ECLI:NL:TADRSGR:2025:217 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-287/DH/RO 25-288/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:217 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Tijdens een bespreking waarbij ook verweerders aanwezig waren, is een voorstel gedaan waarin het doen van aangifte bij de FIOD en/of politie van (fiscale) fraude is ingezet als onderdeel van de onderhandelingen. Dat is een dreigement waarmee klagers onevenredig in hun belangen zijn geschaad. Verweerders hebben tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door dit voorstel te faciliteren en ondersteunen. Zij hebben daarmee de kernwaarde integriteit geschonden. Omdat sprake is van schending van een kernwaarde, acht de raad voor beide verweerders een berisping op zijn plaats. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 november 2025
in de zaken 25-287/DH/RO en 25-288/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
1. […]
2. […] Holding B.V
3. […]
4. […]
5. […] Holding B.V
6. […]
klagers
gemachtigden: mrs. L. Mannheims en W.J. Morra
over
1. […] (25-287/DH/RO)
verweerder
2. […] (25-288/DH/RO)
verweerster
gemachtigde: mr. G.N. van Kooten
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 oktober 2024 zijn namens klagers bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) klachten ingediend over verweerders.
1.2 Op 30 april 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken R 2025/048
(verweerster) en R 2025/049 (verweerder) van de deken ontvangen.
1.3 De klachten zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van de raad van 22 september
2025. Daarbij waren klager 1 met mr. Morra en verweerders met mr. Van Kooten aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde klachtdossiers en van
de op bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de brief met bijlage van de gemachtigde van verweerders van 8 september 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De vennootschap onder firma [klaagster 3] (hierna ook: [K]) is een producent
van verschillende typen vleeswaren uit de Turkse keuken. [K] heeft daarnaast een lening
verstrekt aan [SY].
2.3 [K] was sinds 2001 een samenwerking tussen [klager 1] en zijn broer [F].
Ook [klaagster 4] (de vrouw van [klager 1]) en [S] (de vrouw van [F]) hebben de firma-akte
mede ondertekend.
2.4 In 2008 hebben [klager 1], [klaagster 4], [F] en [S] hun respectievelijke
aandelen in [K] ondergebracht in (respectievelijk) [klager 2], [klaagster 5], [F]
Holding en [S] Holding.
2.5 Op […] 2019 is [F] overleden, als gevolg waarvan [S] naast enig aandeelhouder
en bestuurder van [S] Holding ook enig aandeelhouder en bestuurder van [F] Holding
is geworden.
2.6 Op 27 september 2021 is [T], de zoon van [S] en wijlen [F], benoemd tot (zelfstandig
bevoegd) medebestuurder van zowel [F] Holding als [S] Holding.
2.7 Na het overlijden van [F] is tussen enerzijds [klager 1] en [klaagster 4]
en anderzijds [S] en [T] onenigheid ontstaan over de samenwerking binnen [K]. Dit
heeft geleid tot een civiele procedure bij de rechtbank.
2.8 Partijen zijn uiteindelijk in onderling overleg tot een oplossing gekomen
met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO), die door partijen op 31 mei
2024 is ondertekend. In de VSO is onder meer overeengekomen:
- De tussen partijen bestaande vof [K] wordt ontbonden;
- [F] Holding en [S] Holding treden uit als vennoten per 1 januari 2023;
- [K] wordt geacht per 1 januari 2023 voor rekening en risico van [klager 2]
en [klaagster 5] te zijn voortgezet;
- [klager 2] en [klaagster 5] betalen [F] Holding en [S] Holding een vergoeding
bij uittreding van plusminus 10,5 miljoen euro;
- [F] Holding en [S] Holding doen na volledige betaling afstand van alle rechten
en aanspraken welke zij op het vermogen en de winst van [K] kunnen doen gelden;
- Deze uitkoop en vrijwaring heeft (kort gezegd) geen betrekking op [SY].
Het hiervoor genoemde bedrag van plusminus 10,5 miljoen is op 30 augustus 2024 betaald.
2.9 [F] Holding en [S] Holding hebben verweerders verzocht hen te adviseren en
bij te staan in het kader van (de incasso van) de [SY]-lening.
2.10 Op 5 september 2024 heeft verweerster per e-mail een brief van verweerder
gestuurd aan mr. V, advocaat van [klager 2] en [klaagster 5]. In de brief van verweerder
staat onder meer:
“Uitgezonderd van de VSO en de daarin opgenomen finale kwijtingsregeling is de voor
alle partijen bekende “[SY] lening”.
Cliënten zouden graag met uw cliënten om de tafel willen gaat zitten om te bezien
hoe de kwestie rondom deze “[SY] lening” kan worden opgelost. Cliënten hebben mijn
kantoorgenote, [verweerster], en mij verzocht bij dit gesprek aanwezig te zijn.”
