ECLI:NL:TADRSGR:2026:58 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-042/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:58 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2026 |
| Datum publicatie: | 20-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-042/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in een strafzaak. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de openbare socialemedia-accounts van klaagster te bekijken. Verder is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat er geen minnelijke regeling tot stand is gekomen tussen de cliënt van verweerder en klaagster. De omstandigheid dat verweerder aan een minnelijke regeling de voorwaarde van geheimhouding heeft verbonden is gelet op de openbare socialemedia-accounts van klaagster niet onbegrijpelijk. Klacht is gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
18 maart 2026
in de zaak 26-042/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 20 januari 2025 met kenmerk K167 2025 ia/lb, van de
op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 08 en van de op
de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Daarnaast heeft de
voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerder van
12 februari 2026 en van de twee e-mails met bijlagen van klaagster van 13 februari
2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is betrokken in een strafzaak waarin zij wordt verdacht van stalking
van de heer H. en van het posten van smadelijke en lasterlijke berichten over de heer
H. op haar sociale media. Verweerder staat de heer H. als de benadeelde partij hierin
bij.
1.2 Verweerder heeft berichten van klaagster op haar openbare socialemediakanalen
bekeken. Een aantal van de door klaagster geposte berichten zijn als bewijs bij de
politie aangeleverd.
1.3 Op 1 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de persoonlijke socialemediakanalen van klaagster intensief
en structureel, ook na de aangifte, gemonitord, inclusief privéposts en content die
niet relevant is voor de strafzaak waar klaagster en verweerder bij betrokken zijn.
Volgens klaagster is sprake van ontoelaatbare surveillance en laster bedoeld om haar
en haar advocaten te intimideren. Klaagster stelt dat sprake is van een onrechtmatige
daad die grote gevolgen heeft gehad voor haar naam, bedrijf, eer, financiën en carrière;
b) verweerder heeft een (vrouwelijke) getuige beïnvloed en onrechtmatig ten opzichte
van deze getuige gehandeld waardoor zij ernstige schade heeft opgelopen;
c) verweerder is onvoldoende onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt en er
is sprake van belangenverstrengeling doordat verweerder zich in mediaproducties van
zijn cliënt presenteert op de platformen van zijn cliënt wordt aangekondigd als vriend
en juridisch steunpunt, verschijnt op zakelijke evenementen van zijn cliënt en actief
betrokken is bij de publieke branding van zijn cliënt;
d) verweerder is niet bereid om tot een schikking te komen, omdat hij daar de
voorwaarde aan stelt dat klaagster voor geheimhouding tekent;
e) verweerder pleegt namens zijn cliënt en in reactie op de klacht karaktermoord,
veroorzaakt door vrouwenhaat waar verweerder blijk van geeft.
2.2 De voorzitter zal hierna op de klacht ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat de vermeende lasterlijke
en smadelijke uitlatingen over zijn cliënt vrijwel allemaal via de socialemediakanalen
van klaagster zijn gedaan. Volgens verweerder kan het niet als intimiderend worden
gezien dat hij berichten van klaagster op haar socialemediakanalen heeft ingezien
en doorgezonden aan de politie, omdat het profiel van klaagster openbaar is en het
om openbare informatie gaat. Daarbij wijst verweerder erop dat het bekijken van de
socialemedia-accounts van klaagster uitsluitend verband hield met de bijstand van
zijn cliënt. Van cyberstalking of intimidatie is volgens verweerder geen sprake.
Verder voert verweerder aan dat voor de gestelde getuigenbeïnvloeding geen bewijs
is. Daarbij wijst verweerder erop dat alle relevante verklaringen door de politie
of het Openbaar Ministerie zijn opgenomen zonder zijn betrokkenheid.
Daarnaast merkt verweerder op dat het hem vrijstaat om samen met zijn cliënt incidenteel
bij publieke gelegenheden te verschijnen en dat dit voortvloeit uit gewone professionele
en sociale contacten zonder zakelijke financiële motieven.
Tot slot voert verweerder aan dat hij juist zelf het initiatief tot overleg en een
minnelijke regeling heeft genomen, maar dat daarop geen reactie van klaagster is gevolgd.
