ECLI:NL:TADRSGR:2026:42 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-827/DH/DH/D 25-828/DH/DH/TUL
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 19-03-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar en verzoek tenuitvoerlegging. Verweerder heeft in strijd gehandeld met de aan hem opgelegde schorsing in de uitoefening van de praktijk, door tijdens de schorsingsperiode met cliënt en in toga op een zitting te verschijnen. Gelet op de ernst van het verwijt en verweerders tuchtrechtelijk verleden wordt een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd.Verweerder liep in de proeftijd van een voorwaardelijke schorsing. Tijdens deze proeftijd heeft hij de schorsingsvoorwaarden overtreden. Het verzoek tot tenuitvoerlegging komt daarmee voor toewijzing in aanmerking. De raad acht volledige tenuitvoerlegging niet proportioneel gelet op de omstandigheden in deze zaak. De raad gelast daarom gedeeltelijke tenuitvoerlegging. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 maart 2026 in de zaken 25-827/DH/DH/D en 25-828/DH/DH/TUL naar aanleiding van het bezwaar van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 november 2025 heeft de deken een dekenbezwaar (25-827/DH/DH/D) alsmede
een verzoek tot tenuitvoerlegging (25-828/DH/DH/TUL) ingediend bij de raad.
1.2 Het bezwaar en het verzoek zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van
de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren de deken, vergezeld van twee stafjuristen,
en verweerder aanwezig.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het onder 1.1 genoemde bezwaar (met negen
bijlagen) en verzoek. Ook heeft de raad kennisgenomen van het verweerschrift van verweerder
van 5 januari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het bezwaar en het verzoek gaat de raad, gelet op
het dossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 14 juli 2025 heeft de raad de klacht van klaagster G (hierna: klaagster)
gegrond verklaard en aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing opgelegd van twee
weken (zie de beslissing van 14 juli 2025, zaaknummer 25-006/DH/DH, ECLI:NL:TADRSGR:2025:140).
Daarbij is bepaald dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden
van de beslissing.
2.3 Op eveneens 14 juli 2025 heeft de raad het door de deken ingediende dekenbezwaar
gegrond verklaard en aan verweerder een voorwaardelijke schorsing van acht weken opgelegd
(zie de beslissing van 14 juli 2025, zaaknummer 25-045/DH/DH/D, ECLI:NL:TADRSGR:2025:142).
Het dictum van deze beslissing luidt als volgt:
“De raad van discipline: (…)
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van acht weken
op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad
van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van
de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerder een coachingstraject zal doorlopen,
waarop de deken toezicht zal houden. Hierbij geldt het volgende:
* Verweerder zoekt in samenspraak met de deken een coach en meldt zich binnen
vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan bij deze, door de
deken goedgekeurde, coach;
* Verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van
aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken
in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken. Daarnaast stemt verweerder
met de deken af op welke wijze en met welke frequentie hij het coachingstraject met
de deken evalueert en verweerder houdt zich vervolgens aan de met de deken gemaakte
afspraken;
* Verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van
het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van
het traject blijkt;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt;”
2.4 De deken heeft verweerder naar aanleiding van de beslissingen van de raad
uitgenodigd voor een gesprek op 20 augustus 2025. Tijdens het gesprek zijn onder meer
de gevolgen van de (onvoorwaardelijke) schorsing besproken. In een brief (van 20 augustus
2025) heeft de deken verweerder geïnformeerd over de schorsingsvoorwaarden. In die
brief is onder meer vermeld:
“Ik heb van u begrepen dat u geen hoger beroep hebt ingesteld tegen de beslissing
van 14 juli 2025 zodat deze onherroepelijk is geworden. De schorsing gaat in op 10
september 2025. Voor de goede orde merk ik op dat [klaagster] wel appel heeft ingesteld.
Zoals met u is besproken kan [klaagster] geen hoger beroep instellen tegen de beslissing.