2.11 Op 23 september 2024 heeft een bespreking over de kwestie plaatsgevonden.
Daarbij waren aanwezig: mr. V, verweerders en de door [S] en [T] ingeschakelde adviseur
C. C heeft tijdens de bespreking een notitie (gedateerd 23 september 2024) voorgedragen.
In die notitie staat onder meer:
“In te brengen punten in het gesprek:
1. Afronding ontvlechting: De ontvlechtingsprocedure van [K] is succesvol afgerond
middels een VSO. (...)
2. Uitzondering [SY]-lening: De [SY]-lening valt buiten deze afronding. (…)
Gevolgen: i. Artikel 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR)
bevatten strafbepalingen voor het bewust verbergen van vermogen in het buitenland
of het gebruik van complexe juridische structuren om belastingheffing te ontduiken.
Overtreding kan leiden tot een gevangenisstraf van maximaal zes jaar en/of een geldboete
van drie keer het bedrag van de onbetaalde belasting, vermeerderd met verzuimrente
(8% in 2017). (…)
Opties die [S] voorliggen om te handelen:
Optie 1: Aangifte bij FIOD en politie (…)
Conclusie: [S] geeft de voorkeur aan het indienen van een aangifte bij de FIOD en
politie, vanwege de aanzienlijke belastingbesparingen en het vermijden van de risico’s
en kosten van een bodemprocedure. [S] is echter bereid af te zien van aangifte onder
de voorwaarde dat:
- [klager 1] en zijn vrouw dragen het volledige belang in [K] over aan [klager
6] (49%) en aan [T] (51%) of aan een door hen op te richten bedrijf. (…)
We verzoeken [klager 1], [klaagster 4] en [klager 6] om binnen een week na ons gesprek
(uiterlijk 14:00 uur) schriftelijk te bevestigen of zij akkoord gaan met het voorstel
van [S]. Indien er geen reactie komt, of de verklaring niet voldoet aan het voorstel,
zal er aangifte worden gedaan.”
Aan het eind van de bespreking is een door adviseur C opgestelde notitie aan mr.
V verstrekt
2.12 Op 24 september 2024 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen
verweerder en mr. V. Een kantoorgenoot van mr. V heeft aantekeningen van het gesprek
gemaakt (opgenomen in een e-mail van 26 september 2024). In die aantekeningen staat
onder meer:
“[mr. V] vroeg of het schriftelijk voorstel dat tijdens het overleg van maandag
23 september jl. door [C] aan [mr. V] is overhandigd is gedaan namens moeder en zoon,
en of hij het voorstel met onze cliënten kan delen als zijnde “een goede samenvatting”
van wat [C] tijdens dat overleg heeft gezegd. [Verweerder] zei uitdrukkelijk “natuurlijk,
ja”. Hij bevestigde dat het voorstel inderdaad is gedaan namens zijn cliënten en dan
het kon worden gedeeld met onze cliënten als zijnde een goede samenvatting.
Vervolgens vroeg [mr. V] of het voorstel inderdaad is, zoals aan het einde van het
overleg van 23 september jl. werd samengevat, of je draagt nu 51% van de aandelen
over aan [T] en 49% aan [klager 6], of we gaan aangifte doen bij de FIOD en de politie.
[Verweerder] reageerde uiteindelijk met “ja, precies” en “ja, klopt”. (…)
Na doorvragen bevestigde [verweerder] dat hij voorafgaande aan het gesprek “in grote
trekken” wist dat het voorstel de insteek van het gesprek zou zijn.”
2.13 Op 24 september 2024 om 22:52 uur mailt mr. V aan verweerder (en cc aan
verweerster) onder meer het volgende:
“In vervolg op onze bespreking van gisteren en ons telefoongesprek van vanochtend
bericht ik u als volgt.
Bijgaand document dat [C] mij gisteren gaf zal ik met cliënten delen als zijnde
het voorstel dat hij gisteren namens [S] en [T] heeft gedaan. In dat kader bevestigde
u mij dat het document een goede samenvatting is van hetgeen [C] gisteren heeft gezegd.
(…)
Wij bespraken verder dat wij beiden hebben begrepen dat de strekking van het voorstel
van uw cliënten is: [klager 1] en [klaagster 4] moeten hun belangen in de vennootschap
onder firma [K] overdragen aan [T] (voor 51%) en [klager 6] (voor 49%). Doen zij dat
niet, dan zal er – kort gezegd – tegen hen aangifte worden gedaan van ‘(fiscale) fraude’
bij de FIOD en de politie.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerders het volgende:
a) Verweerders hadden nimmer hun medewerking mogen verlenen aan het voorstel
dat namens [S] c.s. is gedaan. Verweerders waren bekend met de VSO en hebben zich
desalniettemin laten lenen voor het ondersteunen van de eis van hun cliënten om, in
weerwil van de ondertekende VSO en na de ontvangst van de daarin overeengekomen afkoopsom,
[klager 1] c.s. alsnog door middel van dreiging met een strafrechtelijke aangifte
uit [K] te werken.
