ECLI:NL:TAHVD:2025:44 Hof van Discipline 's Gravenhage 240179
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:44 |
---|---|
Datum uitspraak: | 03-02-2025 |
Datum publicatie: | 21-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 240179 |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen eigen advocaat. Het hof is het – voor zover het bij het hof voorligt – eens met de beslissing van de raad dat de bijstand van verweerder niet ondermaats is geweest, al had verweerder naar het oordeel van het hof wel beter met klager kunnen communiceren over zijn plan van aanpak en risicoanalyse dan hij heeft gedaan. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. |
Beslissing van 3 februari 2025
in de zaak 240179
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klacht tegen eigen advocaat. Het hof is het – voor zover het bij het hof voorligt – eens met de beslissing van de raad dat de bijstand van verweerder niet ondermaats is geweest, al had verweerder naar het oordeel van het hof wel beter met klager kunnen communiceren over zijn plan van aanpak en risicoanalyse dan hij heeft gedaan. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 23-746/AL/GLD) een beslissing gewezen op 13 mei 2024. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:126 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 11 juni 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 9 december 2024. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht.
3.2 Naar aanleiding van een (telefonisch) kennismakingsgesprek op 19 april 2023, is er vanaf april 2023 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen klager en verweerder. Klager heeft - kort gezegd - aan verweerder de opdracht verstrekt tot het maken van een herberekening van kinderalimentatie en advisering daaromtrent. De kinderalimentatie heeft betrekking op het kind van klager dat hij heeft met een ex-partner van klager. Klager is inmiddels (sinds enige tijd) getrouwd in gemeenschap van goederen met mevrouw E, hierna: de echtgenote van klager.
3.3 In een e-mail van 19 april 2023 heeft verweerder het volgende aan klager en echtgenote van klager geschreven:
De kosten van een procedure bij de rechtbank bestaan uit griffierecht (€ 314) en honorarium ad € 145 exclusief 21% btw (Laagste Advocaten Tarief via NAB) , te vermeerderen met 8% kantoorkosten exclusief 21% btw. Het voorschot bedraagt € 1.080 exclusief 21% btw + griffierecht ad € 314. Zoals medegedeeld dienen jullie rekening te houden met honorarium + kantoorkosten van tussen de € 1.800 en € 2.500 inclusief BTW Als jullie van mijn diensten gebruik willen maken ontvangen jullie per e-mail een overeenkomst van opdracht ter ondertekening, alsmede de voorschotnota. Zodra de overeenkomst ondertekend retour is ontvangen, alsmede de nota is voldaan, zet ik mijn werkzaamheden voor jullie voort.
3.4 Verweerder heeft berekeningen gemaakt op grond van door klager aangeleverde informatie/stukken. Klager en verweerder hebben elkaar in april 2023 meermaals telefonisch gesproken en contact gehad per e-mail.
3.5 Klager heeft een nota van verweerder ontvangen waarin 5,2 uren in rekening zijn gebracht.
3.6 Op 1 mei 2023 heeft klager per e-mail een klacht tegen verweerder ingediend bij het kantoor van verweerder.
3.7 In een brief van 26 mei 2023 heeft de klachtenfunctionaris haar bevindingen over de klacht puntsgewijs aan klager kenbaar gemaakt. Deze brief luidt onder andere als volgt:
“Ik nam kennis van uw klacht over [verweerder], naar aanleiding waarvan ik u als volgt
bericht. Begrijp ik het goed dan is uw klacht drieërlei, namelijk:
- De wijze van behandeling van de zaak en het advies;
- De uren die […] heeft gedeclareerd;
- De wijze waarop u door [verweerder] in een telefoongesprek van 28 april bent behandeld.
In het hiernavolgende zal ik op een en ander ingaan. [verweerder] herkent zich niet
in hetgeen u ter zake stelt. [verweerder] constateerde gaandeweg de werkzaamheden
dat hij met u als cliënt over de kwestie wil praten, echter uw partner wilde steeds
het woord voeren. Het gevolg daarvan was dat uw partner haar mening gaf hoe een en
ander naar haar mening diende te verlopen en een houding aannam alsof zij cliënte
was in plaats van u, zo stelt [verweerder]. [Verweerder] heeft daarbij aangegeven
het niet prettig te vinden als iemand bij voortduring op de achtergrond loopt te ‘roeptoeteren’.
Voor het overige betwist [verweerder] de uitlatingen te hebben gedaan op de wijze
die u stelt en/of u verwijten te hebben gemaakt. (…) [verweerder] heeft op basis van
diverse uitgangspunten berekeningen gemaakt. Voor zoveel daarbij ‘fouten’ zijn gemaakt
zijn die door [verweerder] hersteld en heeft u – voordat een en ander zou worden besproken
(in de week van de 8e mei) - het contact verbroken en uw klacht ingediend. Voorts
heeft [verweerder] u geadviseerd geen verzoek tot wijziging van kinderalimentatie
in te dienen. Ook in dat verband heeft [verweerder] voldaan aan de door u gegeven
opdracht. [Verweerder] heeft tot op heden enkel een voorschotnota gestuurd. Indien
u hiervoor openstaat dan ben ik bereid met u en [verweerder] in gesprek te gaan en
te zoeken naar een oplossing.”
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, voor zover van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) […]
b) zich onvoldoende, althans onjuist, te informeren;
c) […]
5 Omvang hoger beroep
Het hoger beroep van klager is beperkt tot klachtonderdeel b). De overige klachtonderdelen zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. Aan die beslissing heeft de raad het navolgende ten grondslag gelegd.