Ik heb met u afgesproken dat u uw advocatenpas op 9 september a.s. bij mij (bureau
van de Orde van Advocaten (…)) inlevert. (…)
Om misverstanden te voorkomen over hetgeen tijdens uw schorsing al dan niet is geoorloofd,
informeer ik u als volgt:
1. U mag gedurende uw schorsing de titel van advocaat niet voeren
2. U mag gedurende uw schorsing op geen enkele wijze de rechtspraktijk uitoefenen,
niet procederend en niet adviserend, en mag ook overigens geen werkzaamheden verrichten
die tot de advocatenpraktijk worden gerekend, en mag (dus) ook niet optreden als curator,
mediator, jurist of gemachtigde. (…)
4. U mag er geen enkel misverstand over laten bestaan dat u in de uitoefening van
de praktijk bent geschorst. (…)
10. U mag gedurende uw schorsing geen gebruik maken van uw advocatenpas.
11. U dient tijdig adequate maatregelen te nemen om uw praktijk gedurende uw schorsing
te laten waarnemen.
12. U dient uw cliënten in lopende zaken waarin handelingen moeten worden verricht
gedurende de schorsingsperiode te informeren over uw schorsing en over de persoon
van de waarnemer. (…)
14. U dient zich voor de duur van de schorsing terug te trekken als advocaat in
alle lopende procedures en de daarop betrekking hebbende toevoegingen te muteren,
behalve voor zover ik ten aanzien van specifieke procedures van oordeel ben dat gelet
op de (vermoedelijk) benodigde proceshandelingen tijdens uw schorsing sprake kan zijn
van tijdelijke waarneming.”
2.5 Op 17 september 2025 heeft de deken aan verweerder geschreven:
“Naar aanleiding van de beslissing van de Raad van Discipline ’s-Gravenhage d.d.
14 juli jl. in de klachtzaak van [klaagster] verkeerde u en ik in de veronderstelling
dat uw schorsing op 10 september jl. in zou gaan. Dit omdat u geen hoger beroep had
ingesteld tegen de beslissing. Wij hebben daarover op 20 augustus jl. een gesprek
gehad en bij brief d.d. 27 augustus jl. heb ik u de schorsingsvoorwaarden nog eens
bevestigd en u hebt op 9 september jl. uw advocatenpas bij mij ingeleverd.
Mij is echter gebleken dat uw schorsing (nog) niet op het tableau is verwerkt, hetgeen
zou betekenen dat uw schorsing nog niet is ingegaan. Hoewel er voor [klaagster] geen
rechtsmiddel openstond heeft zij toch hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline.
Dit is de reden dat uw schorsing nog niet is verwerkt op het tableau, nu het Hof van
Discipline eerst een beslissing zal dienen te nemen over het door [klaagster] ingediende
hoger beroep. (…) De uitspraak staat gepland voor 10 oktober 2025, zodat uw schorsing
op zijn vroegst dan pas zal ingaan.
Nu uw schorsing nog niet is ingegaan kunt u uw advocatenpas weer komen ophalen,
zodat u uw praktijk kunt hervatten. Ik zal de instanties die reeds door mij waren
geïnformeerd over uw schorsing berichten dat uw schorsing nog geen aanvang heeft genomen.
Na de uitspraak van het Hof van Discipline zal ik weer contact met u opnemen.”
2.6 Op 10 oktober 2025 heeft het Hof van Discipline klaagster niet-ontvankelijk
verklaard in haar hoger beroep, welke beslissing aan verweerder is toegezonden. De
beslissing in zaak 25-006/DH/DH is daarmee op die dag onherroepelijk geworden.
2.7 Op 4 november 2025 heeft de deken verweerder gewezen op de beslissing van
het Hof van Discipline en hem laten weten dat de schorsing op 7 november 2025 ingaat.
