ECLI:NL:TADRSGR:2026:44 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-250/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:44 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 19-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-250/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over nalatigheid, belangenverstrengeling en het niet nakomen van verplichtingen als advocaat ongegrond. Van belangenverstrengeling is geen sprake, omdat klager geen cliënt van verweerster is geweest. De rolregistratie (waarin verweerster als klagers advocaat stond vermeld) is niet leidend. Het was allereerst de taak van klagers eigen advocaat om hem te informeren over de stand van zaken. Verweerster treedt op als advocaat van de curator en behartigt daarom niet klagers belangen, maar die van de curator. Niet gebleken dat verweerster klagers belangen nodeloos of op ontoelaatbare wijze heeft geschaad. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaak 25-250/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K224 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij
waren klager, verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klager van 6 januari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft geruime tijd de zender Fresh FM geëxploiteerd, voornamelijk
via de Stichting Commerciële Omroep Exploitatie ZH (Scoezh). Klager en/of Scoezh heeft
een geschil (gehad) met Vereniging Buma (Buma) en Stichting ter exploitatie van naburige
rechten (Sena), onder meer over aan Buma en Sena te betalen afdrachten.
2.3 Op enig moment hebben Buma en Sena klager als bestuurder van Scoezh persoonlijk
aansprakelijk gesteld.
2.4 In 2016 zijn Buma en Sena een bodemprocedure tegen klager en Scoezh gestart
bij de rechtbank. Buma en Sena vorderen in die procedure onder meer 1) een verbod
voor klager op verdere inbreuken op auteursrechten (inbreukverbod) op straffe van
dwangsommen en/of lijfsdwang van klager in privé, 2) schadevergoeding wegens bestuurdersaansprakelijkheid
(dat klager uit hoofde van onrechtmatige daad in privé en/of in zijn hoedanigheid
van bestuurder van Scoezh jegens Buma en Sena aansprakelijk is voor de schade die
bestaat uit de vorderingen van Buma en Sena op Scoezh).
2.5 Op 20 maart 2018 is klager persoonlijk failliet verklaard op aanvraag van
onder meer Buma en Sena. Mr. D, een kantoorgenoot van verweerster, is daarbij door
de rechtbank aangesteld als curator. Als gevolg van het faillissement is de bodemprocedure
geschorst, zodat de curator in het geding kon worden opgeroepen.
2.6 Op 5 juli 2018 is ook Scoezh door de rechtbank failliet verklaard.
2.7 Tijdens de verificatievergadering van 1 mei 2019 heeft de curator de vordering
van Buma en Sena (deels) betwist. Vanwege deze betwisting door de curator is verder
geprocedeerd, waarbij de curator als zelfstandig procespartij in de door Buma en Sena
aangespannen bodemprocedure is verschenen.
2.8 Ook de aan klager gelieerde vennootschap [Y] Holding BV (hierna: [Y]) heeft
de vordering van Buma en Sena betwist. Ook [Y] is als procespartij toegelaten in de
bodemprocedure. Bovendien heeft [Y] gesteld dat klager haar onrechtmatig en onbehoorlijk
heeft bestuurd. [Y] zou deswege een schade hebben geleden van € 1,5 miljoen. De curator
heeft deze vordering betwist. Deze betwiste vordering is verwezen naar een renvooiprocedure.
2.9 Op 19 november 2018 heeft de curator aan klager en zijn advocaat mr. E onder
meer geschreven:
“Bij vordering sub 2 – wel gericht tegen [klager] – heeft Buma/Sena naar onze mening
geen belang (meer). Er bestaat inhoudelijk bij toe- of afwijzing van die vordering
overigens geen enkel boedelbelang, anders dan een mogelijke proceskostenveroordeling.
Onze gedachte: [mr. H] zou zich namens mij kunnen ‘stellen’ om in de procedure formeel
duidelijk te maken dat Buma/Sena geen belang heeft bij deze vordering, en deze in
zoverre dient te worden afgewezen. Dit niet zozeer om zo een proceskostenveroordeling
te voorkomen, als wel die te verkrijgen ten laste van Buma/Sena. Kunnen jullie morgen
aangeven hoe jullie hier tegenaan kijken en indien je meent dat ik in het geding moet
komen, bevestigen dat daarmee gemoeide kosten zullen worden vergoed (graag ook duidelijk
maken: door wie) indien het faillissement in cassatie wordt vernietigd?”
