ECLI:NL:TADRSGR:2026:49 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-021/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:49 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-03-2026 |
| Datum publicatie: | 20-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-021/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Verweerster heeft gedaan wat zij in juridische zin voor klaagster kon doen in haar geschil met de VvE. Daarbij heeft verweerster ook oog gehad voor de belangen van klaagster door klaagster erop te wijzen dat een eventuele procedure tegen een besluit van de VvE weinig kansrijk is en dat zij verdere werkzaamheden voor klaagster, mede gelet op haar uurtarief, niet wenselijk en verantwoord acht. Klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 4 maart 2026 in de zaak
26-021/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 12 januari 2026 met kenmerk K224 2025 ia/ak, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 12 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 9.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is eigenaar van een appartement en lid van de Vereniging van Eigenaren
(hierna: de VvE).
1.2 Klaagster heeft een geschil met de VvE over onder meer de gang van zaken
binnen de VvE, de servicekosten en afrekeningen voor de stookkosten van Techem. In
het najaar van 2024 heeft klaagster verweerster benaderd om haar hierin bij te staan.
1.3 In oktober 2024 heeft klaagster de opdrachtbevestiging van verweerster voor
akkoord getekend. Op 28 oktober 2024 heeft verweerster een declaratie aan klaagster
gestuurd.
1.4 Op 6 november 2024 heeft op het kantoor van verweerster een bespreking tussen
klaagster en verweerster plaatsgevonden.
1.5 Op 28 november 2024 heeft verweerster namens klaagster een brief aan de beheerder
van de VvE gestuurd. Daarop heeft de beheerder telefonisch contact met verweerster
opgenomen. Verweerster heeft klaagster over dit contact geïnformeerd.
1.6 Op 3 december 2024 heeft de beheerder een schriftelijke reactie met bijlagen
aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft deze reactie aan klaagster doorgestuurd.
Klaagster heeft daar op 4 december 2024 op gereageerd.
1.7 Op 5 december 2024 heeft verweerster klaagster gemaild:
‘Dank voor uw e-mail. Ik begrijp dat de situatie die zich de afgelopen jaren en
nog steeds binnen de VvE afspeelt zeer vervelend is. Echter, dat de VvE of de beheerder
u nooit te woord heeft willen staan of uw vragen nooit heeft willen beantwoorden kan
ik niet rijmen met de e-mails die ik van de beheerder heb ontvangen. Daaruit blijkt
immers dat er mediation met het bestuur heeft plaatsgevonden en dat de beheerder bereid
is geweest uw vragen te beantwoorden maar dat uw vragen hen niet duidelijk waren en
uw standpunten niet onderbouwd waren, hier kon de beheerder dus niet zoveel mee. Daarbij
komt dat ook tijdens de laatste ALV de kwestie is besproken. Dit heeft wellicht niet
tot de gewenste uitkomst geleid, maar er is wel gesproken tijdens de ALV over de kwestie.
Daarnaast begreep ik ook van de beheerder dat diverse buren u geprobeerd hebben te
helpen, maar dat dit ook niet tot een oplossing heeft geleid.
Zoals besproken tijdens onze bespreking heb ik een brief opgesteld aan de beheerder
waarin ik de beheerder op de algemene gang van zaken binnen de VE heb gewezen (…)
en tevens is de kwestie met betrekking tot de kastjes van Techem in de brief heb opgenomen
met het verzoek om dit op de eerst volgende ALV te bespreken en een besluit te nemen.
Gezien de reactie van de beheerder denk ik dat we het doel van de brief hebben bereikt
(…).
Nu het doel van de brief mijns inziens is bereikt, houden mijn werkzaamheden hier
op. Nu zal allereerst de ALV afgewacht moeten worden en de stemming over het besluit.
Mocht tegen het besluit zoals deze voor u is ingebracht, gestemd worden dan bestaat
er de mogelijkheid om binnen vier weken naar de rechter te gaan om het besluit te
laten vernietigen en een vervangende machtiging te vragen. Echter, aangezien u met
betrekking tot de afrekeningen en de kastjes van Techem met name optreed voor appartementseigenaren
die een hoger afrekening hebben gehad (…) en ik niet kan herleiden dat dat ook voor
u het geval is geweest, kan gesteld worden dat u in deze geen eigen belang heeft om
een dergelijke procedure op te starten. Een procedure acht ik dan ook weinig kansrijk.
Mede gezien ons hoge uurtarief acht ik het verrichten van werkzaamheden voor u in
dit dossier dan ook niet wenselijk en verantwoordelijk gezien de kans van slagen van
een gerechtelijke procedure.’
