ECLI:NL:TADRSGR:2026:169 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-319/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:169 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-319/DH/RO |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerster heeft antwoord gegeven op klagers vragen en bij het verkrijgen van een schade-uitkering gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 15 juli 2026
in de zaak 26-319/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de e-mail van 14 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk A 2025/232 en van de op de inventarislijst
genoemde bijlagen 1 tot en met 24 en van de op de inventarislijst ‘correspondentiedossier’
genoemde bijlagen 1 tot en met 24. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klager van 28 april 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een letselschadezaak vanwege een ongeval
op 9 mei 2021.
1.2 In die zaak heeft de wederpartij de aansprakelijkheid erkend en een voorschot
op de uiteindelijke schadevergoeding uitgekeerd. De zaak is geëindigd met een vaststellingsovereenkomst
en vervolgens heeft nog een slotuitkering plaatsgevonden. Ook heeft de wederpartij
buitengerechtelijke kosten vergoed. Nadien heeft de wederpartij nog een bedrag aan
rente uitgekeerd.
1.3 Op 17 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerster, nadat hij daarvoor op 20 juli 2025 ook e-mails had gestuurd naar de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster dat zij haar zorgplicht jegens klager heeft geschonden en dat er een gebrek
aan transparantie was.
2.2 Ter toelichting heeft klager gesteld dat hij diverse vragen aan verweerster
heeft gesteld over de inhoud van de financiële afwikkeling van de zaak, maar dat de
antwoorden van verweerster op die vragen voor klager onacceptabel waren. Hij stelt
zich daardoor ernstig benadeeld te hebben gevoeld en buitenspel te zijn gezet in zijn
eigen dossier.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
De maatstaf
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat.
Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de
beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten
handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen,
onder andere dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat
een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a Advocatenwet bevat de kernwaarden
onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid
die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt
dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat
dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als
zodanig wordt geschaad. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die
mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De
tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels,
waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij deze
toets.
4.2 Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 Klager stelt dat hij geen of geen afdoende antwoorden kreeg op vragen die hij
verweerster via e-mail heeft gesteld. Uit het omvangrijke klachtdossier blijkt echter
dat verweerster op alle vragen van klager in uiterst correcte bewoordingen antwoord
heeft gegeven. Dat sommige antwoorden klager kennelijk niet welgevallig waren, betekent
niet dat verweerster in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.4 In de nadere toelichting op de klacht heeft klager een aantal zaken uit de
volgens hem ondoorzichtige communicatie benoemd, waaronder de communicatie over de
vaststellingsovereenkomst. Daarin ziet de voorzitter echter geen tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen van verweerster. Op 18 juli 2024 heeft op het kantoor van verweerster een
gesprek plaatsgevonden, waarin de stand van zaken van de letselschadeprocedure is
besproken en waar ook een regelingsvoorstel aan de orde is geweest. Verweerster heeft
naar aanleiding daarvan diezelfde dag een e-mail naar klager gestuurd, met daarbij
gevoegd de schadestaat. In de schadestaat is een ‘p.m. post’ wettelijke rente opgenomen.
In de e-mail staat onder meer:
“Het uitgangspunt is de schadestaat, maar niet uitgesloten is dat de slotbetaling
minder zal worden dan mijn huidige voorstel. Er is reeds een voorschot van € 43.000
voldaan, ik zal een slotsom van € 40.000 voorstellen, maar bepaalde punten zijn discutabel.
Daarbij dient u rekening te houden dat bij ondertekening van een vaststellingsovereenkomst
u niet meer op uw zaak kunt terug komen.
Graag verneem ik of u akkoord kunt gaan met dit voorstel. Mag ik van u vernemen.”
Klager heeft daar diezelfde dag op gereageerd dat hij akkoord gaat met het voorstel.
In de onderhandelingen daarna heeft (een vertegenwoordiger van) de wederpartij voorgesteld
om een slotuitkering van € 50.000,- te doen, naast het reeds betaalde voorschot van
€ 43.000,- en € 6.000,- voor arbeidskundige begeleiding en dat dit bij akkoord in
de vaststellingsovereenkomst zal worden opgenomen. In een e-mail van 27 november 2024
heeft verweerster klager hiervan op de hoogte gebracht. Over de definitieve tekst
van de vaststellingovereenkomst hebben klager en verweerster nog over en weer gecorrespondeerd
en uiteindelijk is de tekst van de vaststellingsovereenkomst vastgesteld en heeft
klager de overeenkomst getekend.
