ECLI:NL:TADRSGR:2026:62 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-640/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:62 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-640/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft in een brief aan klager te stellige en niet onderbouwde verwijten opgenomen. Hij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de juistheid van die verwijten, terwijl hij dat (gezien de aard van de verwijten) wel had moeten doen. Verweerder heeft klager daarbij aansprakelijk gesteld voor de schade en bedragen gevorderd voor zaken die geen logisch verband houden met de verwijten en die niet zijn onderbouwd. In een latere aanmaning worden weer andere posten gevorderd, eveneens niet onderbouwd. Verweerder heeft ook klagers eenmanszaak aangeschreven en die entiteit als werkgever aansprakelijk gesteld, terwijl de verwijten geen enkel verband houden met deze entiteit. Verweerder had er bovendien bekend mee kunnen zijn dat klager werd bijgestaan door een advocaat, mar heeft de brieven desondanks direct naar klager gestuurd. Onzorgvuldig handelen. De bijzondere omstandigheden van het geval maken dat volstaan wordt met een waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 maart 2026 in
de zaak 25-640/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde:
over
verweerder
gemachtigde:
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 22 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/086
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij
waren klager en zijn gemachtigde, alsmede verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14. Ook heeft de raad kennisgenomen
van het verweerschrift met bijlagen van verweerder van 8 oktober 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft op 2 mei 2023 aangifte gedaan van chantage, afpersing, smaad
en/of laster door mevrouw T. Op 27 juni 2023 heeft klager aangifte gedaan van stalking
door T. In deze aangifte is vermeld dat klager telefonisch is bijgestaan door mr.
J. De aangiftes maken onderdeel uit van het klachtdossier.
2.3 De aangiftes hebben geleid tot een strafrechtelijke vervolging die loopt
bij de rechtbank Amsterdam. Klager is daarin aangemerkt als slachtoffer en heeft zich
gevoegd als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding.
2.4 In oktober 2024 heeft T zich tot verweerder gewend voor (civielrechtelijke)
bijstand.
2.5 Bij brief van 13 december 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“[T] heeft mij gevraagd u aan te schrijven over de openstaande vordering. Thans
bent u een totaalbedrag verschuldigd van EUR 6.604,-. Voor een specificatie van de
vordering verwijs ik u naar de laatste pagina van deze brief. Daarnaast stel ik u
aansprakelijk voor de door cliënte geleden schade als gevolg van onrechtmatige daad.
Ik verzoek en zo nodig sommeer u het openstaande bedrag van EUR 6.604,- binnen vijftien
dagen nadat deze brief bij u is bezorgd, bij te laten schrijven op [derdenrekening
kantoor verweerder] (…). (…)
U heeft cliënte op onrechtmatige wijze schade berokkend door samen met anderen valselijk
aangifte te doen van smaad en stalking, uitsluitend omdat cliënte de door haar voorgeschoten
bedragen heeft teruggevraagd. Hierdoor heeft cliënte reputatieschade geleden en is
zij een opdracht misgelopen bij de politie, hetgeen haar inkomen heeft aangetast.
Daarnaast heeft cliënte lichamelijk letsel ondervonden in de vorm van extreme buikpijn
gedurende drie maanden, veroorzaakt door 2 soa’s die zij is opgelopen door uw gedragingen.
Op grond van artikel 6:162 BW stel ik u hierbij aansprakelijk voor alle hierdoor
veroorzaakte schade, zowel materieel als immaterieel. Hierbij verzoek ik u om de valse
aangiftes in te trekken en publiekelijk te rectificeren jegens de politie.
Indien u niet binnen de stelde termijn aan bovenstaande verzoeken voldoet, zal cliënte
genoodzaakt zijn juridische stappen te ondernemen. (…)”
De specificatie van het genoemde bedrag bestaat uit € 500,- voor rijlessen en €
6.104,- voor verblijfskosten.