1.8 Op 5 januari 2025 heeft klaagster verweerster gemaild dat zij het niet eens
is met het sluiten van het dossier en dat verweerster zou zorgen voor een ‘second
opinieonderzoek’. Daarop heeft verweerster op 22 januari 2025 gereageerd:
‘Naar aanleiding van uw e-mail kan ik u als volgt berichten. U geeft aan dat ik
ervoor zou kunnen zorgen dat er een ‘second opinieonderzoek’ komt naar de afrekeningen
en de kastjes van Techem. Dat is echter niet helemaal hoe het werkt binnen een VvE.
Een VvE is een democratisch stelsel waarin de VvE leden na hiertoe te hebben gestemd,
beslissingen nemen. Ik kan dat dus niet als advocaat voor u bewerkstelligen. Wat ik
wel voor u kan doen en ik ook voor u heb gedaan is een brief sturen aan de VvE beheerder
met daarin het verzoek om tijdens de eerst volgende vergadering een besluit te nemen
over het uitvoeren van het onderzoek. Dit is in de brief die ik voor u heb verstuurd
opgenomen. Het is nu aan de VvE om te beslissen of zij dit wel of niet willen en dat
zal moeten blijken tijdens de eerstvolgende ALV. Ik heb voor nu dan ook gedaan wat
binnen mijn mogelijkheden valt.
Ik begrijp dat er het afgelopen jaren binnen de VvE een hoop mis is gegaan volgens
u. U gebruikt hiervoor zeer sterke woorden als ‘fraude’ en ‘frauduleuze bedrijf’,
maar ik kan dit niet rijmen met de stukken die ik van u heb ontvangen. Zonder bewijs
en dus zonder nadere stukken kan ik dit niet voor u hard maken en kan ik daarmee ook
niets doen richting de VvE beheerder.
Ik hoop voor u dat tijdens de eerstvolgende ALV besloten wordt dat er een onderzoek
zal gaan plaatsvinden en dat u daarmee antwoord zult krijgen op uw vragen.’
1.9 Op 3 februari 2025 heeft een telefoongesprek tussen klaagster en verweerster
plaatsgevonden.
1.10 Op 6 februari 2025 heeft klaagster gereageerd op de declaratie van het kantoor
van verweerster:
‘(…)
En waarom moet ik de rekening betalen voor geheime gesprekken met de tegenpartij
in achteraf kamertjes waar ik niets van weet. Ik vind dit niet normaal.
Krijg wel een rekening. Voor mij word niets gedaan, mag alleen veel geld betalen
voor gebakken lucht.’
1.11 Op 14 februari 2025 heeft verweerster klaagster bericht dat sprake is van
een vertrouwensbreuk en dat zij gehouden is om de opdracht van klaagster terug te
geven:
‘(…)
Uw e-mail van 6 februari 2025 en ons telefoongesprek van 3 februari 2025 hebben
mij doen besluiten om de opdracht die u mij heeft gegeven terug te geven in verband
met een vertrouwensbreuk. De advocatenregels schrijven mijn in het geval van een vertrouwensbreuk
voor dat ik mijn werk neer moet leggen. Dat is dan ook wat ik nu doe. Het feit dat
u aangeeft dat ik met de wederpartij geheime gesprekken in achteraf kamertjes zou
hebben gehad, dat u aangegeven heeft geen vertrouwen meer te hebben in de behandeling
van de zaken en het feit dat u mij beschuldigt van het meewerken aan de fraude van
VvE, maken dat er sprake is van een vertrouwensbreuk en dat ik mijn werkzaamheden
niet op goede manier voort kan zetten. Uw ongefundeerde en onterechte beschuldigingen
werp ik verre van mij.
Het betreurt mij dat dit zo heeft moeten lopen. Mijn collega zal zorgdragen voor
de verdere afwikkeling van het dossier. Hiervan zult een afschrift ontvangen. Ik wens
u in ieder geval al het beste en hoop dat de VvE zal besluiten dat er een onderzoek
naar Techem plaats zal moeten gaan vinden.’
1.12 Op 14 en 16 februari 2025 heeft klaagster verweerster gemaild.
1.13 Op 17 februari 2025 heeft verweerster gereageerd op de e-mails van klaagster
van
14 en 16 februari 2025:
‘Ik heb uw onderstaande berichten (14 en 16 februari jl.) gelezen en naar aanleiding
daarvan bericht ik u als volgt. Helaas kan ik uw berichten niet volgen en begrijp
ik niet wat u in reactie op mijn e-mail aangeeft. Het lijkt ook geen reactie op hetgeen
ik heb geschreven. Kennelijk begrijpen/volgen wij elkaar niet. Dit bevestigt dan ook
dat ik niet de juiste advocaat voor u ben. Ik zal nu overgaan tot het sluiten van
het dossier.’
1.14 Op 11 mei 2025 heeft klaagster bij het kantoor van verweerster een klacht
over verweerster ingediend. Op 19 mei 2025 is aan klaagster gemaild dat het dossier
gesloten is en dat verweerster de zaak van klaagster niet meer behandelt.