Mr. H was op dat moment een kantoorgenoot van de curator.
2.10 Op 20 november 2018 heeft mr. E gereageerd en aan klager en de curator onder
meer geschreven:
“Wat mij betreft ziet de inspanning van [mr. H] er wel degelijk ook op om een proceskostenveroordeling
te voorkomen (naast uiteraard dat te verkrijgen te laste van B&S). Dat is ook een
boedelbelang.
@[Klager]: als het faillissement in cassatie vernietigd wordt, dan moeten de kosten
van [mr. H] inderdaad worden vergoed. Kan jij dat bevestigen? Dit zijn kosten die,
buiten het faillissement, ik anders zou hebben gemaakt en die je mij zou hebben moeten
betalen. Zij het dat [mr. H] z’n werkzaamheden als gevolg van de faillissement een
stuk beperkter zullen zijn.”
2.11 Klager heeft diezelfde dag aan mr. E en de curator laten weten dat hij akkoord
is.
2.12 Op 15 juli 2020 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen in
de bodemprocedure. In het vonnis staan als gedaagden vermeld:
1. Scoezh, bijgestaan door mr. E (onttrokken);
2. Klager, bijgestaan door mr. H;
3. De curator, bijgestaan door mr. Van V;
4. [Y] Holding BV, bijgestaan door mr. Van O.
De rechtbank heeft het inbreukverbod toegewezen. De rechtbank heeft verder geoordeeld
dat klager als bestuurder dusdanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens Buma en Sena
dat hem een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, waaruit volgt dat klager aansprakelijk
is voor de door Buma en Sena als gevolg daarvan geleden schade. De rechtbank achtte
zich echter onvoldoende voorgelicht om te kunnen vaststellen welke schade Buma en
Sena hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van klager. De rechtbank
heeft bepaald dat hierover een nader debat tussen partijen moet plaatsvinden.
2.13 Bij tussenvonnis van 9 september 2020 heeft de rechtbank beslist dat van
het tussenvonnis van 15 juli 2020 hoger beroep kan worden ingesteld. Klager, de curator
en [Y] hebben op 6 oktober 2020 hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van
de rechtbank.
2.14 Verweerster, een kantoorgenoot van de curator, is vanaf februari 2022 bij
de zaak betrokken. Op 16 februari 2022 heeft zij een brief aan de rechtbank Amsterdam
geschreven met als onderwerp “[klager] / FAILLISSEMENT”. In de brief heeft zij de
rechtbank geïnformeerd over het pleidooi dat op 18 december 2021 in hoger beroep had
plaatsgevonden en heeft zij de rechtbank namens alle partijen verzocht op korte termijn
vonnis te wijzen in de lopende zaak. Zij heeft de brief ondertekend als procesadvocaat.
De brief is in kopie gestuurd aan onder meer mrs. H en Van O.
2.15 Het dossier bevat een bij de rechtbank Amsterdam door het kantoor van verweerster
ingediend B8-formulier van 17 februari 2022, waarop verweerster staat vermeld als
advocaat van klager. Als advocaat van [Y] staat mr. Van O vermeld. De curator staat
niet als gedaagde vermeld op het formulier.
2.16 Op 22 februari 2022 heeft de curator aan klager en mr. Van V (met verweerster
in de cc) onder meer geschreven:
“Wij hebben de rechtbank geïnformeerd cf. bijgaand bericht en een advocaatwissel
doorgevoerd ([verweerster] ipv [mr. H]).”
2.17 Uit het roloverzicht van de rechtbank blijkt dat op 9 maart 2022 op de rol
een advocaatwijziging heeft plaatsgevonden, waarbij mr. H is vervangen. De curator
staat niet als partij/gedaagde vermeld op het roloverzicht.
