ECLI:NL:TADRSGR:2025:231 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-618/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:231 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-618/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat hij geen proceskosten heeft ontvangen. Verweerder heeft in zijn verweer toegelicht dat binnen de woningstichting een misverstand is ontstaan over de proceskosten en dat klaagster terecht heeft gezegd dat zij de proceskosten al heeft voldaan. Verder kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de ontruimingsprocedure bewust verkeerde informatie te gebruiken en daarmee de privacy van klaagster te schenden. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënte kreeg. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 12 november 2025 in de zaak 25-618/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 15 september 2025 met kenmerk R 2025/082, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 1 tot en met 26.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster huurde vanaf 1 april 2022 een woning van een woningstichting (hierna:
de woningstichting). In september 2024 heeft de woningstichting de huurovereenkomst
met klaagster buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedrog dan wel dwaling en
bij de kantonrechter in kort geding gevorderd om klaagster te veroordelen tot ontruiming
van de woning. Verweerder heeft de woningstichting hierin bijgestaan. Klaagster is
bijgestaan door mr. R.
1.2 Op 7 november 2024 heeft de kantonrechter klaagster veroordeeld om de woning
te ontruimen en om de proceskosten van de woningstichting te betalen. Tegen dit vonnis
heeft klaagster hoger beroep ingesteld.
1.3 Op 8 januari 2025 heeft het gerechtshof Den Haag het hoger beroep op zitting
behandeld. Tijdens deze zitting is besproken of de woningstichting en klaagster onderling
afspraken konden maken. De daarna opgestelde vaststellingsovereenkomst is niet ondertekend.
Klaagster heeft het hoger beroep niet voortgezet en de sleutels van de woning ingeleverd.
Daarnaast is over de periode tot de oplevering van de woning een betalingsachterstand
ontstaan.
1.4 Op 5 maart 2025 heeft verweerder mr. R. per e-mail bevestigd dat de sleutels
van de woning zijn aangetroffen en dat de woningstichting zal bezien of de woning
in de juiste staat is opgeleverd. Verder heeft verweerder in deze e-mail opgemerkt
dat de betalingsachterstand van klaagster verder verloopt via de incassoafdeling van
de woningstichting.
1.5 Op 2 april 2025 heeft de woningstichting een brief aan klaagster gestuurd
over de eindopname van de woning en de door klaagster te betalen kosten die aan de
eindafrekening worden toegevoegd.
1.6 Op 17 april 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder
ingediend.
1.7 Op 24 april 2025 heeft de woningstichting aan de deurwaarder gemaild:
‘Dank voor uw bericht. Er is intern inderdaad een misverstand ontstaan in de communicatie
rondom de verrekening van de proceskosten.
Mijn collega heeft richting onze financiële afdeling aangegeven dat de proceskosten
verrekend konden worden, waarbij zij doelde op verrekening met de reeds ontvangen
proceskosten. Dit is door onze collega echter opgevat als een verrekening met andere
openstaande posten, zoals huurachterstand en mutatieschade.
Toen u mij vroeg of de verrekening door moest gaan, begreep ik dat als een vraag
of ook de andere kosten die wij nog gaan verhalen op [klaagster] hierin meegenomen
moesten worden. Vandaar de verwarring.
De nota van de proceskosten kan rechtstreeks naar ons worden gestuurd; deze zullen
wij voldoen, aangezien wij het betreffende bedrag hebben ontvangen. Wat betreft de
overige kosten (huurachterstand en mutatieschade): deze worden verder opgepakt door
onze collega en hiervoor volgt nog een aparte aanvraag. (…)’
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft in strijd met de waarheid aangegeven dat hij geen proceskosten
van haar rechtsbijstandverzekering heeft ontvangen. Verweerder liegt hierover. Verweerder
heeft de proceskosten dubbel op klaagster willen verhalen. Klaagster vindt dit gedrag
van verweerder schandelijk. Klaagster verwijst naar een brief aan de deurwaarder waarin
zij bezwaar maakt tegen de rekening en klaagt over de handelwijze van deurwaarder;
b) verweerder heeft in zijn communicatie, toon en houding volstrekt onprofessioneel,
respectloos en niet humaan gehandeld;
c) verweerder heeft in de procedure over de ontruiming bewust verkeerde informatie
gebruikt en de privacy van klaagster geschonden.
