Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TADRSHE:2018:21
Datum uitspraak:
05-03-2018
Datum publicatie:
06-03-2018
Zaaknummer(s):
17-881/DB/ZWB
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening Zorg voor de cliëntKwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Berisping
Inhoudsindicatie:
Advocaat heeft verzuimd, ondanks uitdrukkelijk opdracht daartoe, om na afronding van de echtscheidingsprocedure pensioenverevenings-formulieren aan de pensioenuitvoerders toe te sturen. Na hiermee geconfronteerd te zijn was de advocaat onvoldoende bereikbaar voor haar cliënte en heeft de advocaat de afhandeling onvoldoende voortvarend aangepakt.Klacht gegrond, berisping, kostenveroordeling.

Zeeland-West-Brabant

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch

van 5 maart 2018

in de zaak 17-881/DB/ZWB

 

 

naar aanleiding van de klacht van:

 

 

 

 

klaagster

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

verweerster

 

 

 

 

 

1         Verloop van de procedure

 

1.1     Bij brief van 1 februari 2017 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant een klacht ingediend tegen verweerster.

 

1.2     Bij brief aan de raad van26 oktober 2017,met kenmerk K17-019, door de raad ontvangen op27 oktober 2017, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant de klacht ter kennis van de raad gebracht.

 

1.3     De klacht is behandeld ter zitting van de raad van 15 januari 2018in aanwezigheid van klaagster, de gemachtigde van klaagster en verweerster. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4     De raad heeft kennis genomen van:

- de brief van de deken van 26 oktober 2017, met bijlagen;

- de brief van klaagster van 18 december 2017, met bijlagen.

 

 

2         FEITEN

 

Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

 

2.1     Verweerster heeft klaagster in de periode 2003-2004 bijgestaan in een echtscheidingsprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Klaagster en haar ex-echtgenoot hebben op 15 februari 2005 een echtscheidingsconvenant ondertekend. Hierin is onder meer bepaald dat de door de ex-echtgenoot van klaagster opgebouwde pensioenrechten zouden worden verevend conform de in de Wet Verevening Pensioenrechten opgenomen regeling. In voormeld convenant hebben partijen in artikel 5.3 aan verweerster opdracht gegeven om na de totstandkoming van de echtscheiding aan de pensioenuitvoerders mededeling te doen van de echtscheiding en van het tijdstip daarvan door middel van het daartoe voorgeschreven formulier, zulks teneinde te bewerkstelligen dat de vrouw een recht op uitbetaling zou verkrijgen jegens de pensioenuitvoerders van haar ex-echtgenoot ter grootte van de helft van het ouderdomspensioen van haar ex-echtgenoot voor zover dit vanaf datum huwelijk tot 1 juli 2002 was opgebouwd.

 

2.2     Klaagster heeft op 10 oktober 2016 na raadpleging vanwww.mijnpensioenoverzicht.nlgeconstateerd dat er geen verevening had plaatsgevonden van de pensioenen. Klaagster heeft verweerster hierover bij brief van 30 oktober 2016 geïnformeerd en haar verzocht om binnen 14 dagen tot afhandeling hiervan over te gaan. Klaagster heeft op 16 november 2016 telefonisch contact met verweerster opgenomen. Verweerster gaf in dat telefoongesprek te kennen dat zij zich moest verdiepen in de materie en op de zaak terug zou komen. Klaagster heeft op 18 en 28 november alsmede op 15, 16 en 19 december 2016 vergeefs telefonisch contact met verweerster opgenomen en een terugbelverzoek gedaan. Verweerster heeft klaagster op 19 december 2016 gebeld en bericht dat zij op 20 december 2016 meer zou weten en haar dan zou bellen, maar verweerster heeft klaagster op 20 december 2016 niet teruggebeld. Klaagster heeft verweerster bij brief van 23 december 2016 nogmaals verzocht binnen 14 dagen tot afhandeling over te gaan. Klaagster heeft verweerster op 17 en 18 januari 2017 gebeld en andermaal een terugbelverzoek gedaan. Verweerster heeft klaagster op 20 januari 2017 teruggebeld. Zij heeft tijdens dit telefoongesprek aan klaagster medegedeeld dat de pensioenvereveningsformulieren door haar inderdaad niet aan de betreffende pensioenmaatschappijen zijn toegezonden.

 

2.4     Verweerster heeft op 28 maart 2017 het pensioenvereveningsformulier ter ondertekening aan klaagster toegezonden .

 

 

 

3         KLACHT

 

3.1     De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

1.   verweerster heeft verzuimd de pensioenvereveningsformulierentijdig toe te zenden aan de pensioenfondsen;

2.   verweerster voor klaagster niet bereikbaar was en niet terugbelde;

3.   verweerster onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan een oplossing.

 

 

4         VERWEER

 

4.1     Het is juist dat verweerster geen pensioenvereveningsformulieren aan de betreffende pensioenmaatschappijen heeft toegezonden. Klaagster heeft hierdoor geen schade geleden. Het recht op verevening van het pensioen is in stand gebleven. Wel dient klaagster hiervoor in overleg te treden met haar ex-echtgenoot dan wel een procedure tegen hem aanhangig te maken.

 

4.2     Verweerster heeft het dossier uit het archief moeten halen en bestuderen. Verweerster is wegens privéomstandigheden ook nog enige tijd afwezig geweest.

