ECLI:NL:TADRSGR:2025:229 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-611/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:229 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-611/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Niet gebleken van onvoldoende voortvarendheid en excessief declareren. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 5 november 2025 in de zaak 25-611/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 5 september 2024 met kenmerk K242 2024 ia/nm, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 08 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 13.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is met haar ex-echtgenoot verwikkeld in een echtscheidingsprocedure.
Vanaf medio maart 2024 tot oktober 2024 heeft verweerster klaagster hierin bijgestaan.
De ex-echtgenoot wordt bijgestaan door mr. O.
1.2 Op 11 maart 2024 hebben klaagster en verweerster elkaar via Teams gesproken
en op 14 maart 2024 heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan klaagster gemaild.
Daarin heeft verweerster onder meer opgenomen:
‘Tijdens de bespreking gaf je aan dat jouw financiële situatie op dit moment en
de noodzaak om inkomsten te hebben een groot aandachtspunt is.’
en
‘De bestede uren staan regelmatig onder onze e-mails, zodat je tussentijds inzage
hebt in de door ons bestede tijd. Er wordt geschreven in eenheden van 6 minuten. Als
je tussentijds een urenspecificatie wenst, wordt die op eerste verzoek toegezonden.’
Klaagster heeft de opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend.
1.3 Verweerster heeft voor haar werkzaamheden de volgende facturen met urenspecificaties
aan klaagster gestuurd:
- 24 april 2024 € 2.208,55 incl. btw
- 24 mei 2024 € 1.452,61 incl. btw
- 25 juni 2024 € 3.142,37 incl. btw
- 30 juli 2024 € 7.359,22 incl. btw
- 3 september 2024 € 694,72 incl. btw
- 8 oktober 2024 € 415,03 incl. btw
Totaal € 15.272,50 incl. btw
1.4 Op 20 mei 2024 heeft verweerster drie overzichten aan klaagster gemaild:
‘Ter voorbereiding op ons telefonisch overleg van vanmiddag, en mijn overleg van
morgen met mr. [O.], heb ik alles in kaart gebracht en in een drietal overzichten
verwerkt. Ik heb deze overzichten gemaakt aan de hand van de stukken in het dossier
en jouw input. Bijgaand tref je deze overzichten aan. Vanmiddag zal ik hier een toelichting
op geven. (…)’
1.5 Op 21 mei 2024 heeft een overleg plaatsgevonden tussen verweerster en mr.
O.
1.6 Op 12 juli 2024 heeft verweerster een concept verweerschrift aan klaagster
gemaild. Daarop heeft klaagster dezelfde dag een aantal aanpassingen aan verweerster
gemaild en opgemerkt ‘Het verweerschrift ziet er zeer krachtig uit! Hartelijk dank
hiervoor.’ Het verweerschrift is dezelfde dag bij de rechtbank ingediend.
1.7 Van 14 september 2024 tot en met 30 september 2024 was verweerster vanwege
vakantie afwezig.
1.8 Op 30 september 2024 heeft verweerster op verzoek van de rechtbank een F9-formulier
bij de rechtbank ingediend waarmee verweerster bevestigde dat zij de eerder namens
klaagster ingediende (zelfstandige) nevenverzoeken handhaaft.
1.9 Op 10 oktober 2024 heeft klaagster verweerster gemaild met het verzoek om
haar dossier naar haar nieuwe advocaat te sturen.
1.10 Op 2 december 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster
ingediend. Op 9 en 11 december 2024 heeft klaagster haar klacht aangevuld.
1.11 In december 2024 is tussen het kantoor van verweerster en klaagster gemaild
en gebeld over drie openstaande facturen van verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster is in de zaak van klaagster niet voortvarend te werk gegaan;
b) verweerster heeft tot nu toe € 16.000,- gefactureerd voor het schrijven van
een verweerschrift. De door verweerster gefactureerde bedragen zijn buitenproportioneel
gezien de prestaties en voortgang van de zaak;
c) verweerster heeft geen kort geding gestart, terwijl zij klaagster heeft doen
geloven dat het kort geding al was gestart.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen
en stukken van klager ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat in overleg en
met akkoord van klaagster om uitstel heeft verzocht voor de indiening van het verweerschrift.
Voor de door haar verrichte werkzaamheden verwijst verweerster naar de urenspecificaties
die met haar facturen zijn meegestuurd. Volgens verweerster heeft zij alles met klaagster
besproken en overlegd en heeft klaagster steeds met alle genomen stappen ingestemd.
Van tijdrekken zodat zij langer kon factureren is volgens verweerster geen sprake.
Verder wijst verweerster erop dat zij in de periode van 27 februari 2024 tot en
met 30 september 2024 werkzaamheden voor klaagster heeft verricht waarvoor in totaal
€ 15.272,50 in rekening is gebracht. Klaagster wist volgens verweerster steeds wat
de stand van zaken was ten aanzien van de gewerkte uren en openstaande kosten, omdat
onder vrijwel iedere e-mail aan klaagster staat hoeveel uren er zijn gewerkt, hoeveel
de te factureren uren bedragen en wat de openstaande kosten zijn.
