ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-626/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-04-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-626/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 28 april 2026 in de zaak 25-626/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 19 november 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 16 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K134 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 19 november 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde
dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 19 november 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de van klager ontvangen
stukken van 22 december 2025, 27 februari 2026 en 1 maart 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager heeft gemotiveerd gesteld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door geen onderzoek te doen naar, en geen cassatieklachten te formuleren
over, dwingend Europees recht van openbare orde.
2.2 Klager stelt dat de voorzitter zijn klacht onjuist en/of te beperkt heeft
opgevat, waarbij de voorzitter voorbij is gegaan aan de kern van zijn klacht. Omdat
de voorzitter de kern niet (h)erkent, past hij feitelijk een verkeerde maatstaf toe.
Klager stelt verder dat de voorzitter onvoldoende en ondeugdelijk heeft gemotiveerd
t.a.v. het Unierecht van openbare orde. De voorzitter heeft feitelijk bewijs (de e-maillogboeken)
ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Er is een onevenredig zwaar gewicht toegekend
aan de mogelijkheid van een second opinion. Klager stelt dat de keuze voor kennelijke
ongegrondverklaring onjuist is gelet op de complexiteit van de zaak. De voorzitter
heeft verder artikel 46c Advocatenwet onjuist toegepast op klagers aanvulling van
22 oktober 2025.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt in verzet niet
op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klager
lijkt de onderliggende arbeidszaak inhoudelijk over te willen doen. Daar is het tuchtrecht
echter niet voor bedoeld. De voorzitter heeft wel degelijk de kern van de klacht herkent,
maar heeft daarover anders geoordeeld dan klager. De raad is met de voorzitter van
oordeel dat niet is gebleken dat het gegeven cassatieadvies onjuist of kwalitatief
onvoldoende is. Van een onjuiste toepassing van artikel 46c Advocatenwet is de raad
niet gebleken. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing
van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en F.G.L. van Ardenne, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2026.