2.18 Op 13 juli 2022 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen in
de bodemprocedure (ECLI:NL:RBAMS:2022:4168). In het vonnis staan als gedaagden vermeld:
1. Scoezh, bijgestaan door mr. E (onttrokken);
2. Klager, bijgestaan door verweerster;
3. De curator, bijgestaan door mr. Van V;
4. [Y] Holding BV, zonder advocaat.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“2.19. Verder wordt geconstateerd dat partijen de rechtbank niet uit eigen beweging
hebben ingelicht over het ingestelde tussentijds hoger beroep. Pas nadat de rechtbank
daarover nadere informatie heeft gevraagd (…) hebben de curator, [Y] en Buma en Sena
op 16 december 2020 de rechtbank meegedeeld dat tussentijds hoger beroep is ingesteld
op 6 oktober 2020 en hebben zij de rechtbank gevraagd (eind)vonnis te wijzen. (…)
2.34. De brief van 16 februari 2022 is aan de rechtbank gestuurd door de advocaat
van [klager] en daarom kennelijk ook als bericht van de procespartij [klager]. Bij
deze rechtbank is echter slechts bekend dat [klager] in faillissement verkeert en
dat [mr. D] (van hetzelfde advocatenkantoor maar een andere vestigingsplaats als de
advocaat die [klager] bijstaat) als curator in het faillissement van [klager] is verschenen,
zodat [klager] buiten dit geding staat (…)
2.36. Verder blijkt uit het proces-verbaal van het hof dat de curator in die
appelprocedure nog procespartij is. Is er tussen 16 december 2021 en 16 februari 2022
een verandering gekomen in het faillissement van [klager]? Van procesvertegenwoordigers
in civiele processen mag worden verwacht dat zij de rechtbank (en in dit geval ook
het hof) uit eigen beweging zullen informeren over een dergelijke belangrijke ontwikkeling.
Omdat de rechtbank geen bericht heeft ontvangen over een verandering van en in het
faillissement van [klager], is het uitgangspunt dat voor deze procedure geldt dat
het faillissement van [klager] nog niet is beëindigd, en dat de curator nog immer
procespartij in deze procedure (en de appelprocedure) is. (…)
De rechtbank (…) schorst de procedure in afwachting van de uitkomst van het ingestelde
tussentijds hoger beroep van de tussenvonnissen van 15 juli 2020 en 9 september 2020”.
2.19 Op 21 februari 2024 heeft mr. Van V aan de curator onder meer gevraagd of
hij een belangentegenstelling ziet. De curator heeft hierop gereageerd en onder meer
geschreven:
“Ik wil niet verder procederen tegen Buma/Sena. [Klager] wel. Dat betekent dat onze
belangen niet parallel lopen. (…)
Als gedurende de behandeling van een zaak, c.q. verlening van juridische bijstand
een belangentegenstelling ontstaat, is er volgens mij sprake van dat je je als advocaat
terug moet trekken (gedragsregel 15). (…) betekent dit volgens mij dat jij je als
advocaat van ondergetekende zult moeten onttrekken – en kan [verweerster] zich stellen.
Ik zie graag je opvatting omtrent de uitleg van gedragsregel 15 tegemoet voor zover
het gaat om de vraag of je wel [klager] kunt vertegenwoordigen in de Buma/Sena procedures,
rekening houdend met bovengenoemd belang.”
Verweerster heeft een kopie van deze correspondentie ontvangen.
2.20 Op 24 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in de renvooiprocedure
tussen [Y] en de curator. De curator is in deze procedure bijgestaan door verweerster.
De rechtbank heeft de vorderingen van [Y] afgewezen.
2.21 Op 14 mei 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest (ECLI:NL:GHAMS:2024:1308)
gewezen naar aanleiding van het door klager, de curator en [Y] ingestelde hoger beroep
(zie 2.13). Klager, de curator en [Y] zijn in het hoger beroep bijgestaan door mr.
Van V. Het gerechtshof heeft het vonnis van 15 juli 2020 bekrachtigd voor zover het
gaat om het aan klager opgelegde inbreukverbod. Het gerechtshof heeft het vonnis vernietigd
voor zover het gaat over de in het faillissement van klager ingediende vorderingen
van Buma en Sena, omdat de aansprakelijkheid onlosmakelijk verbonden is met de nog
niet door de rechtbank beantwoorde vraag naar de hoogte van de vordering van Buma
en Sena op Scoezh. Het gerechtshof heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam
voor verdere afdoening.
