ECLI:NL:TADRSGR:2025:244 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-641/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:244 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-641/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een geschil over de (gebrekkige) bouw van een woning. Klager heeft zijn klacht beperkt tot één klachtonderdeel. De klacht is te laat ingediend, daarom niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 19 november 2025 in de zaak 25-641/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 22 september 2025 met kenmerk R 2025/087 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 17. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klager van 1 oktober 2025 en de e-mail met bijlagen van verweerder van 20 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Vanaf 17 juni 2020 heeft verweerder klager en zijn vrouw bijgestaan in een
geschil met de aannemer over de (kwaliteit van de) bouw van hun nieuwbouwwoning.
1.2 In een e-mail van 12 april 2021 aan klager schrijft verweerder onder meer:
“Hieronder de reactie van Bouwgarant. Om een eventuele aansprakelijkheid op de Nieuwbouwgarantieregeling
te behouden is het van belang dat er gebruik wordt gemaakt van de Geschillencommissie.
De keuze is dus, kort gezegd, procederen bij de RvA zonder garantieregeling of bij
de Geschillencommissie met garantieregeling. Hoewel procederen bij de Geschillencommissie
jullie en mijn voorkeur niet heeft, adviseer ik jullie om dit zo nodig toch te doen.
De kans dat aanspraak moet worden gemaakt op de garantieregeling acht ik gezien de
aard en ernst van de bestaande problematiek niet onaanzienlijk."
1.3 Daarop heeft klager als volgt gereageerd bij e-mail van 13 april 2021:
“Aan de objectiviteit van de Geschillencommissie hebben we grote twijfels. (…) Kortom,
we hebben geen goed gevoel bij De Geschillencommissie, we hebben ook meerdere negatieve
ervaringen ermee gehad.”
1.4 Op 15 april 2021 heeft verweerder in een e-mail aan klager onder meer geschreven:
“Op zich is het niet noodzakelijk om een geschil voor te leggen aan de Geschillencommissie.
Er is ook een mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de gewone rechter (…). Consequentie
daarvan kan dan wel zijn, dat er geen beroep op de Nieuwbouwgarantieregeling mogelijk
is.”
1.5 Op 22 september 2021 heeft verweerder per e-mail aan Bouwgarant gevraagd
of een beroep op de NieuwbouwGarantieregeling ook mogelijk is met een vonnis van de
gewone rechter. BouwGarant heeft een dag later aan verweerder laten weten dat een
opdrachtgever gebruik kan maken van de Geschillencommissie dan wel de gewone rechter.
1.6 Op 3 december 2021 heeft verweerder gemotiveerd aan klager laten weten dat
het noodzakelijke vertrouwen van klager in verweerder om de zaak te kunnen voortzetten
ontbreekt. Verweerder heeft om die reden besloten zijn werkzaamheden te beëindigen.
1.7 Op 17 december 2021 heeft de vrouw van klager het dossier opgevraagd bij
verweerder. Verweerder heeft haar diezelfde dag laten weten dat zij het hele dossier
digitaal van verweerders secretaresse hebben ontvangen.
1.8 Mr. B heeft het dossier van klager bestudeerd. Hij heeft naar aanleiding
daarvan op 19 januari 2022 aan klager gemotiveerd geschreven dat hem geen beroep op
de Nieuwbouwgarantieregeling toekomt en dat een bepaling van het Reglement Geschillencommissie
niet is nageleefd Mr. B schrijft dat hij de kans groot acht dat de Geschillencommissie
klager niet-ontvankelijk zal verklaren. Mr. B heeft klager erop gewezen dat het geschil
ook bij de rechtbank kan worden aangebracht.
1.9 Op 26 januari 2022 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld. In de e-mail
schrijft klager onder meer:
“We zijn nog niet van de schrik bekomen dat je éénzijdig en abrupt onze samenwerking
hebt beëindigd, wat we niet kunnen plaatsen. Nu blijkt dat je grote fouten hebt gemaakt
waardoor we niet meer bij de geschillencommissie terecht kunnen en geen aanspraak
meer kunnen doen op de garantieregeling van Bouwgarant, zie bijgaande email.”
Als bijlage is de e-mail van mr. B. van 19 januari 2022 gevoegd.
1.10 Op 22 mei 2022 heeft mr. V aan klager onder meer geschreven:
“[Verweerder] heeft op 22 september 2021 aan Bouwgarant gevraagd of een beroep op
de NieuwbouwGarantieregeling ook mogelijk is met een vonnis van de overheidsrechter.
(…)
[T] van Bouwgarant heeft de bovenstaande vraag op 23 september 2021 bevestigend
beantwoord. Voor de volledigheid heb ik de e-mail als bijlage bijgevoegd.”
1.11 Op 12 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder (in de klacht van 12 februari 2025) het volgende.
a) Verweerder heeft niet adequaat gehandeld tijdens zijn werkzaamheden in klagers
zaak, waardoor belangrijke juridische stappen niet tijdig zijn genomen.
b) Verweerder heeft termijnen laten verlopen en essentiële informatie achtergehouden,
waardoor klagers rechtspositie en veiligheid ernstig zijn geschaad.
c) Verweerder heeft klager misleid en niet geïnformeerd over de juridische stand
van zaken, waardoor hij geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken.
d) Verweerder heeft klager plotseling zonder juridische bijstand achtergelaten
in een lopende en urgente procedure, waardoor klagers juridische en veiligheidssituatie
verder is verslechterd.
2.2 Klager stelt dat hij door deze tekortkomingen zelf stappen heeft moeten ondernemen
om zijn veiligheid en rechtspositie te beschermen. Dit heeft geleid tot extra kosten,
onnodige vertraging en juridische onzekerheid. De consequenties van dit nalatig handelen
hebben zich recent geuit.