Tot slot merkt verweerster op dat zij nooit heeft voorgedaan dat zij een kort geding
zou starten. Volgens verweerster is op enig moment de mogelijkheid van een kort geding
besproken, maar was er geen noodzaak meer om een kort geding te starten nadat de ex-echtgenoot
€ 500,- per maand aan klaagster ging betalen. Verder verwijst verweerster naar de
specificaties van haar facturen waaruit niet blijkt dat werkzaamheden zijn verricht
in verband met een kort geding.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij of zij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.2 De voorzitter leidt uit de klacht af dat het klaagster bij haar verwijt over
het gebrek aan voortvarendheid gaat om de totstandkoming van het verweerschrift en
de indiening daarvan. De voorzitter kan echter op grond van de overgelegde stukken
niet vaststellen dat verweerster ten aanzien van het verweerschrift onvoldoende voortvarend
te werk is gegaan. Verweerster heeft toegelicht dat voorafgaand aan de indiening van
het verweerschrift overleggen hebben plaatsgevonden met klaagster en met mr. O., de
advocaat van de ex-echtgenoot, en dat zij de rechtbank in overleg met klaagster en
mr. O. om uitstel heeft verzocht voor de indiening van een verweerschrift. Deze toelichting
wordt ondersteund door de bij de facturen overgelegde urenspecificaties in combinatie
met de e-mail van verweerster aan klaagster van 20 mei 2024, waaruit blijkt dat verweerster
vanaf medio maart tot eind juni 2024 steeds in contact is geweest met klaagster en
met mr. O.
Verder heeft verweerster toegelicht dat toen eind juni 2024 bleek dat de ex-echtgenoot
ondanks herhaalde toezeggingen daartoe van mr. O. de eerder afgesproken stukken maar
niet verstrekte, zij met klaagster heeft besproken om niet meer af te wachten en een
verweerschrift in te dienen, dat twee weken later ook is gebeurd. Deze toelichting
wordt eveneens ondersteund door de overgelegde urenspecificaties en ook door de e-mailcorrespondentie
tussen verweerster en klaagster op 12 juli 2024. Uit deze e-mailcorrespondentie leidt
de voorzitter af dat klaagster tevreden was over het door verweerster opgestelde verweerschrift.
Van laksheid, gebrekkige communicatie en beschikbaarheid van verweerster of van
tijd rekken om langer te kunnen factureren, zoals door klaagster is gesteld, is de
voorzitter uit de door verweerster toegelichte en door klaagster niet weersproken
gang van zaken en de overgelegde stukken niet gebleken. De omstandigheid dat verweerster
van
14 september 2024 tot en met 30 september 2024 vanwege vakantie afwezig was, kan
niet tot de conclusie leiden dat verweerster niet dan wel onvoldoende voor klaagster
beschikbaar was. Tijdens haar vakantie, op 30 september 2024, heeft verweerster zelfs
nog gereageerd op het verzoek van de rechtbank om te laten weten of klaagster de (zelfstandige)
nevenverzoeken handhaafde. Daarnaast heeft verweerster onweersproken toegelicht dat
zij vanwege haar bekendheid met de financiële situatie van klaagster, haar facturen
heeft gematigd en 6 uur aan gewerkte tijd niet bij klaagster in rekening heeft gebracht.
Verder heeft klaagster het standpunt dat haar opvolgend advocaat van oordeel is
dat verweerster de zaak anders had moeten aanpakken niet met stukken onderbouwd en
verweerster heeft dit ook uitdrukkelijk betwist. Daarbij wijst de voorzitter erop
dat ook als de opvolgend advocaat een andere aanpak had gekozen, dit niet meteen betekent
dat de aanpak van verweerster onjuist is geweest.
De conclusie is dat verweerster ten aanzien van de voortvarendheid van de zaak geen
tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter stelt op grond van de stukken vast dat klaagster verweerster
verwijt dat zij
€ 16.000,- in rekening heeft gebracht voor het opstellen van het verweerschrift.
Uit de toelichting van verweerster in combinatie met de overgelegde urenspecificaties
blijkt dat het totale factuurbedrag van € 15.272,50 incl. btw (zie 1.3) voor veel
meer werkzaamheden bij klaagster in rekening is gebracht dan alleen het opstellen
van het verweerschrift. In zoverre is klachtonderdeel b) dan ook kennelijk ongegrond.
4.4 Verder stelt de voorzitter op grond van de stukken vast dat klaagster er
ook over klaagt dat de door verweerster gefactureerde bedragen buitenproportioneel
zijn gezien de prestaties en de voortgang van haar zaak. In dat verband merkt de
voorzitter op dat de tuchtrechter geen oordeel geeft over declaratiegeschillen. Wel
beoordeelt de tuchtrechter of sprake is van excessief declareren. De voorzitter ziet
op grond van de facturen en de urenspecificaties geen aanleiding voor het oordeel
dat verweerster excessief heeft gedeclareerd. In zoverre is klachtonderdeel b) daarom
eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter kan op grond van de stukken niet vaststellen dat verweerster
voor klaagster een kort geding zou starten en dat verweerster klaagster heeft doen
geloven dat het kort geding al aanhangig was gemaakt. Verweerster heeft toegelicht
dat zij de mogelijkheid van een kort geding op enig moment wel met klaagster heeft
besproken, maar dat daar geen noodzaak meer voor was nadat de ex-echtgenoot € 500,-
per maand aan klaagster begon te betalen. Verder heeft verweerster erop gewezen dat
het woord ‘kort geding’ een keer voorkomt in de urenspecificaties, namelijk bij een
e-mail van klaagster van 13 juni 2024 aan haar. In het licht van deze toelichting
heeft klaagster haar verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel c)
is dan ook kennelijk ongegrond.
Overig
4.6 Voor zover klaagster verweerster ook verwijt dat verweerster haar reactie
op de klacht rechtstreeks aan klaagster heeft gemaild in plaats van aan de deken,
leidt dat verwijt niet tot de conclusie dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Uit de correspondentie van de Haagse Orde van Advocaten blijkt immers
dat verweerster haar verweerschrift conform de instructie van de Orde heeft gemaild
aan de Orde en aan klaagster. Dit onderdeel van de klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 november 2025