Klager stelt dat verweerder hem onvoldoende, althans onjuist heeft geïnformeerd. Klager is in het bijzonder van mening dat verweerder foute en onvolledige alimentatieberekeningen heeft gemaakt. De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat de inhoudelijke bijstand door verweerder ondermaats is geweest. Uit het klachtdossier kan worden vastgesteld dat verweerder op grond van de door klager aangeleverde gegevens verschillende alimentatieberekeningen heeft gemaakt. Voor zover daarbij fouten zijn gemaakt, dan zijn die door verweerder hersteld. Bij de verzending van de laatste berekening heeft verweerder aan klager gemeld dat ze die korte tijd later, op 8 mei 2023, zouden bespreken. Tot die bespreking is het niet gekomen omdat klager op 1 mei 2023 een klacht heeft ingediend. Gelet op die gang van zaken kan de omstandigheid dat deze berekening niet is besproken en een advies niet schriftelijk is vastgelegd, verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Op grond hiervan heeft de raad dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
Klachtonderdeel b)
7.1 Klager voert het navolgende aan. De raad heeft miskend dat de klacht van klager is dat verweerder ten onrechte alimentatieberekeningen heeft gemaakt en daarvoor kosten in rekening heeft gebracht. Verweerder wist immers ten tijde van het maken van de berekeningen – op basis van het door klager reeds overgelegde ouderschapsplan – al dat een gang naar de rechter geen zin had. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om klager (voor)tijdig schriftelijk te adviseren geen tijd en geld meer in de zaak te steken en dus ook geen berekeningen te maken. Door dat niet te doen heeft verweerder gedragsregel 16 geschonden.
Verweer verweerder
7.2 Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat hij reeds voor het maken van de berekeningen wist dat hij klager negatief zou adviseren over een gang naar de rechter. Het maken van de berekeningen was noodzakelijk om tot dat advies te kunnen komen. Dat dit advies niet schriftelijk is vastgelegd, heeft er mee te maken dat klager voortijdig een klacht over verweerder heeft ingediend. Verweerder heeft gedragsregel 16 dan ook niet geschonden.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
8.3 Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel b)
8.4 Het hof acht op grond van hetgeen verweerder daarover naar voren heeft gebracht aannemelijk dat het maken van alimentatieberekeningen door verweerder noodzakelijk was om tot zijn advies aan klager te komen om geen wijzigingsprocedure ter zake van de kinderalimentatie bij de rechtbank aanhangig te maken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
8.5 Niet in geschil is dat het ouderschapsplan van klager geen berekening bevatte die aan de destijds overeengekomen kinderalimentatie ten grondslag heeft gelegen. Voorts is niet in geschil dat het ouderschapsplan ook anderszins geen enkel aanknopingspunt bevatte (zoals bijvoorbeeld het inkomen van klager van destijds) op grond waarvan de overeengekomen kinderalimentatie voor verweerder herleidbaar was. Het maken van de alimentatieberekeningen was dan ook nodig om inzicht te krijgen in de financiële situatie van klager en om klager aan de hand van de uitkomsten van die berekeningen van onderbouwd advies te kunnen dienen. Daar komt bij dat de zaak van klager volgens verweerder nog een andere onzekere component bevatte, namelijk de in het ouderschapsplan opgenomen afspraak dat klager naast de kinderalimentatie ook alle verblijfsoverstijgende kosten voor de dochter van klager en zijn ex-echtgenote zou voldoen. Voor verweerder was ongewis hoe de rechter die laatste afspraak in het kader van een wijzigingsprocedure zou beoordelen. Op grond hiervan was het maken van alimentatieberekeningen, die immers nog nooit waren gemaakt en waar de hoogte van de alimentatie ook niet op was gebaseerd, noodzakelijk om tot een gedegen advies te kunnen komen.
8.6 Verweerder had duidelijker kunnen communiceren richting klager (en zijn echtgenote) over zijn plan van aanpak. Verweerder had er naar het oordeel van het hof goed aan gedaan om klager – wiens verzoek erop was gericht ‘om gelijk over te gaan tot een verzoekschrift aan de rechtbank’ – tijdig duidelijk te maken dat verweerder dat niet zou doen, omdat de zaak van klager twee, op dat moment nog, onzekere componenten bevatte – zoals hiervoor in rechtsoverweging 8.5 weergegeven – die eerst nog nader, door het maken van alimentatieberekeningen, moesten worden onderzocht alvorens verweerder aan klager een goede inschatting van de slagingskans van het voeren van een wijzigingsprocedure kon geven. Verweerder stelt weliswaar dat hij een en ander telefonisch heeft besproken met klager, maar het had naar het oordeel van het hof op de weg van verweerder gelegen om zijn plan van aanpak en risicoanalyse schriftelijk aan klager te bevestigen. Het hof is echter van oordeel dat dit nalaten door verweerder van onvoldoende gewicht is om hem daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
8.7 Het hof ziet voor het overige op basis van de beroepsgrond en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel b) te komen dan de raad, nu klager geen nieuwe argumenten heeft aangedragen die hiertoe zouden nopen, dan wel bij het hof tot nieuwe inzichten hebben geleid. Het hof sluit zich in zoverre aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Slotsom
8.8 Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 13 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder zaaknummer 23-746/AL/GLD, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, voorzitter, mrs. R. Verkijk
en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 februari 2025.