2.3 Klager verzoekt een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar te achten
vanwege uitzonderlijke omstandigheden: 1) de lopende juridische strijd vergt alle
aandacht en energie; 2) klager is (eerder) niet gewezen op de mogelijkheid om een
klacht in te dienen en 3) de ernst van het handelen van verweerder rechtvaardigt behandeling
van de klacht.
2.4 Klager heeft in een e-mail aan de deken van 15 september 2025 en een e-mail
aan de raad van 1 oktober 2025 verzocht de beoordeling van de klacht te beperken tot
klachtonderdeel c. Klager stelt dat de kern van dit klachtonderdeel het niet informeren
over een bevestiging van BouwGarant d.d. 22-23 september 2021 betreft. Daarin is aangegeven
dat naast de Geschillencommissie ook de gewone rechter een optie was mét behoud van
garantie. Klager stelt dat deze informatie hem destijds is onthouden en dat hij daarmee
pas op 25 mei 2022 bekend is geworden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat de klacht
te laat is ingediend en om die reden niet-ontvankelijk is. In zijn e-mail van 20 oktober
2025 voert verweerder nader aan dat klager eerder al bekend was met de e-mailwisseling
tussen hem en BouwGarant, nu hij het volledige dossier op 17 december 2021 aan klager
heeft gestuurd (waaronder ook de e-mail van BouwGarant waar klager op wijst).
3.2 Verweerder heeft de juistheid van de klachten verder gemotiveerd betwist.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Omvang van de klacht
4.1 Klager heeft bij de deken een klacht ingediend, bestaande uit vier onderdelen
(zoals weergegeven onder 2.1 a t/m d). Klager heeft de deken vervolgens op 15 september
2025 verzocht zijn klacht uitsluitend door te zenden naar de raad ten aanzien van
klachtonderdeel c. Klager meldt in dat bericht dat hij ervoor kiest de overige punten
in deze tuchtprocedure buiten behandeling te laten. Klager heeft dit verzoek herhaald
in zijn e-mail van 1 oktober 2025 aan de raad.
4.2 De voorzitter begrijpt deze mededeling van klager aldus dat hij de klachtonderdelen
a), b) en d) wenst in te trekken. De voorzitter zal daarom over die klachtonderdelen
geen oordeel geven. De voorzitter zal uitsluitend oordelen over klachtonderdeel c).
Anders dan verweerder stelt, betreft dit geen nieuwe klacht. Klager heeft dit punt
al in zijn reactie bij de deken van 3 juni 2025 aan de orde gesteld.
Ontvankelijkheid
4.3 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.4 Klachtonderdeel c) ziet er in de kern op dat verweerder klager niet zou hebben
geïnformeerd over het bericht van BouwGarant van 23 september 2021. Klager stelt dat
hij daarmee pas op 25 mei 2022 bekend is geworden, kennelijk op het moment dat mr.
V hem op die e-mail wees (zie 1.10). Dat klager niet eerder over deze e-mail van BouwGarant
zou zijn geïnformeerd is door verweerder echter gemotiveerd betwist. Verweerder heeft
ter onderbouwing van zijn betwisting verwezen naar zijn e-mail van 17 december 2021,
waaruit zijns inziens volgt dat ook het bericht van BouwGarant als onderdeel van het
dossier met klager is gedeeld. Dat het dossier in zijn geheel naar klager is toegezonden
is door klager niet betwist. De voorzitter houdt het er daarom voor dat klager al
in december 2021 met het bericht van BouwGarant van 23 september 2021 bekend was,
of redelijkerwijs had kunnen zijn. Door de klacht pas op 12 februari 2025 in te dienen,
dient de klacht dus op grond van art. 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk
te worden verklaard.
4.5 Maar ook los van de vraag of klager al dan niet pas op 25 mei 2022 bekend
is geworden met het e-mailbericht van BouwGarant van 23 september 2021, geldt dat
sprake is van overschrijding van de voornoemde termijn van drie jaar. Verweerder heeft
klager immers reeds in april 2021 de keuze voorgehouden (en aangeraden) om zijn zaak
aan de Geschillencommissie voor te leggen, met als voordeel dat hij dan een beroep
kon doen op de garantieregeling. Klager heeft daar toen bezwaren tegen ingebracht,
waarop verweerder hem nogmaals op 15 april 2021 heeft voorgehouden dat hij de zaak
ook aan de gewone rechter kon voorleggen. In het e-mailbericht van 23 september 2021
is slechts te lezen dat een opdrachtgever gebruik kan maken van de Geschillencommissie
of de gewone rechter, maar daarvan was klager gelet op zijn e-mailcorrespondentie
met verweerder dus al eerder op de hoogte. Voor zover klager bedoelt erover te klagen
dat hem door toedoen van verweerder geen beroep meer toekomt op de garantieregeling
geldt dat klager met deze omissie bekend raakte toen mr. B. hem daarover op 19 januari
2022 informeerde. Ook in zoverre was klager dus met de indiening van zijn klacht op
12 februari 2025 te laat.
4.6 De door klager genoemde uitzonderlijke omstandigheden (zie 2.3) vormen geen
reden om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Hoewel voorstelbaar
is dat de onderliggende kwestie – het bouwgeschil – veel van klagers aandacht en energie
heeft gekost, geeft de termijn van drie jaar voldoende ruimte om (naast een eventuele
civielrechtelijke aansprakelijkstelling) ook een tuchtklacht te kunnen indienen. De
voorzitter is ook verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
verschoonbaar zou kunnen zijn dat de klacht buiten de termijn is ingediend. De klacht
(klachtonderdeel c) is daarom op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46g, lid
1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 november 2025