ECLI:NL:TADRSGR:2026:11 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-252/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 21-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-252/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 januari 2026
in de zaak 25-252/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 25 juni 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
De klacht ziet op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris
van haar kantoor.
1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K195 2024 ia/nm
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 25 juni 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook:
de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 25 juni
2025 verzonden aan partijen.
1.4 Op 25 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 25 juli 2025 ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 17 november 2025. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager overigens
in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling naar het oordeel van de raad de juiste
maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden
van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing
van de voorzitter juist is en wordt aan een inhoudelijke (her)beoordeling niet toegekomen.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
4.4 Ten overvloede overweegt de raad dat de interne klachtenregeling van het
kantoor van verweerster in lijn is met artikel 6.28 van de Voda en het model klachtenregeling
van de NOvA.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, N. de Boer, E.A.L. van Emden en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 januari 2026