ECLI:NL:TADRSGR:2026:96 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-169/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:96 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-169/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil. Niet gebleken is dat verweerder vervalste documenten heeft ingediend. Ook mocht hij vragen om beveiligingsmaatregelen tijdens een zitting. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
29 april 2026 in de zaak
26-169/DH/DHnaar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 3 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K174 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 De zoon van klager en zijn vrouw is getrouwd geweest. Uit het huwelijk zijn
twee minderjarige kinderen geboren. De zoon is in 2022 overleden.
1.2 Klager en zijn vrouw zijn in 2023 een procedure gestart tegen de moeder van
de kinderen gericht op het vaststellen van een omgangsregeling tussen klager en zijn
vrouw (de grootouders) en de kinderen.
1.3 Verweerder staat de moeder bij.
1.4 Bij vonnis in kort geding van 2 oktober 2023 van de rechtbank Rotterdam is
aan klager en zijn vrouw een locatie- en contactverbod voor de duur van zes maanden
opgelegd, waarbij het klager en zijn vrouw is verboden om zich in de gemeente H te
bevinden en waarbij het klager en zijn vrouw is verboden contact op te nemen met de
moeder en/of de kinderen. Uit het vonnis blijkt dat verweerder bij de dagvaarding
een verslag van de politie van 1 februari 2023 heeft gevoegd.
1.5 Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft de rechtbank (onder meer) het verzoek
van klager en zijn vrouw om een omgangsregeling met de kinderen vast te stellen afgewezen.
1.6 Klager en zijn vrouw hebben hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
1.7 Op 12 februari 2025 is door of namens verweerder aan het gerechtshof onder
meer geschreven:
“Graag wil ik uw aandacht vragen voor de veiligheidssituatie rondom de komende zitting
(…). Gezien eerder gerelateerd geweld en het risico dat hiervan uitgaat, evenals een
eerder opgelegd contactverbod wegens bedreigingen door de grootouders in deze zaak.
Wil ik uw gerechtshof verzoeken om extra beveiligingsmaatregelen tijdens de zitting.
Dit om de veiligheid van alle betrokkenen te waarborgen en een ordelijk verloop van
de zitting te garanderen.”
1.8 Op 25 maart 2025 heeft verweerder bij het gerechtshof een brief met bijlagen
ingediend over de authenticiteit van het politieverslag van 1 februari 2023. Verweerder
heeft in deze brief onder meer toegelicht dat zijn cliënte het politieverslag van
het crisisteam heeft ontvangen en mocht uitgaan van de authenticiteit van het document.
Verweerder schrijft in zijn brief ook dat het onbekend is hoe het crisisteam aan het
politieverslag is gekomen en dat daar vanuit de politie nog geen verklaarbare reactie
op is ontvangen.
1.9 Op 30 april 2025 heeft klagers advocaat aanvullende producties voor de zitting
ingediend. Deze producties zien onder meer op de authenticiteit van het politieverslag
van 1 februari 2023.
1.10 Bij beschikking van 25 juni 2025 heeft het gerechtshof de beschikking van
16 januari 2024 bekrachtigd.
1.11 Op 1 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in twee rechtszaken een vervalst politieverslag en een valse
aangifte als officiële producties tegen klager en zijn vrouw gebruikt.
b) Verweerder heeft in zijn verzoek voor beveiliging van zijn cliënte onterecht
zware verwijten tegen klager gebruikt die absoluut niet waar zijn.
2.2 Klager heeft toegelicht dat hij een bodemprocedure is gestart om een omgangsregeling
te verkrijgen. De wederpartij heeft met een kort geding gereageerd om de procedure
te vermijden. Aan klager is ten onrechte een contact- en locatieverbod opgelegd en
klager moest bovendien de kosten vergoeden. Verweerder heeft daarbij bewust een vals
politieverslag en een valse aangifte gebruikt, waardoor klager de zaak verloren heeft.
