ECLI:NL:TADRSGR:2026:112 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-614/DH/DH 25-670/DH/DH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:112 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht en samenhangend dekenbezwaar over gebrek aan onafhankelijkheid en belangenverstrengeling. Verweerder is blijven optreden, ondanks tegenstrijdige belangen. De tegenstrijdigheid nam nog verder toe toen verweerder het ontslag van (de vennootschap van) klaagster als bestuurder van de vennootschap bewerkstelligde en zichzelf als bestuurder en een kantoorgenoot als feitelijk vereffenaar van de vennootschap aanstelde. Verweerder had bovendien jarenlang een zakelijke en vriendschappelijke band met de familie gehad en daardoor kennis en inzicht gekregen in de financiële, juridische en administratieve gang van zaken bij de familie. Deze informatie heeft hij later gebruikt bij zijn optreden als (indirect) bestuurder van D BV en in de procedures tegen klaagster en D Holding BV. Sprake van handelen in strijd met kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, vertrouwelijkheid en integriteit. Voorwaardelijke schorsing van vier weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 18 mei 2026
in de zaak 25-614/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. G.P. Polders
over
verweerder
en in de zaak 25-670/DH/DH/D
naar aanleiding van het op bovengenoemde klacht gebaseerde bezwaar van
de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 juli 2024 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster bij de
deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken)
een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 11 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K183 2024
van de deken ontvangen. Deze zaak is door de raad geregistreerd onder nummer 25-614/DH/DH.
1.3 Op 1 oktober 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend door de raad
te berichten mee te klagen in bovengenoemde zaak. Deze zaak is door de raad geregistreerd
onder nummer 25-670/DH/DH.
1.4 Op 21 november 2025 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op het dekenbezwaar.
1.5 De klacht en het dekenbezwaar zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van
de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: klaagster met haar gemachtigde
en haar zoon […], de deken met haar stafjurist mr. [A] en verweerder.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 10 (inhoudelijk) en 1 tot en met
18 (zaaknummer 25-614/DH/DH) alsmede van het in 1.3 genoemde dekenbezwaar en het in
1.4 genoemde verweerschrift (zaaknummer 25-670/DH/DH).
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Wijlen de echtgenoot van klaagster, de heer [X], was binnenvaartschipper.
Voor het uitvoeren van zijn werk had hij in 2015 een nieuw binnenvaartschip nodig.
Voor de aanschaf en exploitatie van dit nieuwe schip adviseerde verweerder, die een
vriendschappelijke band met de familie [X] had en hen ook regelmatig adviseerde over
zakelijke aangelegenheden, om een besloten vennootschap op te richten. Dat werd [D]
B.V.
2.3 [D] B.V. werd opgericht op 17 september 2015. Klaagster was daarvan op dat
moment enig aandeelhouder en bestuurder.
2.4 In een e-mail van 22 mei 2016 schrijft verweerder aan de heer [X] – zakelijk
weergeven - dat hij een samenwerkingsverband met hem wil aangaan en bereid is daarbij
een bedrag van € 250.000,- te investeren.
2.5 In de UBO-verklaring d.d. 19 juli 2016 zijn klaagster en verweerder als belanghebbenden
in [D] B.V. vermeld.
2.6 Op 26 juli 2016 werd [D] Holding B.V. opgericht. Deze vennootschap was vanaf
dat moment enig bestuurder van [D] B.V.
2.7 Eveneens op 26 juli 2016 werd [F] Holding B.V. opgericht. Verweerder werd
enig bestuurder en 99% aandeelhouder van deze vennootschap. [F] Holding B.V. verwierf
100% van de stemrechtaandelen van [D] B.V.
2.8 [D] B.V. heeft de eigendom van het binnenschip [naam schip] verworven. De
koopsom van dit schip werd deels gefinancierd door [F] Holding B.V. In ruil voor deze
financiering kreeg [F] Holding B.V. aandelen en een beslissend stemrecht (100% stemrechtaandelen)
in [D] B.V.
