ECLI:NL:TAHVD:2025:28 Hof van Discipline 's Gravenhage 240186
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:28 |
---|---|
Datum uitspraak: | 14-02-2025 |
Datum publicatie: | 17-02-2025 |
Zaaknummer(s): | 240186 |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Verweerder heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de ex-partner van klager bijgestaan in een familiekwestie. Het hof is, met de raad, van oordeel dat verweerder onvoldoende kritisch is geweest ten aanzien van de ernstige beschuldigingen en niet nader onderbouwde stellingen van zijn cliënte over klager en dat hij zich teveel heeft vereenzelvigd met zijn cliënte, waardoor hij de belangen van klager onnodig heeft geschaad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. |
Beslissing van 14 februari 2025
in de zaak 240186
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Verweerder heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de ex-partner van klager bijgestaan in een familiekwestie. Het hof is, met de raad, van oordeel dat verweerder onvoldoende kritisch is geweest ten aanzien van de ernstige beschuldigingen en niet nader onderbouwde stellingen van zijn cliënte over klager en dat hij zich teveel heeft vereenzelvigd met zijn cliënte, waardoor hij de belangen van klager onnodig heeft geschaad. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-006/DH/RO) een beslissing gewezen op 21 mei 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a) en b) deels niet-ontvankelijk en voor het overige gegrond verklaard, de klachtonderdelen c) en d) ongegrond verklaard, klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel f) gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van twee weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:109 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 17 juni 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klager;
- de e-mail van klager van 2 december 2024, met producties.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
9 december 2024. Daar zijn klager en verweerder verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat voor zover in hoger beroep nog van belang om de volgende feiten.
3.2 Klager en zijn ex-partner zijn in 2016 uit elkaar gegaan. Zij hebben samen een minderjarige zoon.
3.3 Verweerder staat de ex-partner bij. In 2019 heeft klagers advocaat bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend met het verzoek om een omgangsregeling met de zoon vast te stellen. In zijn verweerschrift van 6 mei 2019 heeft verweerder namens de ex-partner onder meer geschreven:
“De man en de vrouw zijn op vakantie geweest in Suriname en de vrouw is toen fysiek mishandeld door de man. (…) In punt 4 van het verzoekschrift wordt gesteld dat de man gezondheidsproblemen heeft gehad. De man zou ook in een revalidatiecentrum hebben gezeten. Gezien de leugenachtige voorgeschiedenis van de man twijfelt de vrouw ook aan deze gezondheidsproblemen. Tevens kwam naar voren dat de man ook heeft gelogen over zijn vorige relatie. (…) De man volgde de vrouw en de minderjarige ongeveer vijf minuten wat de vrouw als bedreigend heeft ervaren. De vrouw heeft daarop aangifte bij de politie laten doen en een alarm in huis laten plaatsen als gevolg van de bedreiging die de man aan het gezien heeft gedaan. De vrouw heeft nog een dochter uit een andere relatie die door het geweld binnen de relatie een trauma heeft opgelopen, aldus de vrouw.”
3.4 Op 29 oktober 2019 heeft klagers advocaat in een bericht aan de rechtbank onder meer geschreven dat de ex-partner zich niet heeft gehouden aan de op 16 juli 2019 opgelegde voorlopige omgangsregeling.
3.5 Bij beschikking van 29 december 2020 is bepaald dat klager en zijn ex-partner het ouderlijk gezag over de zoon gezamenlijk uitoefenen. Ook is in deze beschikking de zorgregeling opgenomen waarover partijen overeenstemming hadden bereikt.
3.6 Op 2 juni 2022 heeft verweerder in een e-mail aan klager onder meer geschreven:
“Cliënte [naam] heeft in overleg met en op instigatie van het CJG en de Raad voor de Kinderbescherming besloten om in het belang van [zoon] de omgang te verminderen naar 1x in de 2 weken op zaterdag van 10.00 uur tot 20.00 uur. Uit alles blijkt dat u niet de vaderrol kan vertolken met als belangrijk kernpunt een rustige omgeving voor de minderjarige. [Zoon] laat dit blijken en de experts geven gehoor aan de signalen van [zoon]. Cliënte verzoekt mij u te laten weten dat bovenvermelde omgang zaterdag 11/6/22 ingaat. Ik neem aan dat u ook het beste met [zoon] voorheeft. Contact geschiedt voor het overige bij voorkeur via de advoca(a)t(en) gezien het feit dat u de strijdbijl inzake cliënte nog niet heeft begraven en cliënte u als dreigend ervaart.”
3.7 Op 8 juni 2022 heeft een medewerker van het CJG in een e-mail aan klager onder meer geschreven dat het CJG geen contact heeft gehad met de advocaat van moeder (dat is dus verweerder) en dat zij het betreurt dat klager een brief heeft ontvangen van de advocaat van moeder waarin het CJG wel wordt genoemd, maar niet is gehoord door de advocaat.