De privacy desk van de politie heeft in een officiële brief bevestigd dat het verslag
niet door de politie is gemaakt of vrijgegeven en dat het om valsheid in geschrift
gaat. Deze stukken zijn bij de rechtbank ingediend. Verweerder heeft daarop, nadat
vanuit klager de valsheid naar voren is gebracht, in volle paniek om uitstel van de
zitting gevraagd om het uit te zoeken. Na zes weken kwam verweerder met een lang rapport
waaruit bleek dat hij niet kon vastleggen of het verslag echt of vervalst was. Alsnog
heeft hij, wetende dat de productie vals is, deze productie tegen klager gebruikt
in het hoger beroep. Klager is daardoor ernstig benadeeld.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat hij de stellingen
van zijn cliënte heeft verdedigd en heeft onderbouwd met de bewijsstukken die hem
zijn toegezonden. Pas in hoger beroep werd het punt van de valsheid voor het eerst
naar voren gebracht. Nadat twijfel werd gezaaid over de authenticiteit van deze stukken
heeft verweerder gedegen onderzoek gedaan naar de herkomst. Daaruit bleek dat verweerders
cliënte de verklaring van de politie rechtstreeks had ontvangen van een medewerker
van de gemeente. Daarmee is aan verweerders onderzoeksplicht voldaan en had verweerder
geen redenen om aan zijn cliënte te twijfelen.
3.2 Verweerder heeft verder toegelicht dat zijn cliënte dreigingen heeft gekregen
van de familie van klager. Deze dreiging was zo concreet dat zijn cliënte met de kinderen
genoodzaakt was om onder te duiken. Ondanks genomen maatregelen bleef zijn cliënte
berichten ontvangen. De blijvende dreiging heeft uiteindelijk onder meer geleid tot
een contactverbod in kort geding en een gedragsaanwijzing voor klager. Vanwege de
reële en door de rechter erkende dreiging heeft verweerder de aanwezigheid van de
parketpolitie ter zitting verzocht. De voorzitter heeft het verzoek beoordeeld en
toegewezen.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3 Deze klacht ziet op het door verweerder inbrengen van documenten die volgens
klager vals of vervalst zijn. Klager noemt in zijn klacht een politieverslag en een
aangifte. Onduidelijk blijft of en welke aangifte verweerder zou hebben ingediend.
De voorzitter kan dit dan ook niet vaststellen. Wel staat vast dat verweerder een
politieverslag (gedateerd 1 februari 2023) als productie heeft gebruikt in een aantal
procedures. Klager stelt dat dit document vals of vervalst is. De voorzitter kan dat
op grond van het klachtdossier niet vaststellen. Verweerder mocht bij het indienen
afgaan op de informatie daarover van zijn cliënte. Toen (in de procedure in hoger
beroep) twijfel ontstond over de authenticiteit van het politieverslag heeft verweerder
onderzoek gedaan naar de herkomst van het verslag c.q. de wijze waarop zijn cliënte
dit heeft verkregen. Daarover heeft hij het gerechtshof geïnformeerd in zijn brief
van 25 maart 2025. Verweerders cliënte heeft het verslag van een hulpverlener ontvangen.
De voorzitter is van oordeel dat verweerder mocht afgaan op de juistheid van het document.
Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het verslag als productie
te gebruiken. Deze klacht is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4 Deze klacht ziet op het verzoek van 12 februari 2025 van verweerder om beveiligingsmaatregelen
tijdens de aankomende zitting. Klager stelt dat de in dat verzoek gebruikte zware
verwijten onwaar en verzonnen zijn. Verweerder heeft het door hem gedane verzoek gemotiveerd
toegelicht. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder in zijn bericht van
12 februari 2025 onjuiste stellingen heeft ingenomen. De enkele stelling van klager
dat de verwijten onjuist zijn, is daarvoor onvoldoende. Verweerder mocht afgaan op
de informatie van zijn cliënte en het aan klager en zijn vrouw opgelegde contact-
en locatieverbod. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Deze
klacht is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.