarden nog vervuld moesten worden, was zwart gelakt. Verweerder stelde zonder voorbehoud dat de vorderingen waren overgedragen en drong aan op betaling, onder dreiging van beslag, terwijl zijn cliënte op dat moment geen recht had op betaling. Verweerder wist dat en heeft dus in strijd gehandeld met de gedragsregel dat hij geen informatie mag verstrekken, terwijl hij weet dat die informatie onjuist is.
7.2 Ten onrechte heeft de raad overwogen dat verweerder uit mocht gaan van de informatie van zijn cliënte dat zij aan de voorwaarden zou voldoen. Dat zou dan betekenen dat de advocaat vervolgens de vrijheid heeft om het bestaan van voorwaarden te verzwijgen en alvast betaling af te dwingen op grond van een nog niet verkregen titel. Verweerder was bovendien zelf in het bezit van alle stukken. Ook lag de levering niet geheel in de macht van verweerders cliënte, omdat die na vervulling van de voorwaarden nog door de curator moest plaatsvinden. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat verweerder geen grenzen heeft overschreden.
Verweer
7.3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Overwegingen hof
8.2 Vast staat dat de curator de vorderingen van A nog niet daadwerkelijk had overgedragen en dat verweerder wist dat de levering nog moest plaatsvinden. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder - met de stelling in zijn brief dat de curator alle vorderingen had overgedragen - aan klaagster feitelijke informatie heeft verstrekt, waarvan hij wist dat die niet juist was. Of en in hoeverre de vorderingen van A op klaagster mogelijk (geheel of gedeeltelijk) bij de eerdere cessie al aan B waren overgedragen, maakt daarbij niet uit, nu het hier ging om de overdracht door de curator. Ook het feit dat verweerder op zichzelf af mocht gaan op de informatie van zijn cliënte dat zij aan de voorwaarden voor de levering van de vorderingen kon en zou voldoen, maakt de verstrekte informatie niet minder onjuist, evenmin als het gegeven dat de vorderingen 10 dagen later daadwerkelijk zijn overgedragen. De beroepsgronden van klaagster slagen en hoeven geen verdere bespreking. De klacht is gegrond.
9 MAATREGEL
9.1 Hoewel het hof er oog voor heeft dat verweerder niet de bedoeling heeft gehad om klaagster te misleiden en dat klaagster van de onjuiste mededeling geen (financieel) nadeel heeft ondervonden, is dat voor het hof geen reden om het opleggen van een maatregel achterwege te laten. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij nauwkeurig en duidelijk is in zijn uitlatingen naar derden en dat daarin geen feitelijke onjuistheden voorkomen, waarvan hij de onwaarheid kent. Het hof zal daarom de maatregel van waarschuwing opleggen.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof het eerste klachtonderdeel alsnog gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
10.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure
bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
10.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 vernietigt de beslissing van 13 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder de nummers 23-853/AL/NN en 23-854/AL/NN, voor zover daarin de klacht onder nummer 23-853/AL/NN ongegrond verklaard is;
en doet opnieuw recht:
11.2 verklaart de klacht onder nummer 23-853/AL/NN gegrond;
11.3 legt verweerder de maatregel van waarschuwing op;
11.4 bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige;
11.5 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
11.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
11.7 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 februari 2025.