ECLI:NL:TADRSHE:2025:46 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-051/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2025:46
Datum uitspraak: 28-03-2025
Datum publicatie: 28-03-2025
Zaaknummer(s): 25-051/DB/LI
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De voorzitter verklaart de raad kennelijk onbevoegd, voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat. De voorzitter voor het overige, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk, omdat de klacht betrekking heeft op – vermeend - handelen of nalaten van verweerder in 2012.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 28 maart 2025

in de zaak 25-051/DB/LI


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 24 januari 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8 en van het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van klager van 19 februari 2025.

1. FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerder heeft mevrouw L, zijnde de ex-echtgenote van klager, bijgestaan in (onder meer) een geschil met klager rondom de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen. Klager werd bijgestaan door mr. VdL. Bij beschikking van 26 november 2010 is de echtscheiding uitgesproken.De akte van verdeling is tot stand gekomen op 27 maart 2013.

1.2 Op 14 augustus 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

2. KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder is medeplichtig aan samenzwering jegens klager en heeft zich (mede in samenwerking met de notaris) schuldig gemaakt aan omkoping, oplichting, afpersing, machtsmisbruik, fraude en verduistering. Verweerder heeft buiten het boekje gehandeld, in het belang van zijn cliënt willens en wetens strafbare zaken gedaan en heeft niet gekeken naar het belang van de kinderen. Verweerder heeft uit eigen (financieel) belang gehandeld. Dit alles is klager pas achteraf duidelijk geworden.

3. VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4. BEOORDELING

4.1 Bevoegdheid

Klager verwijt verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer doordat hij zich heeft schuldig gemaakt aan samenzwering, machtsmisbruik en het plegen van diverse strafbare feiten, waaronder – aldus klager - omkoping, oplichting, afpersing, fraude en verduistering. Verweerder heeft dit verwijt uitdrukkelijk weersproken. De voorzitter overweegt dat klager in de klacht diverse strafrechtelijke kwalificaties heeft gegeven aan het - vermeend - optreden van verweerder. De tuchtrechter heeft echter niet de bevoegdheid om te oordelen over de vraag of al dan niet van strafrechtelijk handelen sprake is. De voorzitter zal de raad dan ook met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet kennelijk onbevoegd verklaren voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat.

4.2 Ontvankelijkheid

Klager heeft gesteld dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen heeft plaatsgevonden op 5 februari 2012. De voorzitter stelt dan ook vast dat de klacht ziet op vermeend handelen of nalaten van verweerder in 2012.

4.3 De voorzitter overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.

4.4 Klager heeft zich op 14 augustus 2024, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 14 augustus 2024 heeft kunnen klagen. Dat het klager naar eigen zeggen pas achteraf duidelijk is geworden dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, maakt dit niet anders, alleen al omdat klager dit niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts gesteld noch gebleken.

4.5 De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

  • de raad met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet kennelijk onbevoegd, voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat;
  • de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 28 maart 2025