3.8 Verweerder heeft op 9 juni 2022 in een e-mail aan klagers advocaat onder meer geschreven:
“Uw toonzetting bevalt mij niet alsmede de overflow aan onnodige informatie (…). Mogelijk is e.e.a. te wijten aan gebrek aan inzicht. De opmerking dat “ik als advocaat… de waarheid moet verklaren” lijkt gespeend van wederom elk inzichtelijk vermogen zeker in zaken waar het minderjarigen betreft. Cliënte geloof ik nagenoeg onvoorwaardelijk. Afsluitend de opmerking van u dat “de communicatie via advocaten verhardend werkt”, is potsierlijk te noemen gezien de inhoud van uw schrijven. Overigens doet het mij wel deugd dat u de toetsencombinatie ctrl-B zo goed kunt hanteren.”
3.9 Verweerder heeft, in een verzoekschrift van 18 oktober 2022, onder meer geschreven:
“Afgelopen 2 jaar heeft het ene incident na het andere plaatsgevonden. Aangiftes bij de politie, stalking (dochter), chantage (mail, sms), trauma’s bij [zoon] en bij moeder, dreigementen. De vrouw voelt zich niet veilig. Vader werkt niet mee bij Omgangshuis, CGJ, VeiligThuis.”
3.10 Bij beschikking van 20 juni 2023 heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd.
3.11 De rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van 29 februari 2024 onder meer overwogen dat de zorgregeling niet wordt nagekomen en dat klager zijn zoon sinds oktober 2023 niet meer heeft gezien. De rechtbank heeft de ex-partner veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals die op 20 juni 2023 is vastgelegd, op straffe van een dwangsom.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:
a) ongefundeerde beschuldigingen heeft geuit over klager;
b) onjuiste stellingen in zijn verweerschrift heeft opgenomen;
c) (…);
d) (…);
e) (…);
f) niet heeft gehandeld in het belang van klager en zijn zoon.
Klager stelt dat verweerders gedrag en handelwijze onaanvaardbaar is en schadelijk voor het welzijn van klager en de zoon.
5 BEOORDELING RAAD
De raad heeft als volgt geoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
Voor zover de verwijten onder a) en b) zien op de uitlatingen van verweerder in zijn verzoekschrift van 18 oktober 2022, zijn deze ontvankelijk. De raad overweegt dat een advocaat in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie van de cliënt. Alleen in uitzonderingsgevallen is hij gehouden om de juistheid van die informatie te verifiëren.
Verweerder heeft in het een verweerschrift van 6 mei 2019 onder meer gesteld dat door de ex-partner aangifte tegen klager was gedaan. Het is de raad duidelijk dat over de juistheid van die stelling tussen partijen discussie bestond en dat door/namens klager expliciet weersproken is dat sprake was van aangiftes. Verweerder heeft in zijn verzoekschrift van 18 oktober 2022 weer gesteld dat sprake is van (onder meer) aangiftes bij de politie tegen klager, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Nu verweerder wist dat tussen partijen discussie bestond over de juistheid van deze stelling, lag het op de weg van verweerder om de juistheid van deze stellingname nader met zijn cliënte te bespreken en nader te onderbouwen, door bijvoorbeeld de aangifte(s) bij zijn cliënte en/of de politie op te vragen en bij het processtuk te voegen. Het zonder onderbouwing blijven stellen dat sprake is van een of meer aangiftes, terwijl dat is betwist, is onzorgvuldig en getuigt van onvoldoende terughoudendheid.
Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat hij van zijn cliënte heeft begrepen dat ze meermaals de politie heeft ingeschakeld, dat ze een of meer meldingen bij de politie heeft gedaan en dat hij zijn cliënt daarin geloofd heeft. De raad overweegt dat kennelijk dus geen sprake is van aangifte(s) door de ex-partner, maar alleen van meldingen/mutaties. Dat is een wezenlijk verschil en daarmee is sprake van het in een procedure stellen van feitelijk onjuiste gegevens. Verweerder had, nu zijn cliënte stelde dat er meldingen waren gedaan, dan ook niet mogen stellen dat sprake was van aangiftes. Verweerder heeft ook op deze wijze klachtwaardig gehandeld. De klachtonderdelen a) en b) zijn daarom – voor zover ontvankelijk – gegrond.
Klachtonderdelen f)
De raad weegt de zinsnede uit de e-mail van 9 juni 2022 over het nagenoeg onvoorwaardelijk geloven van de cliënte mee bij de beoordeling van klachtonderdeel f). Hoewel een advocaat partijdig is en in beginsel mag afgaan op de informatie van zijn cliënt, dient een advocaat ook onafhankelijk te zijn en een zekere professionele distantie te betrachten. Het nagenoeg onvoorwaardelijk geloven van de cliënt past hier niet bij, zeker niet in een familierechtelijke zaak waarin juist ook rekening gehouden moet worden met de belangen van minderjarigen. Op basis van het klachtdossier en verweerders mondelinge toelichting ter zitting is de raad van oordeel dat verweerder zich te veel heeft vereenzelvigd met zijn cliënte en daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de zoon en (ook) klager. Op dit punt is de klacht gegrond.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
Klachtonderdelen a) en b)
6.1 Ten onrechte heeft de raad overwogen dat verweerder – terwijl hij wist dat daarover discussie bestond - zonder enige onderbouwing heeft aangenomen dat zijn cliënte aangifte heeft gedaan tegen klager.