2.9 Op 27 januari 2017 is verweerder beëdigd als advocaat. Vanaf dat moment heeft
hij in verschillende kwesties als advocaat opgetreden voor de heer/familie [X] en
hun vennootschappen.
2.10 Op enig moment is verweerder uit de jaarrekening over 2018 van [D] B.V.
gebleken dat de schulden aan kredietinstellingen waren opgelopen tot € 307.500,-,
het saldo crediteuren € 293.481,- bedroeg en sprake was van een rekening-courantvordering
van [D] B.V. op [D] Holding van € 532.277,-.
2.11 Naar aanleiding hiervan is verweerder in overleg getreden met klaagster
en de heer [X]. In een brief aan hen van 13 augustus 2019 heeft verweerder vermeld
met hen te hebben besproken dat het oplopen van de rekening-courantverhouding niet
zonder overleg kan aangezien [F] Holding B.V. als medeaandeelhouder mede over de bestemming
van de winst gaat. Verweerder heeft in dezelfde brief voorgesteld dat [D] B.V. maandelijks
€ 6.250,- als voorschot op de winst zou overmaken naar [F] Holding B.V. Dit voorstel
is uiteindelijk niet aanvaard door de heer/familie [X].
2.12 Na het overlijden van de heer [X] op 31 juli 2021 besloot klaagster het
binnenvaartschip [naam schip] te verkopen. Over de te ontvangen koopsom heeft verweerder
samen met twee kantoorgenoten en verweerster en haar zoon onderhandeld.
2.13 Op 9 maart 2022 heeft verweerder aan klaagster en haar zoon een e-mail gezonden
waarin hij schrijft:
“[Zoon] liet mij weten dat er een bod van € 585.000,- is gedaan. Ik heb zoals gezegd
in principe geen bezwaar tegen de aanvaarding daarvan maar weet wel dat dat betekent
dat er niet voldoende in het vermogen van [D] B.V. is om de crediteuren af te betalen
(waaronder de vordering van [F] uit hoofde van de verkoop van haar aandelen aan [D]
Holding B.V.).”
2.14 Op 15 maart 2022 ondertekende klaagster namens [D] B.V. de koopovereenkomst
voor het binnenvaarschip voor een bedrag van € 585.000,-.
2.15 Op 1 april 2022 stelde verweerder aan klaagster en haar zoon voor om van
het surplus van de koopsom dat [D] B.V. na het passeren van de akte bij de notaris
zou ontvangen een bedrag van € 185.000,- zou doorstorten naar [F] Holding B.V.
2.16 Per e-mail van 7 april 2022 verzocht verweerder de notaris om het aan [D]
B.V. toekomende bedrag niet aan haar te voldoen maar op de derdengeldrekening in depot
te houden totdat [D] B.V. en [F] Holding B.V. akkoord zouden geven tot uitbetaling.
De notaris was daartoe niet bereid.
2.17 Naar aanleiding van deze weigering schreef verweerder klaagster per e-mail
van 8 april 2022 het volgende:
“[F] B.V. stelt daarom nu voor dat de gelden in depot worden gehouden door haarzelf.
(…) Ik hoor graag binnen een uur of jullie akkoord zijn, de tijd dringt helaas. Het
alternatief voor [F] Holding B.V. is het inroepen van haar stemrecht.”
2.18 Aangezien klaagster niet akkoord ging met dit voorstel, heeft verweerder,
namens [F] Holding B.V., een aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen voor [D] B.V.
Ter gelegenheid van deze aandeelhoudersvergadering, die op 22 april 2022 plaatsvond
en waarbij verweerder aanwezig was, werd [D] Holding B.V. ontslagen als statutair
bestuurder van [D] B.V. en [F] Holding B.V. als (enig) statutair bestuurder benoemd.