Zij heeft verweerder daarbij eveneens gewezen op de schorsingsvoorwaarden zoals opgenomen
in haar brief van 20 augustus 2025. Zij heeft hem verzocht zijn advocatenpas op 7
november 2025 in te leveren op het bureau van de Haagse Orde van Advocaten.
2.8 Verweerder heeft zijn advocatenpas niet ingeleverd op 7 november 2025. Op
donderdagmiddag 13 november 2025 heeft de (stafjurist van de) deken verweerder hierop
gewezen en hem verzocht de advocatenpas op maandag 17 november 2025 in te leveren.
2.9 Op 17 november 2025 om 12.30 uur heeft verweerder per e-mail aan de stafjurist
laten weten dat hij een paar dagen weg is geweest, dat hij de volgende dag terug komt
en dan in de ochtend langs zal komen.
2.10 Op 18 november 2025 heeft verweerder zijn advocatenpas ingeleverd bij de
deken.
2.11 Op 21 november 2025 heeft de deken aan verweerder onder meer geschreven:
“Van de Rechtbank Rotterdam ontving ik een signaal dat u op 17 november jl. ter
zitting hebt opgetreden voor een cliënt bij de politierechter, dit terwijl u in de
periode van 7 november jl. tot vandaag geschorst was in de uitoefening van de praktijk.
De zaak is in het belang van uw client aangehouden
Zoals u bekend was het niet toegestaan om gedurende uw schorsing de rechtspraktijk
uit te oefenen: niet procederend en niet adviserend. U mocht ook overigens geen werkzaamheden
verrichten die tot de advocatenpraktijk worden gerekend, en (dus) ook niet optreden
als curator, mediator, jurist of gemachtigde.
Ik constateer dan ook dat u de schorsingsvoorwaarden hebt overtreden. Om die reden
heb ik besloten een dekenbezwaar tegen u in te dienen, alsmede zal ik de Raad van
Discipline vragen om een tenuitvoerlegging van de maatregel zoals door de Raad opgelegd
in de beslissing d.d. 14 juli 2025 met kenmerk 25-045/DH/DH.”
2.12 Op 25 november 2025 heeft verweerder gereageerd en aan de deken onder meer
geschreven:
“Het klopt dat ik ter zitting was verschenen bij de politierechter. Dit was omdat
ik zo snel geen vervanging kon vinden voor de zitting. Ik wilde de rechter ook om
aanhouding verzoeken. Dit had ik ook al met cliënt besproken.
Omtrent de klacht ben nu voor tweede keer gestraft, zowel financieel als in mijn
eer en reputatie. Ik wil u eerbiedig verzoeken om uw beslissing te heroverwegen. Een
nieuwe dekenbezwaar betekend waarschijnlijk eind van mijn carrière.”
3 BEZWAAR EN VERZOEK
Bezwaar
3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoel in artikel 46 Advocatenwet door de schorsingsvoorwaarden
niet na te leven en moedwillig te overtreden.
3.2 De deken wijst op het signaal van de rechtbank, waaruit blijkt dat verweerder
tijdens zijn schorsing voor een cliënt ter zitting is opgetreden. Dit terwijl hem
duidelijk te kennen is gegeven dat hij gedurende zijn schorsing op geen enkele wijze
de rechtspraktijk mocht uitoefenen. De schorsingsvoorwaarden moeten voor verweerder
volstrekt helder zijn geweest.
3.3 De deken kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder er bewust
voor heeft gekozen om zijn advocatenpas pas bij de deken in te leveren na afloop van
de zitting op 17 november 2025. Dat hij een paar dagen weg is geweest, zoals verweerder
in zijn e-mail van 17 november 2025 heeft bericht, lijkt gelet op de inhoud van het
ontvangen signaal van de rechtbank bezijden de waarheid. De deken ziet verweerders
handelwijze als het moedwillig overtreden van de schorsingsvoorwaarden. Dit volgt
ook uit het feit dat verweerder, zo heeft de deken uit het signaal van de rechtbank
Rotterdam begrepen, pas op een daarop gerichte vraag van de behandelend rechter heeft
gezegd dat hij was geschorst.