2.22 Op 15 mei 2024 stuurt klager het arrest van het gerechtshof van 14 mei 2024
aan onder meer verweerster en de curator, waarbij klager schrijft:
“Nu op al deze punten al akten zijn genomen kunnen partijen in de bodem Amsterdam
mi vonnis vragen.”
2.23 Op 17 juni 2024 heeft klager een (concept) verzoek ex art. 69 Faillissementswet
aan de curator gestuurd.
2.24 Op 19 juni 2024 heeft de curator gereageerd en onder meer geschreven dat
hij de rechtbank zelf zal vragen om een datum voor een akte, waarbij de rechtbank
op de hoogte kan worden gebracht van de laatste ontwikkelingen (met als laatste ontwikkeling
het arrest van het gerechtshof Amsterdam).
2.25 Diezelfde dag heeft klager in een reactie aan de curator onder meer geschreven
dat hij het arrest van het gerechtshof heeft besproken met de cassatieadvocaat, dat
hij vooralsnog geen voorstander is van cassatie, maar dat hij in cassatie zal gaan
als hij in de akte van de curator een poging leest de procedure te beëindigen.
2.26 Op 11 juli 2024 heeft mr. Van V aan de curator onder meer geschreven:
“…Als ik mij afzijdig houd, gaat [klager] een klacht indienen en als ik zonder jouw
instemming verder ga, riskeer ik een klacht van jou.”
2.27 Op 24 juli 2024 heeft cassatieadvocaat mr. Z aan mr. Van V onder meer geschreven
dat het arrest van 14 mei 2024 een (zuiver) tussenarrest is en dat tegen het nog door
de rechtbank te wijzen eindvonnis kan worden geappelleerd, waarna tegen het te wijzen
eindarrest cassatieberoep open staat.
2.28 Mr. Van V heeft, namens klager, het gerechtshof gevraagd om de mogelijkheid
van cassatie open te stellen tegen het arrest van 14 mei 2024. De curator heeft zich
tegen deze mogelijkheid verzet. Op 6 augustus 2024 heeft het gerechtshof bepaald dat
cassatie tegen het arrest mogelijk is.
2.29 Op 12 september 2024 heeft klager een mail gestuurd aan de rechtbank Amsterdam,
waarin hij de rechtbank onder meer heeft geïnformeerd over het arrest van 14 mei 2024.
In zijn e-mail schrijft hij onder meer:
“[Verweerster] staat in bovengenoemde uitspraak vernoemd als mijn advocaat maar
ik heb nimmer opdracht gegeven aan [verweerster].
[Mr. V] staat als advocaat van [curator], echter heeft [mr. V] in het hoger beroep
ook opgetreden namens [Y] en wordt [mr. V] nu bedreigd door de curator [curator] met
klachten ivm mogelijke onbevoegdheid of een tegenstrijdig belang.”
2.30 De rechtbank heeft klager er op 13 september 2024 op gewezen dat in de procedure
sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging en dat een bericht van de advocaten
wordt afgewacht.
2.31 Op 14 oktober 2024 heeft verweerster in een brief aan de rechtbank onder
meer geschreven:
“Op 9 februari 2022 is [mr. H] als procesadvocaat vervangen door ondergetekende.
De rolregistratie volgend, is die wijziging aangetekend als een vervanging van de
procesadvocaat van [klager]. Formeel is het niet de bedoeling geweest dat ondergetekende
fungeerde als procesadvocaat van [klager], waar het zijn niet-vermogensrechtelijke
belangen betreft – het inbreukverbod. (…)
Thans heeft [mr. V] zich i.v.m. de tegen [klager] gerichte inbreukvordering als
procesadvocaat voor [klager] gesteld. Hij treedt daarnaast op als procesadvocaat van
[Y] Holding B.V..
Ondergetekende onttrekt zich daarom voor zoveel nodig formeel als advocaat van [klager],
en ondergetekende stelt zich als advocaat van [mr. D] q.q./in zijn hoedanigheid van
curator van [klager].”