 

 

5         BEOORDELING

 

Ad onderdeel 1

 

5.1     Vast staat dat klaagster en haar ex-echtgenoot in het door hen op 15 februari 2005 ondertekende convenant aan verweerster opdracht hebben gegeven om na de totstandkoming van de echtscheiding door middel van het daartoe voorgeschreven formulier aan de pensioenuitvoerders mededeling te doen van de echtscheiding en van het tijdstip daarvan, dit met het doel om te bewerkstelligen dat de vrouw een recht op uitbetaling zou verkrijgen jegens de pensioenuitvoerders van haar ex-echtgenoot ter grootte van de helft van het ouderdomspensioen van haar ex-echtgenoot voor zover dit vanaf datum huwelijk tot 1 juli 2002 was opgebouwd, welke opdracht door verweerster is aanvaard.  Voorts staat vast dat verweerster desondanks heeft nagelaten voormelde formulieren aan de pensioenuitvoerders toe te sturen. Van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht dat deze uitvoering geeft aan een aan hem of haar verstrekte opdracht. Het valt verweerster dan ook tuchtrechtelijk aan te rekenen dat zij niet is overgegaan tot uitvoering van de aan haar verstrekte opdracht. Het eerste onderdeel van de klacht is gegrond.

 

Ad onderdeel 2 en 3

 

5.2     Uit de aan de raad overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat verweerster, nadat zij door klaagster bij brief van 30 oktober 2016 met haar nalatig handelen werd geconfronteerd, klaagster gedurende lange tijd in het ongewisse heeft gelaten over de aanpak van de zaak. Klaagster heeft vele malen vergeefs telefonisch contact met (het kantoor van) verweerster opgenomen en op terugbelverzoeken is door verweerster bij herhaling niet gereageerd. Hiervan valt verweerster tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Dit geldt des te meer nu het de afhandeling van door nalatig handelen van verweerster ontstane problematiek betrof. Dat verweerster mogelijk door privéomstandigheden tijdelijk niet in staat was om werkzaamheden te verrichten en op terugbelverzoeken van klaagster te reageren, maakt dit niet anders. Van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht dat zij bij afwezigheid of ontstentenis voor adequate vervanging zorgt, op een dusdanige wijze dat haar cliënten hiervan geen nadelige gevolgen ondervinden. Vast staat dat klaagster verweerster op 30 oktober 2016 heeft geconfronteerd met haar nalatig handelen, met alle negatieve gevolgen voor klaagster van dien, en dat verweerster eind maart 2017, derhalve vijf maanden later, pas actie heeft ondernomen om de negatieve gevolgen van haar nalatig handelen voor klaagster weg te nemen dan wel te beperken. Naar het oordeel van de raad is verweerster in de communicatie met klaagster te kort geschoten en heeft zij de zaak onvoldoende voortvarend aangepakt, te meer waar verweerster door haar nalatig handelen zelf debet was aan het ontstaan van de problematiek voor klaagster. De raad zal het tweede en derde onderdeel van de klacht eveneens gegrond verklaren.

 

 

6         MAATREGEL

 

6.1     Naar het oordeel van de raad kan gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en de negatieve gevolgen hiervan voor klaagster niet worden volstaan met een lichtere dan de hierna op te leggen maatregel van berisping.

 

 

7         GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

    

7.1     Aangezien de klacht gegrond wordt verklaard, moet verweerster het door klaagster betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

 

7.2     De raad ziet daarnaast aanleiding om verweerster, gelet op artikel 48ac, eerste lid, onder a, Advocatenwet te veroordelenin de kosten die klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 50,00 aan reiskosten. De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden overgemaakt naar het daartoe tijdig door klager aan verweerster opgegeven rekeningnummer.

 

7.3     De raad ziet eveneens aanleiding om verweerster, gelet op artikel 48ac, eerste lid, onder b, Advocatenwet te veroordelen in de kosten die de Nederlandse Orde van Advocaten in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op EUR 1.000,00.De raad bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaaldaan de Nederlandse Orde van Advocaten door overmaking naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling” en het zaaknummer.

BESLISSING

 

De raad van discipline:

 

-             verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;

 

-             legt aan verweerster op de maatregel van berisping;

 

-             veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,00 aan klaagster;

 

-             veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,00 aan  klaagster, op de wijze en binnen de termijn als onder 7.2  bepaald;

 

-             veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten dien de Nederlandse Orde van Advocaten voor de behandeling van de zaak heeft moeten maken van € 1.000,00 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de wijze en binnen de termijn als boven onder 7.3 bepaald;

 

 

 

Aldus beslist door mr.P.H. Brandts,voorzitter, mrs.L.R.G.M. Spronken en S.A.R. Lely, leden, bijgestaan door mr.I.J.M. Huysmans-van Opstal,als griffier en uitgesprokenin het openbaar op 5 maart 2018.

 

 

Griffier                                                                                                 Voorzitter

 

 

 

 

 



 

mededelingen van de griffier ter informatie:

 

 

Deze beslissing is in afschrift op5 maart 2018

 

 

 

verzonden aan:

 

- verweerster

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant     

de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

de secretaris van de Nederlandse Orde van Advocaten

het College van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten

 

 

Van deze beslissing staat hoger beroep bij het Hof van Discipline open voor:

verweerster

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant     

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

 

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

 

a.               Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 85452, 2508 CD Den Haag

 

b.               Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres:

Kneuterdijk 1, 2514 EM Den Haag

 

Teneinde er zeker van te zijn dat voor de ontvangst getekend kan worden of dat pakketten die niet in een reguliere brievenbus besteld kunnen worden, afgegeven kunnen worden dient u telefonisch contact op te nemen met de griffie van het hof viatelefoonnummer088-2053777.



c.               Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is088-2053701

Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post, voorzien van een originele handtekening, te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

 

d.         Per e-mail

Het e-mailadres van het Hof van Discipline is:griffie@hofvandiscipline.nl.

 

Tegelijkertijd  met de indiening per e-mail dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post, voorzien van een originele handtekening, te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

 

Informatie ook op www.ofvandiscipline.nl

Meer informatie

Acties

Meta gegevens