Verzoek tenuitvoerlegging
3.4 De deken heeft verzocht om tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke schorsing
van acht weken, die bij beslissing van 14 juli 2025 (in zaak 25-045/DH/DH) is opgelegd,
omdat verweerder zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan overtreding van
de algemene voorwaarde.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen het bezwaar en het verzoek tenuitvoerlegging verweer
gevoerd. Hij heeft toegelicht dat de deken aanvankelijk aan hem had meegedeeld dat
de schorsing op 10 september 2025 zou ingaan. Verweerder had alle noodzakelijke maatregelen
getroffen om de schorsingsperiode te kunnen overbruggen en had al zijn zaken overgedragen
aan andere advocaten. De periode van twee weken schorsing verliep bijzonder moeizaam,
zowel persoonlijk als financieel. Persoonlijk voelde verweerder zich gedupeerd door
de klacht van klaagster en tevens gekwetst in zijn eer en geweten. Financieel was
de impact groot, omdat hij, naast het stilvallen van zaken, ook de waarnemende advocaten
moest betalen. Verweerder heeft ervoor gekozen de schorsing als een reflectiemoment
te gebruiken.
4.2 Verweerder ontving vervolgens na enige tijd bericht van de deken dat de schorsingsperiode
pas later in zou gaan. Pas op 4 november 2025, derhalve drie dagen voor de ingangsdatum
van de schorsing, heeft de deken aan verweerder meegedeeld dat de nieuwe schorsingsperiode
zou ingaan op 7 november 2025. Verweerder heeft toen opnieuw alles in het werk moeten
stellen om deze nieuwe schorsingsperiode te kunnen overbruggen. Verweerder stelt dat
hij contact heeft opgenomen met het kantoor van de deken om te bespreken dat hij nu
feitelijk voor de tweede keer werd bestraft en dat dit niet de bedoeling kan zijn.
Het antwoord luidde dat verweerder gehoor diende te geven aan de opgelegde maatregel.
4.3 De zitting bij de rechtbank, waar hij heen is gegaan, stond reeds geruime
tijd gepland op 17 november 2025 (einde van de middag). Verweerder had een collega
verzocht de zitting bij te wonen. Echter deze collega heeft verweerder enkele uren
voor de zitting gebeld dat zij wegens persoonlijke omstandigheden moest afzeggen.
Verweerder heeft toen niet geprobeerd nog vervanging te zoeken; daar was geen tijd
meer voor. Verweerder heeft de cliënt gebeld dat hij toch zelf zou komen en om aanhouding
zou vragen. Het was dom om bij de rechtbank te verschijnen, dat had verweerder niet
moeten doen.
4.4 Anders dan de deken stelt, spreekt verweerder hierover de waarheid. Het steekt
hem dat er aan zijn integriteit wordt getwijfeld. Op het moment dat hij de e-mail
aan de deken stuurde over zijn advocatenpas, was hij niet aanwezig. Hij zou pas op
18 november terugkomen. Het is ook niet zo dat verweerder zijn advocatenpas nodig
had om toegang te krijgen tot de rechtbank. Verweerder heeft met de cliënt besproken
dat hij de rechter om aanhouding zou verzoeken. Na de voordracht van de officier van
justitie, nog voordat verweerder het woord kon voeren, vroeg de rechter of verweerder
geschorst was. Verweerder heeft daarop bevestigend geantwoord. Verweerder heeft niets
inhoudelijks gezegd. Hij had wel zijn toga aan. De cliënt heeft aan de rechter gezegd
dat hij geen andere advocaat wenste. De zaak is daarom aangehouden tot een datum na
de schorsingsperiode van verweerder.