2.32 Op 16 oktober 2024 heeft verweerster gereageerd op de conceptklacht die
klager haar had toegestuurd. Verweerster schrijft onder meer: p. 22
“Je bent nooit mijn cliënt geweest. Je hebt mij ook nooit als zodanig beschouwd:
jouw belangen en de gelijk oplopende belangen van [Y] Holding zijn altijd behartigd
door de diverse advocaten die jou bijstonden of bijstaan: mr. [D], mr. [Van O], mr.
[X] en [Van V]. (…)
De rechtbank kan theoretisch ook nog vaststellen dat jij niet aansprakelijk bent
jegens Buma/Sena, maar die kans acht ik lager dan 1%. Immers, de rechtbank heeft hier
al een uitspraak over gedaan en de uitspraak van het hof luidt niet dat jij niet aansprakelijk
bent, alleen maar dat het voorbarig is iemand aansprakelijk te houden voor een vordering
die niet vaststaat (zou die vordering nihil bedragen, dan kan je er uiteraard ook
niet voor aansprakelijk zijn).”
2.33 Op 30 oktober 2024 heeft verweerster, namens de curator een akte ingediend
bij de rechtbank Amsterdam. De akte maakt integraal onderdeel uit van het klachtdossier.
In de akte wordt de rechtbank onder meer geïnformeerd over het arrest van het gerechtshof
van 14 mei 2024. In randnummer 17 van de akte schrijft verweerster onder meer:
“De vraag is of [klager] in de onderhavige procedure bij uw rechtbank nu nog terug
kom komen op c.q. stellingen kan innemen over de inbreukvordering. Er is (zie hierna)
geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Indien en voor zover het
hof met haar beslissingen als boven vermeld een bindende eindbeslissing heeft gegeven
omtrent het inbreukverbod, zou dat kunnen betekenen dat [klager] thans, in de procedure
bij uw rechtbank, niet meer effectief het gevorderde inbreukverbod kan bestrijden”
2.34 Op 8 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster
ingediend. Verweerster heeft bij brief van 4 december 2024 op de klacht gereageerd,
waarbij zij heeft vermeld: ‘Betreft: [klager] / FAILLISSEMENT”.
2.35 Uit een actueel (tot januari 2025) roloverzicht van de rechtbank Amsterdam
blijkt dat mr. Van V optreedt voor klager en [Y]. Verweerster treedt op voor de curator.
2.36 Bij vonnis van 10 december 2025 heeft de rechtbank Amsterdam beslist op
de in 2016 door Buma en Sena gestarte bodemzaak. De rechtbank heeft het inbreukverbod
toegewezen, de vordering van Buma in het faillissement van klager gesteld op € 50.292,38,
de vordering van Sena in het faillissement van klager gesteld op € 50.210,97 en de
curator bevolen de vastgestelde vorderingen te erkennen en op de lijst van erkende
crediteuren in het faillissement van klager te plaatsen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster ernstige nalatigheid, belangenverstrengeling en het niet nakomen van haar
verplichtingen als advocaat, wat klagers rechtspositie aanzienlijk heeft geschaad.
Klager wijst concreet op het volgende:
a) Belangenverstrengeling: verweerster handelde eerst als klagers belangenbehartiger
en later als advocaat van de curator. Door de overstap van verweerster naar de vertegenwoordiging
van de curator, ontbreekt nu een onafhankelijke vertegenwoordiging van klagers belangen.
Als advocaat van de curator vertegenwoordigt verweerster nu een positie die klagers
belangen direct schendt. Verweerster handelt in strijd met gedragsregel 15.
b) Verweerster vertegenwoordigde klager aanvankelijk in de procedure tegen Buma
en Sena, maar ondanks haar rol als klagers advocaat heeft zij:
- nagelaten klager adequaat te informeren over de stand van zaken, inclusief
het arrest van 14 mei 2024;
- nagelaten de rechtbank Amsterdam tijdig te informeren over het arrest van 14
mei 2024, ondanks de duidelijke verplichting daartoe zoals door de rechtbank benadrukt
in de uitspraak van 13 juli 2022;
- niet gereageerd op klagers herhaalde verzoeken om actie te ondernemen en overleg
te voeren over de voortgang van de zaak.