2.19 Op 22 augustus 2023 stuurde een kantoorgenoot van verweerder een brief aan
klaagster, waarin hij aankondigt dat [D] B.V. beslag zou leggen op haar woning wanneer
zij deze woning niet binnen drie dagen uit de verkoop zou halen.
2.20 Ondertussen werd een andere kantoorgenoot van verweerder aangesteld als
(informeel) vereffenaar van [D] B.V. Verweerder verstrekte aan deze kantoorgenoot
ook de opdracht om beslag te leggen op de woning van klaagster en om een procedure
tegen haar en [D] Holding B.V. te starten.
2.21 Op 19 september 2023 is namens [D] B.V. conservatoir beslag gelegd op de
rekeningen van [D] Holding B.V. en op de bankrekeningen en woning van klaagster.
2.22 Op 17 oktober 2023 heeft [D] B.V. een dagvaardingsprocedure aanhangig gemaakt
tegen klaagster en [D] Holding B.V. In deze procedure vorderde [D] B.V. – zakelijk
weergegeven - om [D] Holding B.V. en klaagster hoofdelijk te veroordelen tot betaling
van haar rekening-courantschuld ad € 726.447,- aan [D] B.V. In deze procedure trad
een kantoorgenoot van verweerder als advocaat van [D] B.V. op. Bij verstekvonnis van
24 april 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de vorderingen van [D] B.V.
toegewezen.
2.23 De woning van klaagster is verkocht en de verkoopopbrengst ervan is, na
aftrek van de hypothecaire geldlening, aan [D] B.V. overgemaakt.
2.24 Door klaagster en haar zoon zijn vanaf augustus 2023 pogingen gedaan om
met verweerder in overleg te treden. Dat lukte niet. Verweerder verwees hen steeds
naar zijn kantoorgenoten.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de onafhankelijkheid die hij
als advocaat dient te betrachten en hij zich bij zijn optreden als advocaat schuldig
heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door:
a) als advocaat op te treden voor de familie [X] en hun vennootschappen terwijl
hij als bestuurder van [F] Holding B.V. 100% stemrecht-aandeelhouder van [D] B.V.
was. Die verhouding gaat volgens klaagster niet samen met de onafhankelijkheid die
verweerder als advocaat diende te betrachten, aangezien hij via [F] Holding B.V. een
eigen belang in [D] B.V. had. Hij had zich als advocaat van de [D] B.V. moeten terugtrekken.
b) dat hij niet heeft gehandeld als onafhankelijk advocaat, omdat hij vlak voor
en nadat [F] Holding B.V. op 22 april 2022 enig bestuurder van [D] B.V. was geworden,
als bestuurder en aandeelhouder van [F] Holding B.V. in zijn eigen belang handelde.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 DEKENBEZWAAR
4.1 De deken verwijt verweerder dat hij de in artikel 10a Advocatenwet neergelegde
kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, integriteit en vertrouwelijkheid heeft
geschonden. Verweerder had bedacht moeten zijn op de verschillende, en mogelijk tegenstrijdige
belangen tussen [F] Holding, hemzelf, en klaagster en de aan klaagster verbonden entiteiten.
Het baart de deken zorgen dat verweerder blijkbaar niet heeft beseft dat hij zijn
kerntaak als rechtsbijstandverlener ernstig heeft verzaakt.
5 VERWEER
5.1 Verweerder heeft, nadat hij aanvankelijk tegen de klacht verweer heeft gevoerd,
de gegrondheid van de klacht en van het dekenbezwaar erkend en ter zitting uitgesproken
dat hij inziet dat hij anders had moeten handelen. De raad zal, waar nodig, op zijn
stellingen ingaan.