4.5 Daarna heeft klager er bij verweerster op aangedrongen om ook de wettelijke
rente over het slotbedrag nog te vorderen. In haar verweer heeft verweerster aangevoerd
dat klager uit het e-mailbericht van 18 juli 2024 en de daarbij gevoegde schadestaat
had moeten begrijpen dat de wettelijke rente niet als afzonderlijke schadepost werd
begroot, maar als onderdeel van de schadestaat werd beschouwd. Daarbij wijst verweerster
nog op een uitspraak van het Hof van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2021:39, r.o. 5.14),
waarin ook een onderdeel van de schadestaat als P.M. post was opgenomen en betrokkenen
uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen was in die zaak geen sprake, gelet op de onderhandelingsfase. Volgens verweerster
geldt dat ook in de onderhavige zaak. Niettemin heeft verweerster op 30 juni 2025
het verzoek om wettelijke rente toch aan de wederpartij voorgelegd, vergezeld van
een berekening die uitkwam op een rentebedrag van € 9.404,-. Verweerster heeft vervolgens
daarover enkele overleggen met de wederpartij gehad. Op 16 juli 2025 heeft verweerster
aan klager hierover het volgende bericht:
“De volgende betalingen kunt u verwachten:
- De totale schadesom bedraagt € 93.000,-.
- De slotbetaling van € 50.000,-, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst
d.d. 6 januari 2025, resteert nog;
- Voorts is [de wederpartij], uit pragmatisch oogpunt, bereid wettelijke rente
te betalen over de slotbetaling van € 50.000,-, vanaf de datum waarop de vaststellingsovereenkomst
is ondertekend door [de wederpartij]. Dit bedrag komt neer op € 1.562,-.”
Klager heeft hierop gereageerd en er vragen over gesteld en op 18 juli 2025 heeft
verweerster aan klager geantwoord:
“Op 30 juni jl. heb ik, zoals bij u bekend, per e-mail (…) verzocht om de wettelijke
rente vanaf de datum van het ongeval. De berekening hiervan treft u in de bijlage
aan. Dit betrof echter slechts een verzoek en is niet juridisch afdwingbaar, aangezien
reeds een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst met finale kwijting is overeengekomen.
Ik heb dit verzoek namens u en op uw verzoek gedaan, maar formeel gezien heeft u hier
geen aanspraak op.
De heer (…) heeft, zoals bij u bekend, afwijzend op dit verzoek gereageerd. Echter,
zonder daartoe verplicht te zijn en uit coulance, heeft hij alsnog de wettelijke rente
positief geadviseerd en deze berekend vanaf 6 januari 2025, zoals het juridisch gezien
ook hoort. Vanaf het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst op
6 januari 2025 is uw schadesom namelijk opeisbaar.
Beide berekeningen treft u in de bijlagen aan alsmede de e-mail van de heer (…) met
verwijzing naar zijn berekening. De berekening uit wettelijkerente.net heb ik per
abuis verkeerd overgenomen destijds, het kwam uit op € 9.141,10.
Ik ga ervan uit dat uw vraag hiermee naar behoren is beantwoord.”
4.6 De letselschadezaak van klager is geëindigd met een schade-uitkering van
€ 93.000,-. Dat is € 10.000,- meer dan waar verweerster en klager aan het begin van
de onderhandelingen over het slotbedrag vanuit gingen. Daarnaast heeft verweerster
voor klager ook geregeld dat het uitgekeerde letselschadebedrag niet meetelt in de
vermogenstoets voor de bijstandsuitkering die klager inmiddels ontvangt. Ook heeft
verweerster voor klager voor elkaar gekregen dat de wederpartij over het slotbedrag
nog een bedrag aan rente is uitgekeerd, terwijl de vaststellingsovereenkomst een lumpsum
bedrag inhield en finale kwijting. Verder heeft verweerster voor klager geregeld dat
hij vervangende woonruimte kreeg nadat hij als gevolg van zijn echtscheiding zonder
woonruimte kwam te zitten.
4.7 Verweerster is naar het oordeel van de voorzitter in de zaak van klager te
werk gegaan zoals van redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht
en haar valt dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Verweerster heeft in de
e-mail van 18 juli 2024 benoemd dat klager na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst
niet meer op de zaak kan terugkomen. Wellicht had verweerster nog meer expliciet duidelijk
kunnen maken dat de schadestaat het beginpunt was voor de onderhandelingen over de
vaststellingsovereenkomst en dat er uiteindelijk waarschijnlijk een lumpsum-bedrag
zou uitkomen waar alles in zou zitten. Uit het klachtdossier blijkt echter niet dat
klager op dat moment hierover vragen had of dat dit voor hem onduidelijk was en ook
niet op het moment dat hij de vaststellingsovereenkomst, houdende finale kwijting,
heeft ondertekend. Nadat klager dit bij verweerster onder de aandacht bracht en duidelijk
werd dat klager naast het eindbedrag ook nog wettelijke rente wilde vorderen, is dit
uitvoerig door verweerster uitgelegd en zijn de vragen dienaangaande van klager beantwoord.
Dat klager meent toch recht te hebben op een hoger rentebedrag, namelijk het bedrag
dat verweerster verkeerd had berekend, maakt niet dat verweerster een tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt. Ook is de voorzitter niet gebleken dat verweerster zichzelf
zou tegenspreken, zoals klager stelt. Verweerster weerlegt dat ook afdoende met onderliggende
stukken. Overigens kan de voorzitter zich ten aanzien van een aantal stukken die klager
in de klachtprocedure heeft overgelegd niet aan de indruk onttrekken dat (delen van)
die stukken van met behulp van een AI-tool zijn opgemaakt gelet op de onnavolgbaarheid
daarvan.
4.8 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juli 2026