Toelichting
In eerste aanleg heeft de voorzitter van de raad niet toegestaan dat verweerder zijn stelling over de aangiftes die door de ex-partner jegens klager zijn gedaan, nader zou onderbouwen. In hoger beroep doet verweerder dat alsnog. Hij legt over een proces-verbaal van aangifte van de ex-partner van klager van 12 december 2020. Verweerder verwijst ook naar productie 2 bij zijn pleitnota in eerste aanleg, zijnde een print van een tweetal sms-berichten aan verweerder waarin de ex-partner aangeeft de politie te hebben benaderd.
Klachtonderdeel f)
6.2 Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerder zich te veel heeft vereenzelvigd met zijn cliënte.
Toelichting
Verweerder is uitgegaan van het feitenmateriaal dat zijn cliënte hem heeft verschaft. Verweerder heeft een grote mate van vrijheid als advocaat van de wederpartij. Verweerder wijst in dit verband op een uitspraak van dit hof, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2023:214. Verweerder is van mening dat hij de belangen van de wederpartij niet onnodig heeft geschaad.
Verweer klager
6.3 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Omvang hoger beroep
7.1 De omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen.
7.2 Het hoger beroep van verweerder is beperkt tot de klachtonderdelen a) en b), voor zover die zien op de uitlatingen van verweerder in zijn verzoekschrift van 18 oktober 2022, en f).
7.3 De overige klachtonderdelen zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.
Maatstaf
7.4 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.5 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
7.6 In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken,
zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen
escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden
verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven
als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties
als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de
ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht,
juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met
name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen
van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend
zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval
tot geval afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen
daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe,
– en de kans op succes van een procedure.
7.7 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Overwegingen hof
7.8 Het hof is net als de raad van oordeel dat klachtonderdelen a) en b), voor zover die zien op de uitlatingen van verweerder in zijn verzoekschrift van 18 oktober 2022, en f) gegrond zijn. Het hof neemt de desbetreffende overwegingen van de raad over en maakt die tot de zijne. Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van deze klachtonderdelen te komen dan de raad. Het hof sluit zich in zoverre aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof voegt daar nog het navolgende aan toe.
7.9 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder met zijn processtrategie uit het oog verloren dat hij, naast het betrachten van partijdigheid, zich ook onafhankelijk van zijn cliënte moet opstellen. Die onafhankelijkheid behelst onder meer dat een advocaat kritisch moet zijn ten aanzien van stellingen en standpunten van zijn cliënt. Verweerder had in deze zaak kritisch moeten zijn ten aanzien van de stellingen van zijn cliënte dat klager zich jegens haar schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, bedreiging en stalking en dat zijn cliënte in verband daarmee aangifte (volgens verweerder een zestal keer) bij de politie heeft gedaan. Gelet op de ernst van deze beschuldigingen en de stelligheid waarmee verweerder die stellingen naar voren heeft gebracht, maar ook het feit dat dit was betwist door de wederpartij (klager), was het naar het oordeel van het hof de verantwoordelijkheid van verweerder om daar tenminste bewijs bij te zoeken en derhalve niet ‘blind’ te vertrouwen op de in dezen door zijn cliënte gestelde feiten. Dat verweerder in deze procedure bij het hof alsnog een (enkele) aangifte heeft overgelegd, maakt niet dat het voorgaande in een ander licht komt te staan. Het hof volgt verweerder niet in zijn stelling dat de door hem gekozen - naar het oordeel van het hof zeer confronterende - communicatiestijl juist in familiezaken ervoor kan zorgen dat er een discussie tussen partijen op gang komt, waardoor zij mogelijk tot elkaar komen. Het hof acht die opvatting weinig realistisch. Verweerder miskent daarmee naar het oordeel van het hof zijn rol als advocaat in familierechtelijke geschillen, waarbij hij moet waken voor onnodige polarisatie tussen partijen. Verweerder heeft zich al met al niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt, waardoor hij onnodig de belangen van klager (en die van de minderjarige zoon van partijen) heeft geschaad.
Slotsom
7.10 Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
8 PROCESKOSTEN
8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd,
zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen
in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling
Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager/klaagster. Klager/klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn/haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster/verweerder door.
8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 21 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-006/DH/RO, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
9.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof
van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure
bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen
de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. R. Verkijk
en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 14 februari 2025.