4.5 Verweerder stelt dat de gehele gang van zaken niet is verlopen zoals het
hoort. Hij is tweemaal gestraft voor hetzelfde feit en thans dreigt hij voor de derde
maal te worden gestraft voor de gevolgen daarvan. Dit zou een onevenredige straf zijn.
Verweerder meent dat het dekenbezwaar en het verzoek tenuitvoerlegging dienen te worden
afgewezen.
5 BEOORDELING DEKENBEZWAAR
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Beoordeling
5.2 De deken verwijt verweerder in de kern dat hij de schorsingsvoorwaarden niet
heeft nageleefd, door op 17 november 2025 als advocaat ter zitting te verschijnen.
De raad vindt dit verwijt terecht. Verweerder was vanaf 7 november 2025 voor twee
weken geschorst, dus tot en met 20 november 2025. Verweerder was daarvan op de hoogte
en hij wist dat hij in die periode niet mocht optreden als advocaat. Verweerder heeft
dat wel gedaan; hij is als advocaat, in toga, met zijn cliënt op een zitting verschenen.
Hij heeft bovendien zijn schorsing pas bekend gemaakt na de voordracht van de officier
en na een daarop gerichte vraag van de rechter.
5.3 Dat verweerder door een misverstand over de ingangsdatum van de schorsing
per 10 september 2025 al een week zijn advocatenpraktijk had opgeschort, heeft geen
invloed op de gegrondheid van het verwijt. De raad begrijpt dat verweerder in dit
verband een soort verrekening had gewild. Voor zover dit al mogelijk is, had het in
ieder geval op de weg van verweerder gelegen om hierover in contact te treden met
de deken en het overleg daarover op te zoeken. Dat hij dat heeft gedaan, blijkt nergens
uit.
5.4 De raad concludeert dat verweerder de hem door de raad op 14 juli 2025 opgelegde
schorsingsvoorwaarden niet (geheel) heeft nageleefd. Verweerder heeft zich daarmee
niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Het bezwaar van de deken is dan
ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft in strijd gehandeld met de aan hem opgelegde schorsing in
de praktijkuitoefening, door tijdens de schorsingsperiode met cliënt en in toga op
een zitting te verschijnen. De deken is hierop gewezen door de president van de rechtbank
en zij heeft verweerder hiermee vervolgens geconfronteerd. De raad vindt het gedrag
van verweerder beschamend. Verweerder heeft ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen
dat anderen moeten kunnen hebben in de professionaliteit van de beroepsgroep van de
advocatuur. De raad rekent dit verweerder zeer aan.
6.2 De deken heeft voor wat betreft de ernst van het verwijt benadrukt dat zij
sterk de indruk heeft dat verweerder planmatig te werk is gegaan in die zin dat hij
al langer van plan was om zelf de zitting van 17 november 2025 te doen en dat hij
haar in dat verband bewust heeft proberen te misleiden door zijn advocatenpas pas
na de zitting te willen inleveren. Gezien de gang van zaken rondom het inleveren van
de advocatenpas, is die indruk voorstelbaar. De raad kan dat evenwel niet vaststellen
en de raad zal dit dan ook niet in verzwarende zin meenemen bij het bepalen van de
hoogte van de maatregel. Het is de raad gebleken dat verweerder op 17 november 2025
om 12.30 uur naar de deken heeft gemaild dat hij een paar dagen weg was, de volgende
dag terug zou komen en dan zijn pas zou inleveren. Dat past bij wat verweerder daarover
ter zitting van de raad heeft verklaard, namelijk dat de door hem ingeschakelde vervangend
advocaat pas enkele uren voor de zitting liet weten dat zij toch niet kon komen en
dat hij toen (kennelijk vanaf zijn vakantieadres in België) zijn toga heeft gehaald
en naar de rechtbank is gegaan voor de zitting aan het einde van de middag.
