ECLI:NL:TADRSGR:2026:61 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-467/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:61 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-467/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Verweerster heeft rauwelijks geprocedeerd door slechts drie dagen nadat op een door haar geïnitieerd kort geding was beslist, over te gaan tot het verzoeken van nieuwe voorlopige voorzieningen. Geen de-escalerend optreden. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 maart 2026 in
de zaak 25-467/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
mr. F.F. Aarts
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 16 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K208 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 Op 1 augustus 2025 en 5 januari 2026 heeft klaagster aanvullende stukken
ingediend.
1.4 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Daarbij
waren klaagster, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig. Ter zitting
is besloten tot aanhouding zodat verweerster in de gelegenheid kon worden gesteld
om schriftelijk te reageren op de aanvullende stukken van 5 januari 2026.
1.5 Op 26 januari 2026 heeft verweerster aanvullende stukken ingediend.
1.6 De klacht is verder behandeld op de zitting van 9 februari 2026. Daarbij
waren klaagster, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, inclusief
de op de inventaris genoemde bijlagen, en de hiervoor genoemde aanvullende stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft enkele jaren in Zuid-Afrika gewoond. Daar is haar zoon [K]
geboren. In 2014 en 2015 is tussen klaagster en de vader van [de zoon] geprocedeerd
over onder meer het gezag, kinderalimentatie en een omgangsregeling. Dit heeft in
december 2015 geleid tot een vaststellingsovereenkomst, waarin is afgesproken dat
klaagster het eenhoofdig gezag behoudt, er geen kinderalimentatie wordt betaald en
een omgangsregeling met opbouw is.
2.3 In 2018 is klaagster met [de zoon] verhuisd naar Nederland. De vader is hen
nagereisd. Er is discussie ontstaan over de geldigheid, uitvoer en het actualiseren
van de gemaakte afspraken. In dat kader heeft in november 2023 een mediationtraject
plaatsgevonden dat niet succesvol is afgesloten.
2.4 Op 8 december 2023 is verweerster namens de vader een kortgedingprocedure
gestart over onder meer toestemming voor een vakantie, het overhandigen van een identiteitsbewijs
en het respecteren van de bestaande omgangsregeling. Verweerster en klaagsters advocaat
hebben vervolgens gecorrespondeerd over een mogelijke regeling. Het in dat kader afgegeven
toestemmingsformulier voor de vakantie is voor verweersters cliënt onvoldoende geweest
om het kort geding in te trekken.
2.5 Op 13 december 2023 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij afspraken zijn
gemaakt over omgang tussen [de zoon] en de vader wat dezelfde middag nog zou plaatsvinden.
Klaagster heeft de vader die middag bericht dat [de zoon] meer tijd nodig heeft. Er
heeft daarna geen omgang plaatsgevonden.
2.6 Op 18 december 2023 heeft verweerster aan klaagsters advocaat medegedeeld
dat de ter zitting gemaakte afspraken niet zijn nagekomen en verzocht om spoedig een
herstelgesprek te plannen. Op 20 december 2023 heeft verweerster de rechtbank bericht
dat er afspraken zijn gemaakt over het herstelgesprek, maar dat haar cliënt toch een
uitspraak wenst omdat het onzeker blijft of de afspraken worden nagekomen.
2.7 Bij vonnis van 27 december 2023 is onder meer een omgangsregeling tussen
[de zoon] en de vader vastgelegd.
2.8 Op 28 december 2023 is verweerster namens de vader een bodemprocedure gestart
voor de erkenning van [de zoon], verkrijging van ouderlijk gezag en uitbreiding van
de omgangsregeling. Namens klaagster is hiertegen verweer gevoerd en om kinderalimentatie
verzocht.
