ECLI:NL:TADRSGR:2026:187 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-008/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:187 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 05-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-008/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over het handelen van de broer c.q. executeur in de nalatenschap van de ouders. Klacht ziet op handelen in 2004. Klager was daarmee in ieder geval in 2017 redelijkerwijs bekend. Klacht is daarom niet binnen de termijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026
in de zaak 26-008/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
gemachtigde: mr. M.A.D. Bol
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 september 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/117
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 juni 2026. Daarbij
waren klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 11.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager en verweerder zijn broers van elkaar.
2.3 Op 23 oktober 2003 is de vader van partijen overleden.
2.4 De vader heeft bij testament d.d. 28 juni 1994 zijn echtgenote (de moeder
van partijen) en verweerder tezamen en voor gelijke delen als erfgenamen benoemd voor
7/9e deel van zijn nalatenschap en klager voor zijn legitieme portie, zijnde 2/9e
deel van zijn nalatenschap.
2.5 Onderdeel van de nalatenschap van vader vormde een pand aan de [straat] te
[plaats]. Uit hoofde van het testament kwam de helft daarvan aan de moeder toe en
de andere helft aan verweerder.
2.6 Op 15 januari 2004 is de waarde van deze woning door Ooms Makelaardij te
Rotterdam getaxeerd op EUR 285.000,-.
2.7 Op 5 februari 2004 is de verklaring van erfrecht en toedeling verleden.
2.8 In februari 2004 is met het oog op de heffing van successierecht een vaststellingsovereenkomst
minnelijke waardebepaling onroerende zaken gesloten tussen de moeder van partijen
en de Belastingdienst. Daarbij is de waarde van de woning vastgesteld overeenkomstig
het taxatierapport van 15 januari 2004. Deze vaststellingsovereenkomst is op 5 februari
2004 door verweerder namens de moeder ondertekend.
2.9 Uit de aanslag erfbelasting van 14 juni 2004 blijkt dat de omvang van de
nalatenschap van vader € 609.367,- bedroeg. De legitieme portie van klager is berekend
op € 135.414,-. Totaal heeft hij € 273.000,- netto ontvangen.
2.10 Op 16 juni 2004 is de woning verkocht voor € 1.000.000,-.
2.11 Bij testament van 9 november 2004 heeft de moeder van partijen over haar
nalatenschap beschikt. Daarbij heeft zij verweerder tot erfgenaam benoemd en klager
onterfd. Verweerder is benoemd tot executeur en heeft die benoeming aanvaard.
2.12 Op 18 april 2016 is de moeder van partijen overleden. Klager heeft aanspraak
gemaakt op zijn legitieme portie.
2.13 Begin 2017 hadden klager en verweerder een afspraak over de afwikkeling
van de erfenis van de moeder. Omdat klager zijn twijfels had bij de wijze waarop verweerder
deze afwikkelde heeft hij een advocaat ingeschakeld. Verweerder heeft deze advocaat
onder meer de aangifte erfbelasting en de vaststellingsovereenkomst van februari 2004
toegezonden.
2.14 Uit de aanslag erfbelasting van 31 januari 2017 blijkt dat de omvang van
de nalatenschap van moeder € 991.159,- bedroeg. De legitieme portie van klager is
berekend op € 253.093,-. Totaal heeft hij € 313.391,- netto ontvangen.
2.15 Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op meer dan
hetgeen hem in het kader van de nalatenschappen van de vader en de moeder als erfdeel
is uitgekeerd. Teneinde dit geschil te beslechten is in augustus 2018 tussen klager
en verweerder een vaststellingsovereenkomst getekend. Uit hoofde daarvan is door verweerder
aan klager tegen finale kwijting een bedrag van € 85.000,- voldaan.
2.16 Op 28 juli 2023 heeft klager verweerder in kort geding gedagvaard en – zakelijk
weergegeven - afgifte van de bankafschriften van alle bankrekeningen van de moeder
over de periode 2011 tot en met 1 mei 2016 gevorderd. De vorderingen zijn bij vonnis
van 13 oktober 2023 afgewezen, met veroordeling van klager in de proceskosten.
2.17 In 2023 werd klager er naar zijn zeggen door een kennis op gewezen dat de
hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst niet is ondertekend
door de moeder van partijen maar door verweerder.
2.18 Op 14 september 2025 heeft klager tegen verweerder aangifte gedaan van valsheid
in geschrift omdat hij de vaststellingsovereenkomst ondertekend heeft in plaats van
de moeder van partijen.
2.19 Op 20 september 2025 heeft klager onderhavige klacht ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij valsheid
in geschrift heeft gepleegd met een vaststellingsovereenkomst minnelijke waardebepaling
onroerende zaken door deze zonder volmacht namens de aanvrager te ondertekenen.
3.2 De raad zal hierna op de klacht ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat de verweten
gedragingen zijn privéleven betreffen en volledig buiten zijn hoedanigheid van advocaat
staan en bovendien 21 jaar geleden hebben plaatsgevonden waardoor de klacht niet ontvankelijk
is.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht dient
de raad te beoordelen of deze ontvankelijk is.
5.2 In dat verband is maatgevend hetgeen in artikel 46g Advocatenwet is bepaald.
Een klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard indien deze wordt ingediend na verloop
van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis
heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking
heeft. Wanneer de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend
zijn geworden verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de
datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
5.3 De klacht ziet op het handelen van verweerder in 2004. Meer in het bijzonder
op het feit dat hij op 5 februari van dat jaar de vaststellingsovereenkomst met de
belastingdienst voor c.q. namens de moeder heeft ondertekend. Uit de zich in het dossier
bevindende stukken blijkt niet wanneer klager deze vaststellingsovereenkomst voor
het eerst onder ogen heeft gekregen. Wel blijkt daaruit dat deze in elk geval in januari
2017 aan de advocaat van klager is gezonden. Op dat moment had klager naar het oordeel
van de raad redelijkerwijs kunnen weten dat deze niet was ondertekend door zijn moeder
maar door verweerder. Op het moment van indiening van de klacht – ca 8,5 jaar later
– was de termijn van artikel 46g Advocatenwet dus ruimschoots verstreken. Dat deze
termijnoverschrijding verschoonbaar is, is gesteld noch gebleken.
5.4 Gelet op het voorgaande zal de raad de klacht niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.M. de Knijff
en T. Havekens, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 3 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 augustus 2026