Dat hij daarbij vertrouwelijkheid als voorwaarde heeft gesteld, is volgens verweerder
geen onaanvaardbare eis gelet op de veelvuldige openbare uitingen van klaagster.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de
gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke
normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt echter steeds
af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter van geval tot geval
beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de socialemedia-accounts van klaagster
te bekijken. Het gaat om openbare socialemedia-accounts die door iedereen kunnen worden
geopend en bekeken. Het stond verweerder vrij om, ook na de aangifte, de socialemedia-accounts
van klaagster te bekijken en om de daarop door klaagster geposte berichten en content
te bekijken. Van stelselmatige monitoring, intimidatie of cyberstalking door verweerder
is, bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing, niet gebleken en verweerder heeft
dat ook betwist. Klachtonderdeel a) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk
niet-ontvankelijk
4.4 De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat
verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door getuigen te beïnvloeden.
Klaagster heeft haar verwijt hierover niet feitelijk onderbouwd en verweerder heeft
betwist dat hiervan sprake is. In zoverre is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
4.5 Voor zover klaagster met haar verwijt bedoelt dat verweerder onrechtmatig
heeft gehandeld ten opzichte van een bepaalde vrouwelijke getuige, is klaagster kennelijk
niet-ontvankelijk. Alleen degene die rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door
het handelen van een advocaat heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.
In het door klaagster gestelde geval is het de vrouwelijke getuige die rechtstreeks
in haar belang wordt getroffen, niet klaagster. Klaagster komt op dit punt dan ook
geen klachtrecht toe.
Klachtonderdeel c) is gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk
ongegrond
4.6 De voorzitter oordeelt dat de klacht over de onvoldoende onafhankelijkheid
van verweerder ten opzichte van zijn cliënt kennelijk niet-ontvankelijk is. Alleen
degene die rechtstreeks in haar belang wordt of kan worden getroffen door het handelen
van een advocaat heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in
de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt,
dan heeft de deken het recht om te klagen. Klaagster wordt door de mate van onafhankelijkheid
van verweerder ten opzichte van zijn cliënt niet rechtstreeks in haar belang getroffen.
Voor zover al sprake zou zijn van onvoldoende professionele distantie aan de zijde
van verweerder is het aan de deken om daarover een klacht in te dienen.
4.7 De voorzitter kan op grond van de stukken niet vaststellen dat sprake is
van belangenverstrengeling. Klaagster heeft haar standpunten hierover niet met feiten
onderbouwd en verweerder heeft betwist dat daarvan sprake is. Ook het klachtdossier
biedt geen aanknopingspunten voor de juistheid van het verwijt dat klaagster verweerder
maakt. Daarbij merkt de voorzitter op dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is
als verweerder met zijn cliënt op evenementen of andere publieke platformen verschijnt.
Het staat verweerder vrij om dat in overleg met zijn cliënt te doen. In zoverre is
klachtonderdeel c) dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond
4.8 De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door het niet tot stand komen van een minnelijke regeling tussen zijn cliënt
en klaagster. Hoewel een minnelijke regeling als oplossing van een geschil de voorkeur
heeft boven een gerechtelijke procedure is het geen absolute verplichting. De advocaat
dient zich hiervoor in te zetten, maar het is uiteindelijk aan de cliënt om te beslissen
of hij met de wederpartij in overleg wil treden over een oplossing buiten rechte.
De omstandigheid dat verweerder aan een minnelijke regeling de voorwaarde van geheimhouding
heeft verbonden is gelet op de openbare socialemedia-accounts van klaagster niet onbegrijpelijk.
Klachtonderdeel d) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond
4.9 Van karaktermoord en vrouwenhaat aan de zijde van verweerder namens zijn
cliënt en in zijn reactie op de klacht van klaagster is de voorzitter niet gebleken.
Verweerder behartigt als advocaat uitsluitend de belangen van zijn cliënt en in dat
kader staat het hem vrij om standpunten in te nemen die lijnrecht tegenover de standpunten
van klaagster staan. Dat betekent alleen niet dat verweerder daarmee klachtwaardig
handelt. Verder is het aan verweerder om binnen de tuchtrechtelijke kaders te bepalen
op welke wijze hij verweer voert tegen een over hem ingediende tuchtklacht. Het is
duidelijk dat klaagster het niet met dat verweer eens is, maar ook die omstandigheid
betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel e) is
kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.10 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdelen a), d) en
e), met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond
verklaren. De voorzitter zal klachtonderdelen b) en c), met toepassing van artikel
46j lid 1 onder b en c Advocatenwet, gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en voor
het overige kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdelen a), d) en e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk voor zover klaagster klaagt dat verweerder een vrouwelijke getuige
heeft beïnvloed dan wel onrechtmatig heeft behandeld, en voor het overige kennelijk
ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk voor zover klaagster klaagt over de onvoldoende onafhankelijkheid
van verweerder ten opzichte van zijn cliënt, en voor het overige kennelijk ongegrond.