ECLI:NL:TADRSGR:2026:16 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-423/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-423/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een strafzaak. De klacht over verweerders inhoudelijke bijstand is ongegrond. Klacht over financiële afspraak gegrond. Verweerder heeft een financiële afspraak met klager gemaakt die in strijd is met de Voda. Hij heeft klager daarmee bovendien onder druk gezet: klager had verweerder al betaald en klager moest akkoord gaan met deze aanvullende afspraak, anders zou verweerder klager niet bijstaan. Verweerders handelen is in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij deze afspraak niet had mogen maken. Tuchtrechtelijk verleden. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-423/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 26 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/064 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 25. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails van klager van 22 juli 2025 en 2 augustus 2025, de e-mails met bijlagen
van verweerder van 2 augustus 2025 en 14 november 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is verdachte geweest in een strafzaak. Hij heeft in voorlopige hechtenis
gezeten. Verweerder heeft klager bijgestaan.
2.3 Op 14 mei 2024 heeft verweerder een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor
Rechtsbijstand (RvR). Bij brief van 23 mei 2024 is de aanvraag afgewezen.
2.4 Op 23 mei 2024 heeft de rechtbank de strafzaak op zitting behandeld. Verweerders
pleitnota voor die zitting maakt onderdeel uit van het klachtdossier.
2.5 Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 juni 2024 is klager
veroordeeld wegens belaging tot een gevangenisstraf van 116 dagen met aftrek van het
voorarrest. Tevens is aan klager een vrijheidsbeperkende maatregel (ex artikel 38v
van het Wetboek van Strafrecht) voor de duur van 2 jaar opgelegd in de vorm van een
contact- en locatieverbod.
2.6 Er is van de zijde van klager hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.7 Het dossier bevat een declaratie van verweerder aan klager, gedateerd 26
juni 2024, voor de bijstand in hoger beroep voor een bedrag van € 2.250,- ex btw (totaal
€ 2.722,50).
2.8 Klager is aangehouden voor overtreding van het locatieverbod. Bij bevel van
de rechter-commissaris van 10 juli 2024 is de vordering tot tenuitvoerlegging van
vervangende hechtenis voor overtreding van het locatieverbod afgewezen. De rechter-commissaris
heeft daarbij de invrijheidstelling van klager bevolen. De rechter-commissaris merkt
in de beslissing op dat klager slechthorend blijkt te zijn en dat de communicatie
daardoor erg moeizaam verloopt.
2.9 Op enig moment heeft verweerder via WhatsApp aan klager laten weten: “Hoger
beroep is 25/11/24 om 13.30 uur in Den Haag.”
2.10 Bij beslissing van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het locatieverbod
op vordering van de officier van justitie wegens gewijzigde omstandigheden (beperkt)
gewijzigd.
2.11 Het klachtdossier bevat screenshots van WhatsApp-berichten tussen klager
en verweerder. Op enig moment (datum onbekend) heeft verweerder aan klager gestuurd:
“Bij vrijspraak vraag ik 50% van de schadevergoeding. Graag je akkoord nu.”
Na reactie van klager schrijft verweerder vervolgens:
“Lezen, [klager]. Ik vraag 50%. Dat is een strafrechtelijke vergoeding. (…) Dus
graag je akkoord voor 50% vergoeding aan mij in het strafrechtelijk traject. Zonder
akkoord ga ik niet verder. Groet.”
2.12 Op 29 november 2024 heeft het gerechtshof de strafzaak op zitting behandeld.
Verweerders pleitnota voor die zaak maakt onderdeel uit van het klachtdossier.
2.13 Bij arrest van 13 december 2024 heeft het gerechtshof klager ook in hoger
beroep veroordeeld wegens belaging en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van
116 dagen met aftrek van het voorarrest. Tevens is aan klager een vrijheidsbeperkende
maatregel (ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) voor de duur van 2 jaar
opgelegd in de vorm van een contact- en locatieverbod.
2.14 Op 23 januari 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerder gestuurd:
“[Verweerder] er is inmiddels een andere advocaat voor mij aan de gang. Het hoger
beroep werd verzet om een andere rechter te krijgen in opdracht van de ovj. Schandalig!
Ik wil van jou graag de rekening die ik aan jou voldaan heb gespecificeerd ontvangen.
Zodra je alles gereed heb zal ik een afspraak maken om het dossier op te halen.”
Verweerder heeft daarop gereageerd:
“De rekening was een vaste prijsafspraak.”
2.15 Op 28 januari 2025 is er een gesprek geweest tussen klager en verweerder
(in het bijzijn van klagers dochter). Daarbij is afgesproken dat verweerder de helft
van het door klager betaalde bedrag zal terugbetalen.
2.16 Op 22 december 2024 heeft klager een klacht ingediend bij het gerechtshof.
Bij brief van 28 maart 2025 heeft de president van het gerechtshof op de klacht gereageerd.
In de brief staat onder meer:
“U stelt dat de zitting in eerste instantie op 25 november 2024 13:30 uur was gepland.