c) Verweerster schaadt klagers belangen in de lopende bodemprocedure, door feiten
en omstandigheden naar voren te brengen over de vermeende onbevoegdheid en de status
van de vorderingen van [Y]. Ook heeft zij in de akte van 30 oktober 2024 stellingen
opgenomen die klagers belangen schaden en een stelling die juridisch onjuist is.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster betwist dat
zij heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 15. Verweerster betwist dat zij klagers
advocaat is geweest. Zij heeft toegelicht dat de bedoeling was dat mr. H met name
voor de curator zou gaan optreden als procesadvocaat, maar omdat op dat moment ook
de inbreukvordering voorlag is mr. H op enig moment als (proces)advocaat van klager
bij de rechtbank geregistreerd. Dat had van doen met de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling
van ofwel de boedel, ofwel Buma en Sena. Omdat de belangen van de curator, klager
(privé) en [Y] gelijk opliepen voor zover het ging om de betwisting in de bodemprocedure
van de vordering van Buma en Sena, is op enig moment afgesproken dat mr. Van V (op
kosten van [Y]) als procesadvocaat ook de belangen van de curator in de bodemprocedure
zou behartigen. Op dat moment had dat ook op de rol moeten worden gewijzigd. Dat is
niet gebeurd.
Verweerster is vanaf 2022 betrokken bij de afwikkeling van het faillissement, omdat
mr. H toen aftrad als advocaat. Verweerster is toen per vergissing geregistreerd als
(opvolgend) procesadvocaat van klager. Inhoudelijk heeft verweerster klager nooit
vertegenwoordigd, geadviseerd of anderszins als zijn advocaat opgetreden: wel voor
zover het zijn vermogensrechtelijke belangen betreft, maar dat komt uiteraard neer
op vertegenwoordiging van de curator als zodanig. Klager (en [Y]) zijn door diverse
advocaten vertegenwoordigd geweest en worden ook nog steeds door advocaten vertegenwoordigd.
De deels verwarrende en eigenlijk onjuiste rolregistratie is nooit een issue geweest.
Kortgeleden is dat hersteld, mede omdat de rolregistratie ook op een ander punt niet
klopte (de curator was helemaal niet meer als procespartij vermeld op de rol).
4.2 Verweerster heeft klager samen met de curator voortdurend op de hoogte gehouden
van de ontwikkelingen in het faillissement. Via [Y] is klager kennelijk geïnformeerd
over het arrest van 14 mei 2024. Klager heeft dit arrest zelf een dag later naar de
curator gestuurd. Omdat klager aankondigde dat hij mogelijk cassatieberoep tegen het
arrest zou instellen, is in overleg met de advocaat van Buma en Sena besloten te wachten
met het bericht aan de rechtbank. Door tussentijds cassatieberoep zou de zaak namelijk
weer lang stil komen te liggen. Op 15 september 2024 liet klager weten dat hij toch
geen cassatieberoep in zou stellen. Vervolgens hebben partijen in de bodemprocedure
akte genomen.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid
en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen
te nemen.
Klachtonderdeel a) – belangenverstrengeling
5.2 Gedragsregel 15 lid 1 bepaalt dat het een advocaat, gelet op zijn gehoudenheid
aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid niet is toegestaan,
behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid van deze gedragsregel:
a. tegelijkertijd voor meer dan één partij op te treden in een zaak waarin deze
partijen een tegengesteld belang hebben;
b. tegen een cliënt of een voormalig cliënt op te treden.
5.3 De raad zal allereerst eerst beoordelen of verweerster als advocaat voor
klager heeft opgetreden. Klager stelt namelijk dat dit het geval is en wijst op de
rolregistratie en de processtukken. Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist (zie
hiervoor onder verweer).
5.4 Duidelijk is dat verweerster vanaf februari 2022 op de rol van de rechtbank
geregistreerd heeft gestaan als advocaat van klager, als opvolger van mr. H. Dat is
ook het enige aspect waaruit zou kunnen volgen dat verweerster klagers advocaat was.