2.6 Bij brief van eveneens 13 december 2024 heeft verweerder aan klagers eenmanszaak
[X] (gericht aan hetzelfde adres als de onder 2.5 genoemde brief) onder meer geschreven:
“Namens cliënte, [T], stel ik u organisatie aansprakelijk voor de schade die zij
heeft geleden als gevolg van de betrokkenheid van een van uw medewerkers, [klager],
en zijn manager, mevrouw […], bij het doen van een valselijke aangifte van smaad en
stalking. (…)
Door deze valse aangifte heeft cliënte aanzienlijke schade geleden:
- Reputatieschade: het mislopen van een opdracht bij de politie.
- Immaterieel letsel: drie maanden extreme buikpijn, stress en emotionele belasting.
Als werkgever bent u op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de onrechtmatige
daden van uw werknemers, voor zover deze binnen het kader van hun werkzaamheden hebben
plaatsgevonden. Cliënte houdt uw organisatie verantwoordelijk voor de geleden schade.
(…)
Tevens verzoek ik om de valselijke aangiftes in te trekken en de mededelingen hierover
te rectificeren. Indien u nalaat hierop te reageren, behoudt cliënte zich het recht
voor juridische stappen te ondernemen.”
2.7 Op 2 mei 2025 heeft verweerder per e-mail aan klager een ‘laatste aanmaning’
verstuurd. In het bericht is onder meer vermeld:
“[T] (…) heeft zich tot ons gewend aangezien de hieronder vermelde vorderingen nog
niet door u zijn voldaan. (…) Zie specificatie.
Uitgeleende bedragen+ (…) € 6.999,35
Schade door valse aangifte (…) € 7.260,00
Te voldoen € 14.406,41
(…) Wij wijzen u er op dat alleen betaling van het volledige bedrag op de hiervoor
aangegeven wijze ervoor zorgt dat de incassoprocedure wordt gestopt. Bij in gebreken
blijven, zien wij ons genoodzaakt per direct de nodige rechtsmaatregelen tegen u te
nemen, met alle daaraan verbonden kosten en narigheden.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de juistheid van de door
zijn cliënte gestelde vorderingen en heeft zich middels de door hem verzonden brieven
en inhoud daarvan schuldig dan wel medeplichtig gemaakt aan (een poging tot) afdreiging
en mogelijk ook smaad en/of laster.
b) Verweerder heeft ten onrechte klagers ‘werkgever(s)’ aansprakelijk gesteld
terwijl een eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid geniet en er in deze kwestie op
geen enkele wijze sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. Deze handelwijze levert
daarom een onnodige schending van klagers privacy, smaad en/of laster op.
c) Verweerder heeft klager ten onrechte direct benaderd. Verweerder had klagers
advocaat moeten benaderen.
d) Verweerder heeft zich ten onrechte laten lenen tot assistentie bij het gebruik
van ongeoorloofde middelen door zijn cliënte.
3.2 Klager heeft toegelicht dat hij de brieven van 13 december 2024 heeft ervaren
als een pressiemiddel om de lopende strafzaak in het voordeel van T te beïnvloeden,
gezien de timing en inhoud daarvan. De brieven bevatten geen enkele stukken die de
stellingen van de cliënte van verweerder onderbouwen. Klager meent dat verweerder
zich voor het karretje van zijn cliënte heeft laten spannen. Verweerder had gezien
zijn professionele rol moeten nagaan of het verzenden van de brieven in dit stadium
in dit specifieke geval verstandig was. Door de specifieke formulering van de brieven
heeft verweerder een duidelijke grens overschreden. Nu een brief aan klagers eenmanszaak
is verzonden en mogelijk ook aan derden, stelt klager dat sprake is van smaad en laster,
omdat onnodig ruchtbaarheid wordt gegeven aan de kwestie.
3.3 Klager heeft verder toegelicht dat zijn advocaat al op 18 december 2023 het
strafdossier als benadeelde partij heeft gekregen. Op 10 september 2024 heeft klagers
advocaat bericht dat de advocaat van T onderzoekswensen in de strafzaak had ingediend.
