ECLI:NL:TADRSGR:2026:15 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-393/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:15 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-393/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026
in de zaak 25-393/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 27 augustus 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 25 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 16 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K057 2025 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 27 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk en deels
kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 25 september 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt in verzet dat hij pas eind 2024 (na tussenkomst van de Onafhankelijke
Politiecommissie en het daaruit voortvloeiende onderzoek) heeft kunnen vaststellen
dat de brief uit 2015 vals is. Tot die tijd was klager in de veronderstelling dat
het om een legitieme melding ging. Pas na bemoeienis van de Nationale Ombudsman en
de daarop volgende aanbeveling van de Politiecommissie is het document herzien en
bleek dat de melding nooit was gedaan. Klager stelt dat hij pas in oktober 2024 kennis
heeft kunnen nemen van de feiten die aan de klacht ten grondslag liggen en dat zijn
klacht daarom tijdig is ingediend.
2.2 Klager heeft verder aangevoerd dat verweerder beweert niet betrokken te zijn
geweest bij de zaak, terwijl zijn naam en handtekening staan onder het bewuste document.
Verweerder heeft klager verwezen naar zijn collega/neef. Klager heeft herhaaldelijk
zonder resultaat contact gezocht met die collega.
2.3 Klager heeft daarnaast verzocht om onderzoek en verantwoording. Hij stelt
dat hij de afgelopen jaren meerdere klachten heeft ingediend bij de deken, de raad
en het hof van discipline. Hoewel al deze klachten ongegrond zijn verklaard, blijkt
nu – na gedegen onderzoek en nieuw bewijs – dat klager gelijk had. Klager verzoekt
deze kwestie grondig te herbeoordelen en een onafhankelijk onderzoek in te stellen.
2.4 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
2.5 Ter zitting heeft klager in aanvulling verklaard dat zijn klacht draait om:
1. het gebruik en laten circuleren van een vals document, voorzien van het logo
en de handtekening van verweerder;
2. het door verweerder voeren van een zaak tegen de verkeerde partij, wat klager
als cliënt pas later kon ontdekken;
3. het onjuiste informeren en nalaten door verweerder, waardoor klager onmogelijk
eerder de omvang van de fouten kon overzien.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klager
heeft in verzet aangevoerd dat hij pas in oktober 2024 heeft kunnen vaststellen dat
de brief uit 2015 vals is. Klager heeft dat gemotiveerd, maar enige onderbouwing (zoals
stukken van de Ombudsman of de Onafhankelijke Politiecommissie waaruit die datum blijkt)
ontbreekt. De raad kan daarom niet van die datum uitgaan. Uitgangspunt blijft dat
de brief in 2015 is opgesteld en dat klager al die tijd met de brief bekend was. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Klager heeft voor het eerst in verzet andere klachten ingediend tegen verweerder,
kennelijk over de ‘Vodafone-zaak’. Nu dat geen onderdeel is van de op 25 februari
2025 ingediende klacht, kan dit als verzetgrond niet slagen. Overigens lijkt het erop
dat een klacht over die zaak te laat is, omdat die zaak ook in of rond 2015 speelde.
4.4 Klagers verzoek om onderzoek en verantwoording leidt evenmin tot een gegrond
verzet. Zijn verzoek heeft geen betrekking op de klacht tegen verweerder en kan daarom
in deze procedure niet in behandeling worden genomen.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.T. Bol en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026