1.15 Op 20 mei 2025 heeft klaagster het kantoor van verweerster laten weten het
er niet mee eens te zijn.
1.16 Op 28 mei 2025 heeft een kantoorgenoot van verweerster inhoudelijk op de
klacht van klaagster gereageerd.
1.17 Op 5 september 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster
ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij in het geschil van klaagster met de VvE te weinig voor klaagster
heeft gedaan, terwijl klaagster wel de factuur van verweerster mag betalen. Volgens
klaagster heeft verweerster een brief geschreven, waarna zij klaagster telefonisch
heeft laten weten niets te willen doen, zodat de VvE zich niet heeft hoeven verantwoorden.
Verweerster heeft het dossier gesloten, terwijl klaagster daar niet vanaf wist.
2.2 De voorzitter zal hierna op de klacht ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat zij voor klaagster
heeft gedaan wat zij op dat moment juridisch kon doen in het geschil met de VvE en
dat zij dit ook aan klaagster heeft uitgelegd. Ook voert verweerster aan dat zij klaagster
ook heeft uitgelegd dat eerst de ALV afgewacht moest worden voordat verdere actie
nuttig zou zijn. Volgens verweerster verwachtte klaagster dingen van haar die onmogelijk
zijn en heeft zij dit ook aan klaagster uitgelegd. Daarbij verwijst verweerster naar
de door haar overgelegde correspondentie.
Verder voert verweerster aan dat klaagster haar tijdens het telefoongesprek op
3 februari 2025 ten onrechte heeft beticht van het samenspannen met de wederpartij,
van geheime gesprekken in achterkamertjes en van het meewerken aan de fraude binnen
de VvE, waardoor klaagster geen vertrouwen in verweerster had. Volgens verweerster
heeft de opdracht vervolgens aan klaagster teruggegeven.
Tot slot voert verweerster aan dat op de klacht van klaagster serieus is ingegaan.
Daarbij verwijst verweerster naar de e-mail van haar kantoorgenoot aan klaagster van
28 mei 2025.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
De klacht is kennelijk ongegrond
4.2 De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat
verweerster in haar bijstand aan klaagster op enigerlei wijze tekort is geschoten.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster, na haar bespreking met klaagster,
een brief aan de beheerder van de VvE heeft gestuurd (zie 1.5), dat zij telefonisch
contact met de beheerder heeft gehad en dat zij de schriftelijke reactie van de beheerder
aan klaagster heeft doorgestuurd. Verder blijkt dat verweerster klaagster op 5 december
2024 (zie 1.7) en 5 januari 2025 (zie 1.8) heeft uitgelegd dat het doel van haar brief
aan de VvE beheerder is bereikt – het informeren van de beheerder over de gang van
zaken binnen een VvE en het bespreken van de Techem-kwestie op de eerstvolgende ALV
– en dat de eerstvolgende ALV zal moeten worden afgewacht. Daarmee heeft verweerster
gedaan wat zij op dat moment in juridische zin voor klaagster kon doen richting de
VvE, namelijk het informeren van de VvE-beheerder over de standpunten van klaagster
en over de juiste gang van zaken binnen een VvE, waarbij verweerster heeft vermeld
dat klaagster de VvE-beheerder aansprakelijk stelt als blijkt dat de VvE-regels niet
worden nageleefd. Ook heeft verweerster daarbij oog gehad voor de belangen van klaagster
door klaagster erop te wijzen dat een eventuele procedure tegen een besluit van de
VvE weinig kansrijk is en dat zij verdere werkzaamheden voor klaagster, mede gelet
op haar uurtarief, niet wenselijk en verantwoord acht. De voorzitter begrijpt dat
klaagster teleurgesteld is dat haar geschil met de VvE niet is opgelost, maar dat
kan verweerster niet worden verweten. In zoverre is de klacht dan ook kennelijk ongegrond.
4.3 Voor wat betreft het sluiten van het dossier door verweerster stelt de voorzitter
op grond van het klachtdossier vast dat in februari 2025 een vertrouwensbreuk tussen
klaagster en verweerster is ontstaan na het telefoongesprek op 3 februari 2025 (zie
1.9) en de reactie van klaagster van 6 februari 2025 (zie 1.10) nadat klaagster was
gewezen op de declaratie van verweerster. In geval van een vertrouwensbreuk is een
advocaat gehouden om de werkzaamheden voor een cliënt te beëindigen. Verweerster heeft
klaagster op 14 en 17 februari 2025 (zie 1.11 en 1.13) laten weten dat zij de opdracht
aan klaagster teruggeeft en dat zij overgaat tot sluiting van het dossier. Klaagster
had er dus redelijkerwijs van op de hoogte kunnen zijn dat verweerster haar werkzaamheden
voor klaagster had beëindigd en het dossier had gesloten. In zoverre is de klacht
eveneens kennelijk ongegrond.
4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.