De getuigenverhoren vonden in januari 2025 plaats. Toen verweerder de brieven verstuurde,
was T al op de hoogte van het verloop van de strafzaak en had zij naar alle waarschijnlijkheid
ook het dossier in haar bezit. Op 8 maart 2024 was bovendien een gedragsaanwijzing
aan T opgelegd door de officier van justitie, inhoudende dat T geen contact met klager
mocht opnemen. Ook daarom had het op de weg van verweerder gelegen om extra voorzichtig
te zijn met het benaderen van klager.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft verzocht de klacht
ongegrond te verklaren.
4.2 Verweerder stelt ten aanzien van klachtonderdeel a) dat de uitlatingen in
de brief aan klager en zijn eenmanszaak zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden
zoals deze door zijn cliënte aan verweerder zijn gepresenteerd. Deze waren gebaseerd
op onderliggende stukken, waaronder een aangifte, verklaringen en e-mailcorrespondentie.
Voor verweerder bestond er op het moment van verzending geen aanleiding om aan de
betrouwbaarheid of plausibiliteit van die informatie te twijfelen. De brief bevatte
geen dreigementen met media-aandacht of andere vormen van ongepaste druk. Het rectificeren
zag op niets anders dan het intrekken van de aangifte en dit melden bij de politie.
Op verweerders brief is nooit enige inhoudelijke reactie van klager ontvangen. Zodra
verweerder erachter kwam dat er een strafdossier was, heeft hij dit opgevraagd en
is het gevolg daarvan dat verweerder geen verdere juridische maatregelen heeft genomen.
Het lijkt erop dat klager deze tuchtklacht gebruikt om de civiele vordering van verweerders
cliënte langs een andere weg te betwisten.
4.3 Verweerder erkent dat de gekozen bewoordingen achteraf gezien onvoldoende
duidelijk maakten dat het standpunten van cliënte betroffen en ten onrechte de indruk
konden wekken dat het vaststaande feiten waren die door verweerder zelfstandig waren
vastgesteld. Met name de medische passage over soa’s zou zorgvuldiger en voorzichtiger
moeten zijn geformuleerd. Hetzelfde geldt voor de stelling omtrent “valse aangifte”.
Verweerder betreurt dat deze formuleringen door klager als intimiderend en grievend
zijn ervaren.
4.4 Verweerder heeft ten aanzien van klachtonderdeel b) aangevoerd dat hij klager
en de eenmanszaak heeft aangeschreven, omdat op dat moment niet duidelijk was of de
aangifte door klager als privépersoon, als eenmanszaak of in beide hoedanigheden was
gedaan. Gezien de civiele aard van de vordering was het juridisch verdedigbaar om
klager in beide hoedanigheden aan te schrijven. De brief aan de eenmanszaak is niet
aan derden gezonden. Er is geen sprake geweest van het verspreiden van privacygevoelige
informatie aan opdrachtgevers of andere partijen.
4.5 Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft verweerder uitgelegd dat hij
ten tijde van de verzending van de aansprakelijkstellingsbrief niet bekend was met
de betrokkenheid van een advocaat aan de zijde van klager in de civiele kwestie. De
strafrechtelijke bijstand van klagers advocaat gold niet automatisch in de civiele
procedure. Pas na ontvangst van nadere informatie is duidelijk geworden dat klager
door een advocaat werd bijgestaan. Vanaf dat moment is verdere communicatie via de
advocaat verlopen.
4.6 Verweerder heeft zich ten aanzien van klachtonderdeel d) op het standpunt
gesteld dat hij zich niet heeft laten lenen voor het gebruik van ongeoorloofde middelen.
Hij heeft namens zijn cliënte brieven met een civielrechtelijke inhoud gestuurd, conform
de gebruikelijke praktijk. Er is geen sprake geweest van dreiging, intimidatie of
misbruik van middelen.