6.3 Gelet op de ernst van het verwijt en rekening houdend met verweerders tuchtrechtelijk
verleden (waaronder met name de onder 2.2. en 2.3 genoemde beslissingen), is de raad
van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden
is.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad (inzake het dekenbezwaar) een maatregel oplegt, zal de raad verweerder
op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
8 BEOORDELING VERZOEK TENUITVOERLEGGING
Toetsingskader
8.1 Op grond van artikel 48a lid 1 van de Advocatenwet kan de raad, in het geval
een schorsing in de uitoefening van de praktijk wordt opgelegd, bepalen dat deze maatregel
geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de raad later anders
mocht bepalen op de grond dat de betrokken advocaat zich vóór het einde van een in
de beslissing aan te geven proeftijd aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde
gedraging schuldig heeft gemaakt, of een bijzondere voorwaarde die in de beslissing
mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd. Lid 2 van artikel 48a Advocatenwet bepaalt
dat de proeftijd ten hoogste twee jaren bedraagt en ingaat zodra de beslissing in
kracht van gewijsde is gegaan.
8.2 Artikel 48c Advocatenwet bepaalt dat de deken toeziet op de nakoming van
de voorwaarden. In het geval de betrokken advocaat de voorwaarden gedurende de proeftijd
niet nakomt, kan de deken de raad daarvan in kennis stellen met zodanige vordering
als hij nodig acht.
8.3 De raad die de voorwaardelijke schorsing heeft opgelegd, kan de last geven
dat alsnog tot tenuitvoerlegging zal worden overgegaan. Dat kan gelet op artikel 48e
Advocatenwet op vordering van degene die op grond van artikel 48c lid 1 Advocatenwet,
toeziet op de nakoming van de voorwaarden (de deken), maar ook ambtshalve.
Beoordeling
8.4 Aan verweerder is, bij beslissing van 14 juli 2025 (in zaak 25-045/DH/DH/D),
door de raad een voorwaardelijke schorsing van acht weken opgelegd, met als algemene
voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd van twee jaren niet opnieuw schuldig
maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. Tegen deze beslissing
is geen hoger beroep ingesteld, zodat de proeftijd is gaan lopen op 14 augustus 2025
(de dag na het onherroepelijk worden van de beslissing). Tijdens deze proeftijd heeft
verweerder, zoals hiervoor overwogen, zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Het verzoek
tot tenuitvoerlegging komt daarmee voor toewijzing in aanmerking.
8.5 De raad acht volledige tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke
schorsing echter niet proportioneel. Verweerder verkeerde, door een misverstand bij
hem en de deken, in de veronderstelling dat zijn schorsing eerder inging en heeft
vervolgens de benodigde stappen ondernomen om zijn advocatenpraktijk tijdelijk neer
te leggen. In ieder geval heeft hij dit, naar later bleek dus ten onrechte, gedurende
één week in september 2025 gedaan. De raad ziet hierin aanleiding om nu niet de gehele
tenuitvoerlegging te gelasten, maar over te gaan tot een gedeeltelijke tenuitvoerlegging
voor de duur van twee weken. Dit betekent dat een gedeelte van zes weken voorwaardelijke
schorsing in stand blijft. De raad acht dat ook van belang nu alsdan de hieraan verbonden
schorsende voorwaarden (waaronder het coachingstraject) in stand blijven.
BESLISSING
De raad van discipline:
In zaak 25-827/DH/DH/D
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken
op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van
deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden
schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.2.
In zaak 25-828/DH/DH/TUL
- gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de door de raad bij beslissing
van 14 juli 2025 (zaak 25-045/DH/DH/D) opgelegde schorsing in de uitoefening van de
praktijk, te weten tenuitvoerlegging voor de duur van twee weken;
- bepaalt dat deze schorsing ingaat aansluitend op de in 25-827/DH/DH/D opgelegde
(onvoorwaardelijke) schorsing met dien verstande dat:
a. de schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
b. verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar ten uitvoer worden gelegd;
c. de huidige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven.