ECLI:NL:TADRSGR:2026:206 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-497/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:206
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 16-09-2026
Zaaknummer(s): 26-497/DH/RO
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de ex-partner deels niet-ontvankelijk omdat de klacht te laat is ingediend. Klachten voor het overige kennelijk ongegrond, omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline 
in het ressort Den Haag
van 2 september 2026
in de zaak 26-497/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 15 juni 2026 met kenmerk R 2026/058 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is verwikkeld geweest in een echtscheidingsprocedure. Verweerder heeft de ex-partner van klager (hierna ook: de vrouw) bijgestaan in die procedure.
1.2    Klager heeft zich in september 2021 voor bijstand gewend tot een kantoorgenoot van verweerder. Toen bleek dat verweerder de vrouw bijstond, is klager verwezen naar, en vervolgens ook bijgestaan door, mr. V.
1.3    In het najaar van 2021 is tussen partijen onderhandeld over de afwikkeling van de echtscheiding, wat heeft geresulteerd in een door verweerder opgesteld en door partijen eind december 2021 ondertekend echtscheidingsconvenant. 
1.4    In 2022 is geprocedeerd over wijziging van de alimentatie.  
1.5    Klager heeft op enig moment bij de deken een klacht ingediend tegen mr. V. 
1.6    Op 22 juni 2023 heeft verweerder een e-mail aan mr. V gestuurd naar aanleiding van de door klager tegen mr. V ingediende klacht. Verweerder schrijft daarin onder meer:
“Van [mr. J] begreep ik dat [klager] een klacht tegen u heeft ingediend (…). Het is wellicht wat ongebruikelijk omdat het mij niet regardeert maar ik voel mij toch geroepen u ongevraagd te steunen in deze kwestie omdat een klacht mij zeer onterecht voorkomt. (…)
Deze e-mail zend ik u met medeweten van cliënte, [mr. J] heb ik woorden van gelijke strekking gezonden, het staat u vrij om deze e-mail te delen met onze Deken en [klager].”
1.7    Op 24 oktober 2025 heeft klager via aangetekend mailen een klacht aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft de aangetekende e-mail niet geopend. Op 29 oktober 2025 is klager naar het kantoor van verweerder gegaan om de klacht te overhandigen. Klager heeft de klacht die dag per (gewone) e-mail aan verweerder gestuurd 
1.8    Diezelfde dag heeft verweerder een reactie aan klager gestuurd, waarin hij onder meer schrijft:
“De scene die u vervolgens vandaag heeft gemaakt op kantoor waarbij u weigerde weg te gaan, een handtekening van mij eiste en foto’s van mij ging maken (!) was niet nodig geweest.”
Verweerder heeft in zijn reactie verder gemotiveerd gereageerd op klagers klacht, waaronder:
“[Mr. V] heeft een belang in de uitspraak in het hoger beroep waarop u doelt, ik ben ermee bekend dat u uitgebreide klachtenprocedures tegen hem voert. Ik heb hem desgevraagd verteld dat u van het Hof Den Haag het convenant gewoon moest nakomen zoals hij enkele weken later had kunnen lezen in de (inderdaad) gepubliceerde uitspraak.”
1.9    Op 23 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder handelen in strijd met de kernwaarden van de advocatuur – in het bijzonder zorgvuldigheid, onafhankelijkheid en integriteit, tijdens en na de echtscheidingsprocedure tussen klager en zijn ex-partner. Klager wijst concreet op het volgende. 
1)    Belangenverstrengeling en schending van vertrouwelijkheid
2)    Onjuiste alimentatieberekening en financiële benadeling
3)    Onjuiste totstandkoming en misleidende inhoud van het echtscheidingsconvenant
4)    Ongeoorloofde vertegenwoordiging van inmiddels jongvolwassen dochter
5)    Dreiging met openbaarmaking van persoonlijk verleden als drukmiddel
6)    Misbruik van positie, druk en instrumentalisering van gezinscontext
7)    Gerechtelijke procedures en hoger beroep 
8)    Onderlinge verwevenheid tussen verweerder en mr. V en aantasting van onafhankelijkheid
9)    Reactie op het verweer d.d. 29 oktober 2025
10)    Melding van tuchtklacht aan kinderen en gebrek aan professionele distantie.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de klacht verjaard is, dan wel ongegrond. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Klacht deels niet-ontvankelijk 
4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden. 