2.9 Op 30 december 2023 heeft verweerster namens de vader een verzoek om voorlopige
voorzieningen ingediend. Op 23 januari 2024 heeft klaagsters advocaat verweerster
bericht dat de gevraagde voorzieningen geen spoedeisend belang hadden of thuishoren
in een bodemprocedure. Verweerster heeft hierop gereageerd dat haar cliënt er belang
bij heeft omdat het vonnis van 27 december 2023 niet wordt nagekomen. Op 31 januari
2024 heeft de zitting plaatsgevonden bij de rechtbank. Dit heeft geleid tot de beschikking
van 14 februari 2024, waarin de verzoeken zijn afgewezen vanwege het gebrek aan een
spoedeisend belang. Ook is de vader veroordeeld in de proceskosten, met als motivering:
“(…) Vast staat dat de vader reeds drie dagen na de uitspraak in kort geding van
27 december 2023 opnieuw een voorlopige voorziening heeft gevraagd zonder met de moeder
te overleggen of haar in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op
de wensen van vader. Dat het herstelgesprek tussen vader en [de zoon] niet heel snel
na de uitspraak plaats kon vinden is niet te wijten aan de moeder, omdat [de zoon]
zelf de tijd nodig had om dit met vader te plannen. Het huidige verzoek gaat bovendien
grotendeels over dezelfde onderwerpen als de eerdere procedure voorlopige voorzieningen.
Daarmee jaagt de vader de moeder onnodig op kosten.
(…) De vader heeft bovendien niet gesteld, althans niet onderbouwd dat hij een spoedeisend
belang heeft bij zijn nieuwe verzoeken. Gelet hierop had de vader redelijkerwijs kunnen
inzien dat zijn verzoeken om nieuwe voorlopige voorzieningen zouden worden afgewezen.
De rechtbank acht daarom een veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure
op zijn plaats.”
2.10 Op 5 april 2024 heeft Veilig Thuis afspraken gemaakt met klaagster en de
vader over de omgang met [de zoon]. Daarbij heeft Veilig Thuis opgemerkt te zien dat
‘[de zoon] gebukt gaat onder de strijd tussen’ de ouders.
2.11 Na een incident op 4 juli 2024 heeft geen omvang meer plaatsgevonden tussen
[de zoon] en de vader.
2.12 Bij kortgedingvonnis van 12 juli 2024 is geoordeeld dat de moeder de omgangsregeling
uit het vonnis van 27 december 2023 moet naleven.
2.13 Op 16 juli 2024 heeft een herstelgesprek plaatsgevonden, dat is afgebroken
door de vader. Een tweede herstelgesprek is er niet gekomen, omdat partijen geen overeenstemming
konden bereiken welke onafhankelijke derde dit gesprek zou leiden. Hierover hebben
klaagster en de vader eind augustus opnieuw gecorrespondeerd.
2.14 Op 6 september 2024 heeft verweerster namens de vader een kort geding gestart
in verband met het niet tot stand komen van een herstelgesprek.
2.15 Na splitsing van de bodemzaken door de rechtbank, heeft op 12 september
2024 een zitting plaatsgevonden over de erkenning.
2.16 Op 13 september 2024 heeft verweerster aan klaagsters advocaat gevraagd
of klaagster akkoord is met mw. D als begeleider bij het herstelgesprek en zo ja,
wanneer het gesprek kan plaatsvinden.
2.17 Op 24 september 2024 heeft verweerster aan klaagsters advocaat geschreven:
“Tot en met heden heb ik nog niets van u vernomen op het verzoek tot het herstelgesprek.
Wel ontving ik van uw cliënte rechtstreeks, een bericht. Dit is niet alleen tegen
de afspraken in, maar bemoeilijkt ook het proces en naleving van de gedragsregels
(…)”
Verweerster heeft vervolgens een voorstel gedaan voor de wijze waarop het herstelgesprek
kan plaatsvinden.
2.18 Op 6 oktober 2024 heeft klaagsters advocaat gereageerd dat het haar onduidelijk
is waarom de vader de e-mails negeert en dat zij toestemming aan verweerster heeft
gegeven om rechtstreeks met klaagster te communiceren. Zij heeft daarbij aangegeven
dat het constructiever is als de vader reageert op de voorgestelde data en dat hij
niet moet doen voorkomen alsof er geen afspraak gepland kan worden.
2.19 Op 7 oktober 2024 heeft verweerster aan klaagsters advocaat geschreven:
“Het is voor cliënt onbegrijpelijk dat uw cliënte het herstelgesprek voor lijkt
te frustreren door telkens de spelregels voor een herstelgesprek te wijzigen. Er wordt
veel onnodige verwarring gecreëerd waardoor constructief overleg onmogelijk wordt.
