ECLI:NL:TADRSGR:2026:65 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-034/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:65 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-034/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie. Verweerder heeft klager mogen mededelen dat hij namens de ex-partner een verzoek tot verkrijging van het eenhoofdig gezag over de kinderen zal gaan indienen. Verweerder heeft niet hoeven reageren op de e-mails van klager of diens verzoek om een bespreking op zijn kantoor. Niet gebleken dat verweerder de datumlijst heeft aangepast. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 26-034/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 15 januari 2026 met kenmerk R 2025/122 en van de
op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 15. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen
van de aanvullende stukken van klager van 17 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft samen met zijn ex-partner drie kinderen. Verweerder is de advocaat
van de ex-partner. Bij beschikking van 23 september 2020 heeft het gerechtshof, voor
zover van belang, bepaald dat klager zijn beschikbaarheid voor verblijf van de kinderen
bij hem jaarlijks aan de moeder kenbaar dient te maken, voor de periode januari tot
en met juni uiterlijk op 1 december daaraan voorafgaand en voor de periode juli tot
en met december uiterlijk op 1 juni daaraan voorafgaand. Het gerechtshof heeft daarbij
bepaald op welke vaste dagen en tijden op deze datumlijst de kinderen bij de vader
zullen zijn.
1.2 Op 31 oktober 2025 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat hij door de
ex-partner in de arm is genomen om haar te ondersteunen bij een verzoek tot verkrijging
van het eenhoofdig gezag over de kinderen en dat hij klager op de hoogte zal houden
over het verloop van de zaak.
1.3 Op 3 november 2025 heeft klager gereageerd dat de ex-partner zelf de communicatie
verstoort en dat hij op zijn vragen geen antwoord krijgt of dat er gedreigd wordt
met een procedure. Op 4 november 2025 heeft klager aan verweerder geschreven geen
antwoord van hem te hebben ontvangen en dat hij uiterlijk de volgende dag voor morgen
duidelijkheid wil hebben.
1.4 Op 12 november 2025 heeft klager verzocht om een gesprek op verweerders kantoor
om de datumlijst voor de omgang met de kinderen vast te stellen. Op 14 november 2025
heeft klager aan verweerder geschreven geen antwoord van hem te hebben ontvangen en
opgemerkt dat hij een datumlijst voor het komende halfjaar zal bijvoegen.
1.5 Op 16 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.6 Op 20 november 2025 heeft verweerder het commentaar van de ex-partner op
de datumlijst doorgezonden aan klager. Daarin merkt de ex-partner onder meer op dat
juni 2026 niet is ingevuld, dat het beter uitkomt om enkele ophaaltijden te vervroegen
en dat de paasdagen nog verdeeld moeten worden.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft klager volledig genegeerd en hij wil nergens op antwoorden.
Hij gaat wel het gevecht aan, maar niet het gesprek met klager;
b) Verweerder heeft de datumlijst aangepast, wat tegen de beschikking in is.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Verder hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel
dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij
toebrengen.
4.2 Daarnaast geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken
dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere
terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die
deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures.
De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3 Een advocaat is in beginsel niet gehouden om (inhoudelijk) te reageren op
berichten die afkomstig zijn van de wederpartij persoonlijk. Als deze wederpartij
een advocaat heeft dan is hem dat zelfs niet toegestaan (Gedragsregel 25). (zie bijvoorbeeld
RvD Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:51, onder 4.10, en RvD Arnhem-Leeuwarden
16 maart 2020, ECLI:NL:TADRARL:2020:119, onder 4.10). Verweerder heeft enkel – op
louter informatieve basis – aan klager, die op dat moment niet kenbaar door een advocaat
werd bijgestaan, medegedeeld dat hij namens de ex-partner een verzoek tot verkrijging
van het eenhoofdig gezag over de kinderen zal gaan indienen en hem op de hoogte zal
houden van de zaak. Dat verweerder niet heeft gereageerd op klagers e-mails van 3
en 4 november 2025 is, nu verweerder alleen de belangen hoefde te behartigen van klagers
ex-partner, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.4 Evenmin was verweerder gehouden om te reageren op het verzoek van klager
om de datumlijst op zijn kantoor te bespreken. Volgens de beschikking is het enkel
vereist dat klager een datumlijst verstuurt aan de ex-partner. Daarover hoeft geen
overleg plaats te vinden met verweerder. Overigens heeft verweerder op 20 november
2025 alsnog het commentaar van de moeder daarop doorgezonden. Hij heeft dus voldoende
voortvarend gehandeld.
4.5 Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.6 Dat verweerder de datumlijst heeft aangepast blijkt nergens uit. Als klager
daarmee doelt op het commentaar van de ex-partner, dan stond het verweerder vrij om
het commentaar van zijn cliënte door te sturen aan klager. Daarmee heeft verweerder
de datumlijst niet aangepast. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.7 De klacht is in het geheel, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.