4.2    De voorzitter stelt vast dat klager zijn klacht op 23 januari 2026 heeft ingediend bij de deken. Dat klager zijn klacht al eerder aan verweerder heeft gestuurd, maakt voor de vervaltermijn geen verschil, omdat de Advocatenwet bepaalt dat een klacht schriftelijk bij de deken moet worden ingediend (artikel 46c Advocatenwet) en pas het moment waarop dat is gebeurd dus heeft te gelden als de indieningsdatum van een klacht. Dit moment is leidend en betekent in dit geval dat de klacht, voor zover deze ziet op gedragingen van verweerder vóór 23 januari 2023, buiten de driejaarstermijn en daarmee te laat is ingediend. Van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet is niet gebleken. 
4.3    Dit betekent dat de klachtonderdelen 1 t/m 6 (volledig) niet-ontvankelijk zijn vanwege overschrijding van de driejaarstermijn. Met betrekking tot klachtonderdeel 5 overweegt de voorzitter daarbij dat dit verwijt ziet op een telefoongesprek dat door verweerder met klagers advocaat zou zijn gevoerd. Klager heeft niet geconcretiseerd wanneer dit gesprek zou hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat dit speelde in 2022. De voorzitter gaat daar dan ook vanuit, waardoor heeft te gelden dat de klacht hierover te laat is ingediend. 
4.4    Dit betekent verder dat de klachtonderdelen 7 en 8 niet-ontvankelijk zijn voor zover die zien op gedragingen van verweerder vóór 23 januari 2023. Voor zover deze klachtonderdelen zien op gedragingen van verweerder van ná die datum zijn de klachten wel ontvankelijk en zullen deze hierna inhoudelijk worden beoordeeld. Voor de inhoudelijke beoordeling van de klachten geldt het volgende toetsingskader. 
Toetsingskader 
4.5    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.6    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen van procedures,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel 7) 
4.7    Klager verwijt verweerder dat hij, ondanks belangenverstrengeling binnen het kantoor, de ex-partner gedurende meerdere procedures heeft bijgestaan, waaronder als laatste in het hoger beroep over het door verweerder zelf opgestelde echtscheidingsconvenant. Zoals hiervoor overwogen, heeft klager niet tijdig geklaagd over het punt van de belangenverstrengeling (klachtonderdeel 1). De voorzitter laat dit daarom buiten beschouwing. Voor zover het verwijt dan is dat verweerder de ex-partner is blijven bijstaan in het geschil over het, door verweerder zelf opgestelde, echtscheidingsconvenant, geldt dat niet wordt ingezien waarom dat tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn. Klagers stellingen over onder meer het gebrek aan professionele distantie, de onmogelijkheid om de wederzijdse belangen nog objectief te beoordelen en zelfbelang van verweerder zijn van algemene aard en worden niet verder geconcretiseerd of met stukken onderbouwd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter niet gebleken. Dit verwijt is daarom, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel 8) 
4.8    Klager verwijt verweerder dat sprake is van onderlinge verwevenheid tussen verweerder en mr. V en (daardoor) aantasting van de onafhankelijkheid. Voor zover ontvankelijk ziet de klacht nog concreet op (1) het feit dat mr. V de klacht van klager met verweerder heeft gedeeld, (2) de schriftelijke verklaring van verweerder ter verdediging van mr. V in diens tuchtprocedure (in 2024) en (3) het feit dat verweerder mr. V voorafgaand aan publicatie heeft geïnformeerd over de uitspraak van het gerechtshof Den Haag. 
4.9    Dat mr. V de tegen hem ingediende klacht kennelijk met verweerder heeft gedeeld, kan niet aan verweerder verweten worden. Het betreft immers geen handelen of nalaten van verweerder. 