De rolregistratie is echter niet leidend. Verweerster heeft voldoende toegelicht hoe
die rolregistratie tot stand is gekomen, waarom die rolregistratie niet correct was
en dat zij nooit als klagers advocaat heeft opgetreden. De raad acht die verklaring
aannemelijk. Klager heeft onvoldoende gesteld waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk
ooit de indruk heeft gehad dat verweerster feitelijk voor hem optrad. Klager heeft
juist aan de rechtbank laten weten dat hij nooit opdracht heeft gegeven aan verweerster
(zie 2.29). Klager en/of zijn holding [Y] werden ook steeds bijgestaan door andere
advocaten, waaronder mr. E en mr. Van V. Daarmee staat naar het oordeel van de raad
voldoende vast dat verweerster niet klagers advocaat is geweest. Het verwijt van belangenverstrengeling
(gedragsregel 15) treft dus geen doel, omdat klager geen cliënt van verweerster is
of is geweest. Verweerster heeft ook niet voor meer dan één partij opgetreden, zodat
ook daarom geen sprake is van belangenverstrengeling. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) – informatievoorziening
5.5 Klager verwijt verweerster dat zij in haar rol als zijn advocaat tekort is
geschoten in het informeren van klager en de rechtbank en niet heeft gereageerd op
klagers herhaalde verzoeken om actie te ondernemen en overleg te voeren over de voortgang
van de zaak. De raad heeft hiervoor al vastgesteld dat verweerster niet klagers advocaat
was. Verweerster is als advocaat van de curator niet gehouden om klager te informeren
over de stand van zaken in de procedure. Het was de taak van klagers eigen advocaat
om hem hierover te informeren (waaronder over het arrest van 14 mei 2024) en te reageren
op verzoeken om actie en overleg. Vast staat overigens dat klager zelf op 15 mei 2024
op de hoogte was van het arrest van het gerechtshof. Hij mailde het arrest op die
datum aan onder meer de curator en verweerster (zie 2.22). Als klager had gewild dat
de rechtbank Amsterdam over dit arrest direct werd geïnformeerd, had hij zijn eigen
advocaat daartoe opdracht moeten geven. Verweerster heeft overigens toegelicht dat
klager in cassatieberoep wilde gaan tegen het arrest van 14 mei 2024 en dat daarom
is besloten te wachten met het informeren van de rechtbank tot daarover duidelijkheid
was. Mr. Van V heeft namens klager aan het gerechtshof gevraagd om de mogelijkheid
van cassatie open te stellen. Dat heeft het gerechtshof ook gedaan. In augustus of
september 2024 bleek vervolgens dat klager toch geen cassatieberoep zou gaan instellen.
Verweerster heeft de rechtbank vervolgens in haar akte van 30 oktober 2024 (onder
meer) geïnformeerd over het arrest van het gerechtshof. De raad ziet in het voorgaande
geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c) – verweersters optreden in de procedure
5.6 Klager verwijt verweerster dat zij, als advocaat van de curator, zijn belangen
schaadt. Hier geldt dat verweerster niet klagers belangen, maar die van de curator
behartigt. Verweerster treedt dus op als partijdig belangenbehartiger van de curator.
Het is duidelijk dat klager het met een aantal van de door verweerster ingenomen stellingen
niet eens is, maar dat maakt niet dat verweerster klagers belangen nodeloos of op
ontoelaatbare wijze schaadt. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Aanvullende overwegingen
5.7 In zijn repliek heeft klager in aanvulling onder meer geklaagd over de informatievoorziening
door verweerster bij de verkoop van het ouderlijk huis van zijn overleden vader. Ook
noemt klager het rauwelijks dagvaarden in de StAK-procedure, disproportionele faillissementskosten
en een ongeautoriseerde huisdoorzoeking. Deels lijken deze klachten op het handelen
van de curator te zien. Voor zover deze klachten zien op het handelen en/of nalaten
van verweerster, geldt dat klager deze klachten niet met stukken heeft onderbouwd,
zodat de raad de juistheid daarvan niet kan vaststellen. De raad ziet in het klachtdossier
geen aanknopingspunten dat verweerster de kosten van de klachtprocedure aan de boedel
toe wil rekenen, zoals klager stelt. Deze verwijten zijn ongegrond.
5.8 Voor zover klager in zijn aanvulling van 6 januari 2026 nieuwe klachten naar
voren heeft gebracht, geldt dat de raad deze buiten beschouwing heeft gelaten, zoals
ook op de zitting van 19 januari 2026 aan partijen is meegedeeld.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.