Vervolgens zou deze verzet zijn naar 29 november 2024 15:00 uur en daarna naar 29
november 09:00 uur. In het dossier komt de zittingsdatum 25 november 2024 niet voor.
Uw zaak is nooit definitief gepland op 25 november 2024. (…)
Op 1 oktober 2024 (…) is telefonisch aan uw advocaat doorgegeven dat de zitting
op 29 november 2024 om 15:00 uur zou worden gepland. (…) Daarom is er contact opgenomen
met uw advocaat over het verzetten van de zaak naar 09:00 uur. Hij heeft hier – na
overleg met u – mee ingestemd.
Voor de zitting op 29 november 2024 15:00 uur stonden dezelfde raadsheren, advocaat-generaal
én griffier ingepland als voor de zitting diezelfde dag om 09:00 uur. Er is dus géén
sprake geweest van een rechterswissel. (…)
Van de voorzitter mag verwacht worden dat die zich ervan vergewist dat aanwezigen
de zitting goed kunnen volgen. Uit interne navraag is gebleken dat u uitgebreid bent
gehoord tijdens de zitting, dat u aangaf veel moeite te hebben met horen maar dat
u de raadsheren wel kon verstaan. U laat nu weten dat u vanwege uw handicap toch niet
kon horen wat er op zitting werd gezegd. Het is spijtig dat u dit nu laat weten en
niet op de zitting naar voren heeft gebracht, eventueel door tussenkomst van uw advocaat.
Ter zitting hadden dan nog aanpassingen gedaan kunnen worden zodat de zitting wel
goed te volgen was voor u.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) Verweerder heeft klager financieel onder druk gezet. Hij stelde klager kort
voor de zitting voor de keuze: akkoord gaan met de helft van de opbrengst bij winst
van de zaak, anders ging verweerder hem niet verdedigen. Klager had geen keuze, terwijl
hij ook al een zogenaamd voorschot had betaald. Het was hierdoor voor klager ook onmogelijk
om een andere advocaat te krijgen. Verweerder heeft de helft van het voorschot terugbetaald,
wat al aangeeft dat er iets niet klopt.
b) Verweerder is corrupt. Door verweerders toedoen kwam er een andere zittingstijd
en de verdediging sloeg nergens op. Klager kon ter zitting nauwelijks iets verstaan
en is niet in de gelegenheid gesteld zichzelf te verdedigen. Verweerder heeft nooit
bezwaar gemaakt tegen het feit dat klager zijn gehoorondersteuning niet mocht gebruiken.
3.2 Klager heeft toegelicht dat hij in hoger beroep werd veroordeeld, terwijl
hij de eerdere twee zittingen werd vrijgesproken. Dit was uitsluitend te wijten aan
het feit dat verweerder nimmer sprak over klagers slechte gehoor, waardoor klager
niet kon verstaan wat er werd gezegd, tenzij iemand recht tegenover klager zat en
hij kon liplezen. Klager kon het geluid uit bijvoorbeeld de hoek van de officier van
justitie niet verstaan, laat staan dat hij daarop kon reageren. Klager stelt dat zijn
belangen door verweerder zo belabberd zijn behartigd dat klager aantoonbaar vier maanden
ten onrechte in detentie heeft doorgebracht. Nimmer werd klager in de gelegenheid
gesteld zijn gehoorondersteuning te gebruiken (niet bij politie, niet bij de rechtbank
en niet in detentie). Klager heeft hierdoor een oneerlijk proces gekregen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat
klager in twee instanties is veroordeeld. De vrijspraken waar klager over rept, betreffen
de overtredingen van het gebiedsverbod (een keer bij de rechter-commissaris en een
keer bij de meervoudige kamer). Verweerder heeft twee keer een toevoeging aangevraagd
en deze is beide keren afgewezen. Verweerder heeft klager een vast bedrag van € 2.250,-
ex btw in rekening gebracht voor het hoger beroep. De 50%-vergoeding heeft verweerder
met klager afgesproken indien er vrijspraak zou volgen en dus schadevergoeding. Verweerder
heeft in een gesprek op 28 januari 2025 een akkoord bereikt met klager over terugbetaling
van de helft van het vaste bedrag. Verweerder heeft dit gedaan om rust te krijgen
van klager.
4.2 Verweerder stelt dat klager alles ontkent en, ondanks overtuigend bewijs
in twee instanties, overtuigd is van zijn onschuld. Klager heeft problemen met zijn
gehoor en zowel de politie, de rechtbank, het gerechtshof en verweerder hebben hun
uiterste best gedaan om klager aan te spreken.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) – financieel onder druk zetten
5.2 Dit verwijt ziet op de financiële afspraak die voor de zitting in hoger beroep
is gemaakt. Klager stelt dat verweerder hem kort voor de zitting voor de keuze stelde:
akkoord gaan met de helft van de schadevergoeding bij winst voor verweerder, anders
ging verweerder klager niet verdedigen. Dat een dergelijk voorstel is gedaan door
verweerder blijkt uit de WhatsApp-berichten tussen klager en verweerder. Verweerder
heeft op enig moment aan klager laten weten dat hij akkoord moest gaan met 50% van
de schadevergoeding bij vrijspraak voor verweerder. Verweerder heeft daarbij geschreven
dat hij zonder akkoord niet verder zou gaan. Verweerder heeft ter zitting erkend dat
hij een voorstel heeft gedaan dat hij niet had mogen doen.