2.2 Naast verwijten over verweerder heeft klaagster in haar klacht ook de woningstichting
en de deurwaarder verwijten gemaakt.
2.3 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen
en stukken van klaagster ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder voert aan dat hij als advocaat van de woningstichting
betrokken was bij de procedure bij de kantonrechter en het gerechtshof. Ten aanzien
van de proceskosten was volgens verweerder sprake van een misverstand bij de woningstichting
en heeft klaagster terecht aangegeven dat zij de proceskosten al had voldaan. Daarbij
merkt verweerder op dat het nooit enige intentie is geweest van de woningstichting
of van hem om de proceskosten dubbel bij klaagster te innen.
Verder voert verweerder aan dat hij zich tijdens de procedure heeft gebaseerd op
de door de woningstichting ter beschikking gestelde informatie en dat daarbij geen
sprake was van informatie waarvan hij weet dat die onjuist is. Schending van de privacy
van klaagster is volgens verweerder niet aan de orde, omdat de woningstichting er
in de procedure een gerechtvaardigd belang bij heeft om bepaalde documenten naar voren
te brengen.
Tot slot merkt verweerder op dat hij zich geenszins herkent in de overige verwijten
van klaagster en dat hij de nodige vrijheid heeft in de wijze waarop hij voor de woningstichting
optreedt als advocaat.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.2 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
ten aanzien van de proceskosten in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat hij
geen proceskosten heeft ontvangen. Verweerder heeft in zijn verweer toegelicht dat
binnen de woningstichting een misverstand is ontstaan over de proceskosten en dat
klaagster terecht heeft gezegd dat zij de proceskosten al heeft voldaan. Deze toelichting
wordt ondersteund door de overgelegde e-mail van 24 april 2025 van de woningstichting
aan de deurwaarder. In het licht van deze toelichting heeft klaagster haar verwijt
over leugenachtig gedrag van verweerder ten aanzien van de proceskosten niet met feiten
onderbouwd. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door in zijn communicatie, toon en houding volstrekt onprofessioneel,
respectloos en niet humaan ten opzichte van klaagster te handelen. Klaagster heeft
dit verwijt in het geheel niet feitelijk, met relevante stukken, onderbouwd en verweerder
heeft deze verwijten betwist. Klachtonderdeel b) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.4 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de ontruimingsprocedure bewust
verkeerde informatie te gebruiken en daarmee de privacy van klaagster te schenden.
Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie die hij van de woningstichting,
zijn cliënte, kreeg. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de
juistheid van die informatie had moeten controleren, is de voorzitter niet gebleken.
Ook is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder met de betreffende informatie
de privacy van klaagster heeft geschonden. Verweerder heeft de informatie van de woningstichting
in de procedure bij de kantonrechter en het gerechtshof mogen gebruiken om het standpunt
van zijn cliënte over de ontruiming naar voren te brengen. De omstandigheid dat klaagster
het niet eens is met het standpunt van de woningstichting betekent niet dat verweerder
tuchtrechtelijk iets te verwijten valt. Klachtonderdeel c) is dan ook kennelijk ongegrond.
Overig
4.5 De verwijten die klaagster de woningstichting en de deurwaarder maakt over
in rekening gebrachte kosten, verstuurde brieven en de gang van zaken rondom de ontruiming
gaan niet over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van de
woningstichting. De voorzitter kan ook niet vaststellen dat verweerder hier op enigerlei
wijze bij betrokken is geweest en verweerder heeft dat ook betwist. Dit onderdeel
van de klacht is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart de klacht over de woningbouwvereniging en de deurwaarder, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, voor het overige
in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 november 2025