Dit komt door:
1. Dat u enerzijds wel communiceert met mij als uw cliënte dit urgent vindt,
maar als ik namens cliënt contact met u opneem, weigert u hierop te reageren, althans
krijgt u instructie niet te communiceren;
(…) Cliënt wil graag herstelgesprek inplannen als uw cliënte ook kan instemmen met
de voor client acceptabele voorwaarden zoals: (…)
Graag zie ik via u als advocaat, zoals eerder ten aanzien van de onderlinge communicatie
ook is afgesproken en gebruikelijk is zo lang u als advocaat optreedt, een reactie
tegemoet. Op directe communicatie van uw cliënte zal niet worden gereageerd. Rechtstreeks
van uw cliënte afkomstige correspondentie zal in ieder geval niet worden gelezen en
worden verwijderd.”
2.20 Op 14 oktober 2024 heeft klaagsters advocaat aan verweerster medegedeeld
nog geen reactie te hebben ontvangen en gevraagd waarom de vader niet reageert op
berichten van klaagster om tot een herstelgesprek te komen. Klaagsters advocaat heeft
daarbij kenbaar gemaakt haar alleen in de procedure bij te staan, geen opdracht te
hebben voor het plannen van het herstelgesprek en dat verweerster klaagster rechtstreeks
moet aanschrijven.
2.21 Op 21 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
2.22 Op 1 november 2024 heeft in het kader van het op 6 september 2024 aangezegde
kort geding een zitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn afspraken gemaakt
over het zo spoedig mogelijk realiseren van een herstelgesprek. Klaagster zou mw.
D uiterlijk 4 november 2024 verzoeken om daarbij te helpen. Omdat verweerster op 5
november 2024 geen bericht daarover van klaagster heeft ontvangen, heeft verweerster
mw. D zelf verzocht om een herstelgesprek te organiseren en daarvan verslag te doen
aan de rechtbank. Verweerster heeft daarbij opgemerkt dat klaagster op de zitting
van 1 november 2024 zonder advocaat aanwezig was omdat zij ‘deze niet meer [kan] betalen’.
Het herstelgesprek is door mw. D afgeslagen omdat zij geen opdracht had van beide
partijen en omdat er ook geen verzoek van de rechtbank lag.
2.23 Bij vonnis van 15 november 2024 heeft de rechtbank mw. D verzocht om een
herstelgesprek te organiseren en daarvan een terugkoppeling te geven aan de rechtbank.
Op 21 november 2024 heeft mw. D aan de rechtbank bericht dat de beschikking is afgegeven
op basis van verkeerde informatie en dat zij de gevraagde opdracht niet kan uitvoeren.
Mw. D heeft op 29 november 2024 aan partijen bericht niet beschikbaar te (willen)
zijn als mediator.
2.24 Op 10 januari 2025 heeft een zitting over de omgang, het gezag en de kinderalimentatie
plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft klaagster haar klacht aangevuld.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster frustreert het plannen van een herstelgesprek;
b) Verweerster heeft zich zeer belastend en in strijd met de waarheid over klaagster
uitgelaten richting de rechtbank;
c) Verweerster procedeert rauwelijks en jaagt klaagster onnodig op kosten;
d) Verweerster laat hulpverleners afhaken door haar agressieve toon en handelen,
waardoor het belang van het kind wordt ondermijnd;
e) Verweerster heeft met haar agressieve insteek de vader geradicaliseerd in
zijn omgang en communicatie;
f) Verweerster heeft historische juridische stukken en klaagsters ouderlijk gezag
ondermijnd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Verder hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel
dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij
toebrengen.
5.2 In familierechtkwesties geldt bovendien dat de advocaat ervoor moet waken
dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere
terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die
deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures.
