ECLI:NL:TADRSGR:2026:59 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-155/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:59 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-155/DH/DH |
| Onderwerp: | Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verzoek tot opheffing van artikel 60b-schorsing toegewezen onder voorwaarden toegewezen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
Van 10 maart 2026 in de zaak 26-155/DH/DH naar aanleiding van het verzoek van:
verzoeker
gemachtigde: [coach]
strekkende tot opheffing van de op verzoek van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken
door de raad bij beslissing van 5 januari 2026 aan verzoeker opgelegde schorsing voor onbepaalde tijd op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij beslissing van 5 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:2) heeft de raad
verzoeker, op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet, voor onbepaalde tijd
geschorst in de uitoefening van zijn praktijk. Ook is de voorziening getroffen dat
verzoeker, kort samengevat, een coachingstraject dient te doorlopen.
1.2 Op 24 februari 2026 heeft verzoeker een verzoek gedaan tot opheffing van
de schorsing.
1.3 Het verzoek is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Daarbij
waren verzoeker, zijn gemachtigde, de deken en een stafjurist van de deken aanwezig.
2 VERZOEK
2.1 Verzoeker legt aan zijn verzoek tot opheffing het volgende ten grondslag.
Samen met zijn gemachtigde, ook zijn coach, heeft verzoeker een plan van aanpak opgesteld.
Dat plan van aanpak is besproken met de deken en de deken heeft met het plan ingestemd
op 24 februari 2026. Op basis van de gesprekken met zijn coach en de deken in de afgelopen
weken, en vanwege de gewijzigde werkwijze op basis van het plan van aanpak, is verzoeker
van mening dat hij weer in staat moet worden geacht om zijn praktijk op een behoorlijke
wijze uit te oefenen. De deken heeft aangegeven dat zij het verzoek tot opheffing
steunt, zij het onder voorwaarden. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar
te hebben tegen een opheffing onder voorwaarden.
3 BEOORDELING
3.1 De raad is van mening dat verzoeker de kans verdient te bewijzen dat hij
weer in staat is om zijn praktijk behoorlijk uit te oefenen. Met de deken is de raad
van oordeel dat het noodzakelijk is dat verzoeker het coachingstraject vervolgt en
dat hij zich toetsbaar blijft opstellen. De raad zal daarom de volgende (aanvullende)
voorzieningen treffen, en beslist als volgt:
3.2 De raad heft de schorsing voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk
op, met toepassing van artikel 60b lid 7 van de Advocatenwet.
3.3 De raad treft als voorziening, als bedoeld in artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet,
dat verzoeker voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk wordt geschorst
als bedoeld in artikel 60b, eerste lid, van de Advocatenwet, tenzij verzoeker zich
houdt aan de navolgende voorwaarden:
o Verzoeker informeert de deken periodiek, zijnde tweemaandelijks op de eerste
dag van de maand en beginnende op 1 mei 2026, over de stand van zaken van zijn praktijkvoering
en biedt de deken daarbij op eerste verzoek inzage in zijn dossiers;
o Verzoeker verstrekt de deken op 1 juli 2026 een overzicht van de door hem,
tot op dat moment in 2026, behaalde 1) opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4
van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda) en 2) deelnamecertificaten aan
kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd
intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda;
o Verzoeker behaalt op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur 1) alle benodigde
opleidingspunten over 2026 als bedoeld in artikel 4.4 van de Voda (20 punten), 2)
alle in te halen opleidingspunten over de jaren 2023 tot en met 2025 als bedoeld in
artikel 4.5 van de Voda (19 punten) en voldoet op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59
uur aan de in 2026 vereiste deelname aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel
4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in
artikel 4.3b van de Voda;
o Verzoeker doorloopt het coachingstraject, zoals opgelegd bij de beslissing
van 5 januari 2026, volledig, waarbij verzoeker tot en met 31 december 2026 minimaal
tweemaandelijks overleg voert met de coach. Verzoeker legt aan het eind van het traject
aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject
blijkt;
3.4 De raad sluit voor deze voorziening aan bij wat bepaald is in artikel 48e
en artikel 48f van de Advocatenwet. Dit betekent dat het aan de deken is om de tenuitvoerlegging
te vorderen als zij meent dat verzoeker niet aan de voorwaarden heeft voldaan. De
raad zal verzoeker en de deken vervolgens oproepen voor een zitting, waarna de raad
zal beoordelen of de voorwaarden zijn overtreden en of tot de tenuitvoerlegging zal
worden overgegaan.
3.5 De raad bepaalt daarnaast, bij wijze van voorziening als bedoeld in artikel
60b lid 1 van de Advocatenwet, dat de voorzieningen opgelegd bij zowel de beslissing
van 5 januari 2026 (zaaknummer 25-895/DH/DH/D) als de beslissing van heden (zaaknummer
26-155/DH/DH), komen te vervallen op het moment dat onherroepelijk is beslist op het
dekenbezwaar, bij de raad bekend onder zaaknummer 25-896/DH/DH/D.
BESLISSING
De raad van discipline:
- heft de schorsing voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk op, met
toepassing van artikel 60b lid 7 van de Advocatenwet.
- treft als voorziening, als bedoeld in artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet, dat
verzoeker voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk wordt geschorst als
bedoeld in artikel 60b, eerste lid, van de Advocatenwet, tenzij verzoeker zich houdt
aan de navolgende voorwaarden:
o Verzoeker informeert de deken periodiek, zijnde tweemaandelijks op de eerste
dag van de maand en beginnende op 1 mei 2026, over de stand van zaken van zijn praktijkvoering
en biedt de deken daarbij op eerste verzoek inzage in zijn dossiers;
o Verzoeker verstrekt de deken op 1 juli 2026 een overzicht van de door hem,
tot op dat moment in 2026, behaalde 1) opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4
van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda) en 2) deelnamecertificaten aan
kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd
intercollegiale overleggen als bedoeld in artikel 4.3b van de Voda;
o Verzoeker behaalt op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59 uur 1) alle benodigde
opleidingspunten over 2026 als bedoeld in artikel 4.4 van de Voda (20 punten), 2)
alle in te halen opleidingspunten over de jaren 2023 tot en met 2025 als bedoeld in
artikel 4.5 van de Voda (19 punten) en voldoet op uiterlijk 31 december 2026 om 23.59
uur aan de in 2026 vereiste deelname aan kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel
4.3a van de Voda, dan wel gestructureerd intercollegiale overleggen als bedoeld in
artikel 4.3b van de Voda;
o Verzoeker doorloopt het coachingstraject, zoals opgelegd bij de beslissing
van 5 januari 2026, volledig en waarbij verzoeker tot en met 31 december 2026 minimaal
tweemaandelijks overleg voert met de coach. Verzoeker legt aan het eind van het traject
aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject
blijkt;
- bepaalt, bij wijze van voorziening als bedoeld in artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet,
dat de voorzieningen opgelegd bij zowel de beslissing van 5 januari 2026 (zaaknummer
25 895/DH/DH/D) als de beslissing van heden (zaaknummer 26-155/DH/DH), komen te vervallen
op het moment dat onherroepelijk is beslist op het dekenbezwaar, bij de raad bekend
onder zaaknummer 25-896/DH/DH/D.