4.7 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a) en d) – onvoldoende onderzoek en ongeoorloofde middelen
5.2 Op 13 februari 2024 heeft verweerder klager (en zijn eenmanszaak) aangeschreven
met een vordering c.q. sommatie namens zijn cliënte (T). Verweerder heeft in de brief
standpunten ingenomen namens zijn cliënt. Hij heeft de brief echter geformuleerd alsof
het een feit is dat klager T op onrechtmatige wijze schade zou hebben berokkend, dat
klager een valse aangifte zou hebben gedaan en twee soa’s zou hebben veroorzaakt.
Dat zijn vergaande verwijten. Het kan zijn dat T de verwijten aan verweerder heeft
gepresenteerd als feiten en heeft onderbouwd met concrete bewijsstukken, maar verweerder
had ook dan richting klager duidelijk moeten zijn dat het de standpunten van zijn
cliënte betrof. De (vergaande) verwijten en de gevorderde bedragen zijn echter op
geen enkele wijze met stukken onderbouwd, waardoor het lijkt te gaan om ongefundeerde
verwijten aan het adres van klager. Verweerder erkent achteraf ook dat hij zorgvuldiger
en voorzichtiger had moeten formuleren. Dit geldt zeker voor het verwijt van de valse
aangifte. Juist daarnaar had verweerder, gelet op de inhoud van de door klager tegen
T gedane aangiftes, meer en/of beter onderzoek moeten doen. Ook het verwijt dat klager
soa’s zou hebben veroorzaakt, had verweerder nader moeten onderzoeken. Van enige onderbouwing
is niet gebleken. De gevorderde bedragen (verblijfskosten en rijlessen) houden verder
geen logisch verband met de verwijten die klager in de brief worden gemaakt. In verweerders
latere bericht van 2 mei 2025 gaat het bovendien plotseling om andere posten en andere
bedragen, eveneens niet onderbouwd.
5.3 Alleen al de inhoud van de brieven van 13 december 2024 aan klager en zijn
eenmanszaak maakt dat er reden is voor twijfel aan de standpunten van T en de bijbehorende
vorderingen. Verweerder had meer onderzoek moeten doen en/of (meer) moeten doorvragen
bij zijn cliënte. Door dat niet te doen en de brieven met verstrekkende, niet onderbouwde
standpunten toch te verzenden, heeft verweerder klagers belangen onnodig geschaad.
Door zonder concretisering en onderbouwing dergelijke vergaande verwijten op te nemen,
heeft verweerder zich geleend voor het gebruik van ongeoorloofde middelen.
5.4 De raad is verder van oordeel dat de door verweerder in de brieven gedane
eisen de belangen van klager onnodig hebben geschaad. Verweerder heeft in de brief
het verzoek gedaan om ‘de valse aangiftes in te trekken en publiekelijk te rectificeren
jegens de politie’. Dit is minst genomen ongelukkig geformuleerd, zeker gelet op klagers
achtergrond als mediapersoonlijkheid. Dat klager zich door de inhoud van de brieven
van verweerder onder druk gezet voelde, acht de raad niet onaannemelijk. Verweerder
had zich zorgvuldiger en terughoudender moeten opstellen in zijn brieven. Deze klachtonderdelen
zijn daarmee gegrond.
5.5 Of sprake is van schuld en/of medeplichtigheid aan (poging tot) afdreiging,
smaad en/of laster is niet ter beoordeling aan de tuchtrechter, maar uitsluitend aan
de strafrechter. De raad zal daar dan ook (evenals bij de overige klachtonderdelen
waar dat aan de orde is) geen oordeel over gegeven.