De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3 Het is de raad niet gebleken dat verweerster het plannen van een herstelgesprek
heeft gefrustreerd. Uit de e-mails van 24 september 2024, 7 oktober 2024 en 5 november
2024 blijkt afdoende dat verweerster pogingen heeft gedaan om daartoe afspraken te
maken en voortvarend heeft willen handelen in het belang van haar cliënt. De raad
acht het ook niet verwijtbaar dat verweerster niet heeft gereageerd op de e-mails
van klaagster eind september/begin oktober 2024. Uit de e-mail van 24 september 2014
blijkt dat verweerster en klaagsters advocaat al eerder hebben afgesproken dat de
communicatie tussen partijen alleen via de advocaten zou verlopen. Verweerster mocht
klaagster en haar advocaat aan die afspraak houden, niet alleen met het oog op de
tussen klaagster en de vader stroef verlopende communicatie, maar ook vanuit gedragsrechtelijk
oogpunt. De raad merkt nog op dat het verweerster niet kan worden verweten dat haar
cliënt niet wenste in te stemmen met de voorwaarden die klaagster aan een herstelgesprek
stelde. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.4 De raad is van oordeel dat verweerster klaagster onnodig op kosten heeft
gejaagd en haar op 30 december 2023, slechts drie dagen na het vonnis van 27 december
2023, rauwelijks opnieuw in een verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrokken.
Niet valt in te zien waarom verweerster niet eerst heeft afgewacht hoe dit vonnis
in de praktijk zou uitpakken. De raad verwijst op dit punt naar de motivering in de
beschikking van 14 februari 2024.
5.5 Verweerster heeft hiertegen aangevoerd dat zich omstandigheden hadden voorgedaan
die maakten dat de vader belang had bij deze (nieuwe) voorlopige voorzieningen. Zij
heeft erop gewezen dat klaagster de afspraken van de zitting van 13 december 2023
niet was nagekomen en dat er in januari 2024 ook ontwikkelingen hebben plaatsgevonden
rondom het sporten van [de zoon]. De raad acht deze omstandigheden niet overtuigend.
Wat betreft het niet nakomen van de afspraken van 13 december 2023, geldt dat hierover
in de week erna opnieuw afspraken zijn gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat hier
alsnog ongeregeldheden over zijn ontstaan. De raad ziet hierin dus geen rechtvaardiging
om op 30 december 2023 al een nieuw verzoekschrift in te dienen. Datzelfde geldt ook
voor de omstandigheden uit januari 2024, aangezien deze zich pas hebben voorgedaan
nadat het verzoekschrift al was ingediend.
5.6 Klachtonderdeel c) is gegrond.
Klachtonderdelen b) en d) tot en met f)
5.7 Verweerster heeft als advocaat van de vader zijn belangen mogen behartigen.
Het is de raad niet gebleken dat zij daarbij, ten aanzien van deze klachtonderdelen,
de belangen van klaagster onnodig of op ontoelaatbare wijze heeft geschaad. Zij heeft
namens haar cliënt stellingen kunnen innemen, waarbij zij zich mocht baseren op de
informatie die zij van haar cliënt kreeg en waarbij zij geen nader onderzoek over
de juistheid daarvan heeft hoeven verrichten. Klaagster heeft daar een andere visie
op, maar de raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerster daarbij
onjuist of polariserend heeft gehandeld. De raad kan dan ook niet vaststellen dat
in het kader van deze klachtonderdelen sprake is (geweest) van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen. Daarbij merkt de raad nog op dat verweerster niet verantwoordelijk kan worden
gehouden voor het handelen van haar cliënt of voor het niet aannemen van een opdracht
door een hulpverlener.
5.8 Klachtonderdelen b) en d) tot en met f) zijn ongegrond.
Conclusie
5.9 De raad zal klachtonderdeel c) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige
ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door slechts drie
dagen nadat op een door haar geïnitieerd kort geding was beslist, over te gaan tot
het verzoeken van nieuwe voorlopige voorzieningen. Daarmee heeft zij rauwelijks geprocedeerd
en de belangen van de wederpartij en het kind uit het oog verloren, waarvoor zij ook
diende te waken. Van verweerster mocht, mede gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid,
worden verwacht eerst een pas op de plaats te maken en af te wachten welke effecten
het kortgedingvonnis van 27 december 2023 zou hebben voor haar cliënt, voordat zij
over zou gaan tot het starten van een nieuwe procedure. Verweersters laakbare optreden
heeft de spanningen tussen partijen alleen maar (verder) vergroot, terwijl op haar
de taak rustte om, zeker in een familiezaak als onderhavige, de-escalerend op te treden.
De raad zal daarom aan verweerster een berisping opleggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a
en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in overweging 7.3.