5.3 De raad acht het door verweerder gedane voorstel in strijd met artikel 7.7
lid 1 onder b Voda, waarin is bepaald dat het een advocaat niet vrij staat overeen
te komen dat het honorarium een evenredig deel zal bedragen van de waarde van het
door zijn bijstand te bereiken gevolg. De raad acht het voorstel bovendien in strijd
met de financiële integriteit. Verweerder had met klager een vaste prijs afgesproken
(zie factuur 26 juni 2024) voor het hoger beroep. Verweerder mocht vervolgens niet
– kennelijk kort voor de zitting – een aanvullende financiële tegemoetkoming vragen.
Verweerder heeft daarmee onzorgvuldig gehandeld jegens klager. Dit verwijt is dan
ook gegrond.
Klachtonderdeel b) – verweerders bijstand
5.4 Dit verwijt ziet op verweerders inhoudelijke bijstand. Klager verwijt verweerder
allereerst dat er een andere zittingstijd kwam. Uit de WhatsApp-berichten blijkt dat
verweerder op enig moment 25 november 2024 als datum voor het hoger beroep heeft doorgegeven.
Dat lijkt een fout te zijn geweest, omdat uit de brief van de president aan klager
blijkt dat de zitting nooit op die datum gepland is geweest. Uit die brief blijkt
ook dat de aanvangstijd van de zitting een aantal dagen voor de zitting is gewijzigd,
na contact daarover met verweerder. Het is de raad onduidelijk welk verwijt verweerder
daarover gemaakt zou kunnen worden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder
op dit punt is niet gebleken.
5.5 Klager verwijt verweerder verder dat hij ter zitting nauwelijks iets kon
verstaan en niet in de gelegenheid is gesteld zichzelf te verdedigen. De raad kan
op dit punt niet vaststellen dat verweerder tekortgeschoten is. Duidelijk is dat klager
door zijn gehooraandoening niet alles goed verstaat. Uit de brief van de president
aan klager blijkt echter dat hij bij het gerechtshof uitgebreid is gehoord, dat klager
daarbij heeft aangegeven moeite te hebben met horen, maar dat klager de raadsheren
wel kon verstaan. Klager heeft kennelijk pas achteraf aangegeven dat hij toch onvoldoende
heeft kunnen verstaan. Van verweerder kan niet verwacht worden dat hij tijdens de
zitting actie onderneemt als klager de raadsheren laat weten dat hij hen kan verstaan.
De raad heeft geen reden om aan te nemen dat klager door zijn gebrekkige gehoor is
veroordeeld. Dat verweerder corrupt zou zijn, is door klager verder niet geconcretiseerd
of onderbouwd. Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
Tot slot
5.6 Voor zover klager er ook over klaagt dat verweerder heeft gezegd dat klager
geen recht had op gefinancierde rechtsbijstand, overweegt de raad als volgt. Verweerder
heeft in mei 2024 een toevoeging voor klager aangevraagd. Die aanvraag is door de
RvR afgewezen. Dat verweerder klager vervolgens op betalende basis heeft bijgestaan,
is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.7 Voor zover klager in zijn reactie op de dekenvisie (3 juni 2025) en zijn
aanvullingen van 22 juli 2022 en 2 augustus 2025 nieuwe klachten heeft ingediend,
geldt dat de raad die buiten beschouwing heeft gelaten. Dit zou namelijk artikel 46c
van de Advocatenwet doorkruisen, waarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij
de deken en dat de deken daarnaar onderzoek doet. De raad is daarom bij het vaststellen
van de klacht alleen uitgegaan van en afgegaan op de door klager bij de deken ingediende
stukken.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft een financiële afspraak met klager gemaakt die in strijd
is met de Voda. Hij heeft klager daarmee bovendien onder druk gezet: klager had verweerder
al betaald en klager moest akkoord gaan met deze aanvullende afspraak, anders zou
verweerder klager niet bijstaan. Verweerders handelen is in strijd met de kernwaarde
(financiële) integriteit. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij deze afspraak
niet had mogen maken.
6.2 De raad houdt bij het opleggen van de maatregel rekening met het tuchtrechtelijk
verleden van verweerder, waaruit blijkt dat recent (in 2021 en 2025) nog maatregelen
aan hem zijn opgelegd. Nu het in deze zaken niet ging om de kernwaarde (financiële)
integriteit en verweerder heeft erkend dat hij de financiële afspraak niet had mogen
maken, ziet de raad aanleiding om te volstaan met de maatregel van berisping.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.T. Bol en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2025