6 BEOORDELING
Toetsingskader en maatstaf
6.1 Uit de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken
blijkt dat verweerder de familie [X] en haar vennootschappen in elk geval vanaf 2015
adviseerde en bijstond in juridische kwesties. Vanaf zijn beëdiging in 2017 trad hij
ook als advocaat voor de familie en/of hun vennootschappen op. Ter zitting heeft verweerder
erkend dat er geruime tijd, in ieder geval sinds 2015, een tamelijk nauwe vriendschappelijke
relatie tussen hem en de familie [X] bestond.
6.2 Aangezien klaagster al vanaf de datum van oprichting van [D] B.V. aandeelhouder
en bestuurder van deze vennootschap was en gelet op de verbondenheid tussen [F] Holding
en [D] B.V., is de raad van oordeel dat er een advocaat-client relatie bestond tussen
klaagster en verweerder. De raad beoordeelt de klacht van klaagster dan ook als een
klacht tegen haar eigen advocaat.
6.3 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
6.4 Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid,
deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de
uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat
een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden
van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad,
en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk
advocaat niet betaamt. De gedragsregels voor de advocatuur beogen invulling te geven
aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk
advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en
niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis
kunnen zijn bij bedoelde toets.
6.5 De bijzondere positie van de advocaat binnen de rechtspleging brengt een
zware verantwoordelijkheid voor de advocaat mee om met zijn opdracht, privileges (als
geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht) en bevoegdheden op zorgvuldige wijze om
te gaan. Onafhankelijkheid is essentieel voor het vertrouwen in een advocaat en onmisbaar
voor een goede invulling van de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid. Het
is de advocaat daarom niet toegestaan rechtsverhoudingen aan te gaan of te laten voortbestaan
waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip
van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie
tussen de advocaat en zijn cliënt in gevaar kunnen worden gebracht. Onafhankelijkheid
van de advocaat is belangrijk vanwege het waarborgen van een eerlijk proces en vanwege
een efficiënte rechtsbedeling.
6.6 Partijdigheid betekent dat de advocaat zich volledig inzet voor het belang
van zijn cliënt. De cliënt is immers degene die de hulp van een advocaat inroept.
De advocaat doet er alles aan om dat belang zo goed mogelijk naar voren te brengen
in de zaak. De advocaat werkt alleen in opdracht van zijn cliënt en zorgt ervoor dat
er geen belangenverstrengeling ontstaat.
6.7 De kernwaarde vertrouwelijkheid is noodzakelijk om het beroep van advocaat
goed te kunnen uitoefenen. Het is belangrijk dat cliënten in vertrouwen alles openhartig
kunnen delen met hun advocaat.
6.8 Integriteit is noodzakelijk om het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen
en is inherent aan de uitoefening van een beroep waaraan in het kader van het algemeen
belang rechten en verplichtingen zijn verbonden. Integer wil zeggen dat een advocaat
boven de zaak staat, hij belangenverstrengeling tegengaat en zich kan verantwoorden
voor zijn keuzes, gegeven zijn rol binnen de rechtsorde.
6.9 Gedragsregel 15 bepaalt dat een advocaat in principe niet mag optreden tegen
een (voormalige) cliënt van hemzelf of van een kantoorgenoot, om belangenverstrengeling
te voorkomen. Het is een advocaat als zodanig niet verboden om in die hoedanigheid
op te treden voor een persoon of vennootschap met wie hij ook zakelijke banden heeft,
maar daarbij wordt van hem grote alertheid gevergd op de mogelijkheid van tegenstrijdige
belangen.
Beoordeling
6.10 Indien een klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop
klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen
of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet
ontvankelijk verklaard. Gelet hierop zal de raad het handelen van verweerder alleen
beoordelen voor zover dat de periode na 26 juli 2021 betreft.