Klachtonderdeel b) – aanschrijven eenmanszaak
5.6 Verweerder heeft op 13 december 2024 ook een brief (aansprakelijkstelling)
aan klagers eenmanszaak gestuurd. Ook die brief is onzorgvuldig. Verweerder heeft
de organisatie aansprakelijk gesteld voor de schade die T zou hebben geleden als gevolg
van de betrokkenheid van klager en zijn manager bij het doen van een valse aangifte
van smaad en stalking. Verweerder beschikte over de door klager gedane aangiftes tegen
T, zodat duidelijk was dat de aangiftes alleen door klager waren gedaan. De betrokkenheid
van de manager of de eenmanszaak blijkt nergens uit. Het aanschrijven van de eenmanszaak
diende dan ook geen enkel (redelijk) doel. Verweerder stelt bovendien dat T door de
valse aangifte immaterieel letsel heeft opgelopen. In samenhang met de brief van diezelfde
dag aan klager lijkt dat te gaan om de soa’s die T zou hebben opgelopen. Dat houdt
geen verband met de valse aangifte en het is volstrekt onduidelijk waarom de werkgever
daarvoor aansprakelijk zou zijn. Verweerder had deze brief niet op deze manier naar
de eenmanszaak moeten sturen. Ook dit verwijt is gegrond.
5.7 Overigens hoefde verweerder er geen rekening mee te houden dat de door hem
aan de eenmanszaak verzonden brief door een derde geopend en gelezen zou worden. Verweerder
heeft de brief aangetekend naar het correcte adres van de eenmanszaak gestuurd.
Klachtonderdeel c) – direct benaderen klager
5.8 Verweerder heeft zijn brief van 13 december 2024 en zijn e-mail van 2 mei
2025 aan klager gericht, terwijl uit de aangifte van 27 juni 2023 blijkt dat klager
telefonisch werd bijgestaan door mr. J. Verweerder was bekend met deze aangifte. Verweerder
was dus op de hoogte, of had dat op zijn minst kunnen zijn, dat klager werd bijgestaan
door een advocaat. Dat mr. J mogelijk alleen bijstand verleende in de strafrechtelijke
context is daarbij niet relevant. Verweerder had eerst contact met mr. J moeten opnemen
met de vraag of hij klager (nog) bijstond in deze zaak en, zo ja, of de brieven naar
mr. J (in plaats van direct naar klager) konden worden gestuurd. Verweerder heeft
dit niet gedaan. Daarvan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook dit
verwijt is gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft in een brief aan klager te stellige en niet onderbouwde
verwijten opgenomen, onder meer dat klager een valse aangifte zou hebben gedaan en
soa’s had veroorzaakt bij verweerders cliënte. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek
gedaan naar de juistheid van deze verwijten. Verweerder heeft klager daarbij aansprakelijk
gesteld voor de schade en bedragen gevorderd voor zaken die geen logisch verband houden
met de verwijten en die bovendien op geen enkele wijze zijn onderbouwd. In een latere
aanmaning heeft hij bovendien andere bedragen voor andere posten gevorderd, eveneens
niet onderbouwd. Verweerder heeft ook klagers eenmanszaak aangeschreven en die entiteit
als werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade die zou zijn geleden, terwijl de
verwijten geen enkel verband houden met deze entiteit. Verweerder had er bovendien
bekend mee kunnen zijn dat klager werd bijgestaan door een advocaat, maar heeft desondanks
brieven direct naar klager gestuurd, in plaats van naar klagers advocaat. Verweerder
heeft daarmee op meerdere momenten onzorgvuldig gehandeld en klagers belangen nodeloos
geschaad.
6.2 De raad acht in beginsel de maatregel van berisping passend. De raad ziet
in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding om te volstaan met een waarschuwing.
Verweerder was bij het aannemen van de zaak nog maar kort advocaat-stagiair (ondernemer).
Hij heeft – zo blijkt uit zijn verklaring ter zitting – onvoldoende begeleiding gehad
van zijn patroon, die blijkbaar op de relevante momenten met vakantie c.q. afwezig
was. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij achteraf gezien anders had moeten
handelen en zijn berichten anders had moeten formuleren. Gelet op de gebrekkige begeleiding
en het inzicht in de onjuistheid van het handelen, ziet de raad aanleiding te volstaan
met een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerder op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder dient het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden te betalen aan klager. Klager dient binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door te geven.
7.4 Verweerder dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.