4.10    Het klachtdossier bevat geen schriftelijke verklaring van verweerder uit 2024, zodat de voorzitter daarover geen oordeel kan geven. Voor zover dit verwijt ziet op verweerders e-mail aan mr. V van 22 juni 2023, blijkt niet van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder heeft het bericht kennelijk met instemming van zijn cliënte gestuurd en is daarbij transparant geweest door het bericht zowel aan mr. V als aan klagers (opvolgend) advocaat (mr. J) te sturen. Verweerder heeft mr. V vervolgens, na het wijzen van het arrest door het gerechtshof, maar voor publicatie daarvan, geïnformeerd over de uitkomst (te weten: dat klager ‘het convenant gewoon moest nakomen’). De voorzitter is van oordeel dat verweerder daarmee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Rechtspraak is openbaar en het arrest is kort na de uitspraak ervan kennelijk ook gepubliceerd, zodat mr. V hoe dan ook kennis had kunnen nemen van het arrest. Verweerder heeft daarbij steeds gehandeld met medeweten en instemming van zijn cliënte. Van een gebrek aan onafhankelijkheid of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Dat klager door dit alles is benadeeld, wordt door hem gesteld, maar blijkt verder niet. Dit verwijt is daarom, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 9
4.11    Klager maakt verweerder verwijten over de ontvangst van en de reactie op klagers klachtbrief van oktober 2025. Dat verweerder een aangetekende e-mail van klager niet heeft geopend, levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Ook de weigering om een door klager opgestelde ontvangstbevestiging te ondertekenen, levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Verweerder heeft klager verzocht (‘gewoon’) te mailen, wat klager heeft gedaan en waarna verweerder diezelfde dag nog per e-mail heeft gereageerd. 
4.12    Hoe een en ander op het kantoor van verweerder precies is verlopen, kan de voorzitter niet vaststellen, omdat klager en verweerder ieder een andere lezing hebben van hoe het bezoek van klager is verlopen. Dat verweerder daarbij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of daar achteraf onjuist over heeft verklaard, kan daarom niet worden vastgesteld.
4.13    Voor zover klager klaagt over verweerders inhoudelijke reactie op de klacht, geldt dat verweer een grote mate van vrijheid heeft om verweer te voeren op een wijze die hem goeddunkt. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder die vrijheid te buiten is gegaan. Het is duidelijk dat klager een heel andere visie heeft, maar dat maakt verweerders reactie nog niet onjuist en evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 10)
4.14    Klager klaagt erover dat verweerder informatie over de tegen verweerder gerichte tuchtklacht direct dan wel indirect in de gezinscontext heeft laten terechtkomen. Duidelijk is dat klagers dochter bekend is geworden met het feit dat klager een tuchtklacht heeft aangekondigd c.q. ingediend tegen verweerder. Op geen enkele wijze blijkt echter dat verweerder deze informatie met de dochter (of de zoon) van klager heeft gedeeld. Verweerder heeft toegelicht dat zijn cliënte, de ex-partner, weet van de klachtenprocedure, dat zij verweerder daar wel eens naar vraagt en dat hij daarop (beperkt) informatie deelt. Dat is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Van een gebrek aan professionele distantie en/of een vergaande vereenzelviging met het conflict tussen partijen blijkt niet. Dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond.
Tot slot
4.15    Voor zover klager ook klachten heeft geformuleerd over het handelen en/of nalaten van de deken, geldt dat de voorzitter deze klachten buiten beschouwing laat. De klacht van klager tegen de deken is voor onderzoek verwezen naar de deken Gelderland en ligt nu niet ter beoordeling voor. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klachtonderdelen 1 t/m 6 niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet;
-    de klachtonderdelen 7 en 8 niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, voor zover deze zien op gedragingen van verweerder vóór 23 januari 2023; 
-    de klachtonderdelen 7 en 8 voor het overige kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet;
-    de klachtonderdelen 9 en 10 kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 2 september 2026