6.11 Uit het dossier blijkt dat verweerder (via zijn vennootschap) forse persoonlijke
investeringen heeft gedaan in [D] B.V. Daardoor kreeg hij een persoonlijk belang om
zijn geld terug te krijgen. Dat belang was in dit geval niet steeds parallel aan het
belang van [D] B.V. en klaagster en de aan haar gelieerde vennootschappen. In elk
geval vanaf augustus 2019, toen bleek dat een besproken uitstapregeling naar de stelling
van verweerder niet naar behoren werd nageleefd door de familie [X], was sprake van
tegenstrijdige belangen. De tegenstrijdigheid nam nog verder toe toen (de vennootschap
van) verweerder in april 2022 het ontslag van (de vennootschap van) klaagster als
bestuurder van de vennootschap bewerkstelligde en zichzelf als bestuurder en een kantoorgenoot
als feitelijk vereffenaar van de vennootschap aanstelde. Daarbij komt dat verweerder
in de loop der jaren vanuit zijn vriendschappelijke en zakelijke band met de familie
[X] kennis en inzicht heeft gekregen in de financiële, juridische en administratieve
gang van zaken bij de familie. Deze informatie heeft hij later gebruikt bij zijn optreden
als (indirect) bestuurder van [D] B.V. en in de procedures tegen klaagster en [D]
Holding B.V. Zodra de tegenstrijdigheid van de diverse belangen hem redelijkerwijs
duidelijk werd, had verweerder zich moeten terugtrekken als advocaat uit zaken waarbij
[D] B.V. of de aan haar gelieerde vennootschappen en/of personen betrokken waren en
had hij moeten bewerkstelligen dat een onafhankelijke advocaat bijstand zou gaan verlenen.
Dit zou geen advocaat van zijn eigen kantoor moeten zijn geweest. Gedragsregel 15
strekt zich immers ook over kantoorgenoten uit. Door dat na te laten heeft verweerder
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het valt de Raad daarbij op dat verweerder
weliswaar ter zitting heeft erkend dat hij op dit punt anders had moeten handelen,
maar dat verweerder daarbij ook verklaarde toch zelf nog bezig te zijn met de vereffening
van [D] B.V.
6.12 Daarnaast heeft de feitelijke gang van zaken tot gevolg gehad dat verweerder
jegens klaagster onduidelijkheid heeft gecreëerd over zijn positie. Dit blijkt alleen
al uit de vele contactverzoeken die klaagster(s zoon) deed sinds augustus 2023, het
moment waarop verweerder ervoor kiest om zijn kantoorgenoten bij de zaak te betrekken
en uit ieder contact met klaagster (en haar zoon) treedt. Zoals klaagsters zoon ter
zitting heeft benoemd, was dit voor hen onbegrijpelijk en onverteerbaar, mede gezien
de vriendschappelijke band die er altijd was geweest. De raad constateert dat verweerder
volstrekt onvoldoende duidelijk over zijn eigen rol heeft gecommuniceerd, terwijl
dit wel van hem mocht worden verlangd.
6.13 Verweerder heeft dan ook in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid,
partijdigheid, vertrouwelijkheid en integriteit. Gelet hierop zal de raad zowel de
klacht als het dekenbezwaar gegrond verklaren.
7 MAATREGEL
7.1 Alles overziend is de raad van oordeel dat niet kan worden volstaan met een
lichtere maatregel dan een schorsing voor de duur van vier weken. Verweerder heeft
immers diverse kernwaarden geschonden. In zijn reactie op de dekenvisie in de zaak
25-614/DH/DH toonde hij weliswaar zelfinzicht, maar ter zitting is gebleken dat hij
desondanks nog altijd zelf bij de vereffening van [D] B.V. betrokken is. Nu verweerder
heeft toegezegd daarvoor nu alsnog een onafhankelijke derde te zullen inschakelen
en hij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, ziet de raad aanleiding te volstaan
met een geheel voorwaardelijke schorsing. Deze dient als stok achter de deur.
8 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
8.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar
vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
8.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
8.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
8.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht en het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken
op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad
van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder de navolgende
algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt.
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd, W.R. Arema, E.A.L. van Emden en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 mei 2026