3.2 Ter toelichting hebben klagers onder meer het volgende gesteld: [S] en [T]
hebben, vlak nadat ze afstand hadden gedaan van hun belang in [K] en daar conform
de afspraken in de VSO voor waren betaald, middels (poging tot) afdreiging en dwang
geprobeerd dat belang weer terug te krijgen. Hiertoe hebben zij verweerders en extern
adviseur C ingeschakeld. Klagers stellen dat verweerders zich schuldig hebben gemaakt
aan het medeplegen van een poging tot afdreiging en/of een poging tot dwang jegens
klagers. Klagers stellen dat het handelen van verweerders in strijd is met gedragsregel
1 lid 4 en de kernwaarde integriteit.
4 VERWEER
4.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. Zij hebben gewezen op
hun beperkte rol en opdracht: hun opdracht zag slechts op het verkrijgen van een (schade)vergoeding
in verband met de [SY]-vorderingen van hun cliënten. Zij hielden zich alleen bezig
met de civielrechtelijke bijstand en met de fiscale aspecten van de zaak. De notitie
was van de hand van C en hij heeft tijdens de bespreking het woord gevoerd en het
voorstel gedaan. De notitie is niet door verweerders geschreven of beoordeeld. Bij
het voordragen van de notitie heeft C de mogelijke strafbaarheid van het handelen
en het doen van aangifte bij de politie en de FIOD genoemd. Uit de notitie blijkt
echter dat het gaat om een aanvullende aangifte (Vpb/IB) bij de Belastingdienst. Verweerders
hebben tijdens de bespreking niet inhoudelijk het woord gevoerd. Verweerder heeft
het voorstel bovendien genuanceerd, door te stellen dat er andere mogelijkheden/oplossingen
denkbaar zijn, zowel tijdens als na de bespreking (ook in het telefoongesprek). Verweerster
is niet betrokken geweest bij het telefoongesprek achteraf.
4.2 Verweerders stellen dat zij in beginsel niet verantwoordelijk kunnen worden
gehouden voor de door en/of namens hun cliënten gedane mededelingen. Dat geldt temeer
als die mededelingen worden gedaan door een door de cliënten ingeschakelde deskundige,
op het zijn deskundigheid betreffende terrein. Voor zover C een andere (ongenuanceerde)
boodschap heeft gebracht, is deze door verweerder (ook namens verweerster) genuanceerd
door op alternatieve oplossingen te wijzen. Het is overigens ook niet tuchtrechtelijk
laakbaar om in het kader van een nog bestaand geschil een voorstel te doen, waarin
wordt afgeweken van de uitkomst van een eerder (ten aanzien van een ander geschil)
gesloten VSO. In retrospectief zijn verweerders zich ervan bewust dat hun rol door
klagers ruimer is opgevat dan deze was.
4.3 Ter zitting hebben verweerders toegelicht dat zij in grote lijnen op de hoogte
waren van de insteek van de bespreking. Zij hebben de notitie echter vooraf niet gezien.
Verweerster heeft de notitie een kwartier voor het gesprek gekregen en teruggegeven.
Verweerders hebben aangegeven dat de notitie cru geformuleerd is. Verweerder heeft
aangegeven dat het niet overeenkwam met wat hij van tevoren verwachtte. Dat is ook
de reden dat hij later tegen mr. V heeft gezegd dat er andere mogelijkheden waren.
Verweerster heeft aangeven dat het er cru staat, maar dat het niet zo is gezegd en
dat in het gesprek een onderbouwing is gegeven waarom het op deze manier is verwoord.
4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling klachten
5.2 De klacht ziet in de kern op het tijdens de bespreking van 23 september 2024
gedane voorstel. Dit voorstel is door adviseur C gedaan namens de cliënten van verweerders
en hield in dat aangifte bij de FIOD en politie zou worden gedaan, tenzij [klager
1] en [klaagster 4] aan de gestelde voorwaarden zouden voldoen (met name overdracht
van hun belang in [K]). In de notitie gaat het over aangifte bij de FIOD en de politie.
Dat het om een andersoortige aangifte zou gaan, namelijk een aanvullende aangifte
vpb/IB zoals verweerders stellen, kan de raad niet volgen. Er wordt in de notitie
meermaals uitdrukkelijk gesproken van aangifte bij de FIOD en de politie en er wordt
ook verwezen naar de strafbepalingen in de AWR en de straffen die daarop staan, waaronder
gevangenisstraf van maximaal zes jaar. Dat is niet anders op te vatten dan als een
(strafrechtelijke) aangifte, zoals die gedaan wordt bij FIOD en/of politie. Verweerder
heeft bovendien ook telefonisch nog bevestigd dat het zou gaan om aangifte van (fiscale)
fraude bij de FIOD en de politie. Dat sprake zou zijn van slechts een aanvullende
belastingaangifte bij de belastingdienst, blijkt niet uit notitie en verdere communicatie.
5.3 De raad is van oordeel dat een dergelijke voorstel een dreigement vormt waardoor
klagers onevenredig in hun belangen zijn geschaad. Het wel of niet doen van aangifte
mag niet worden ingezet als ‘ruilmiddel’ in het kader van de onderhandelingen tussen
partijen. De raad is van oordeel dat verweerders een dergelijk voorstel niet hadden
mogen faciliteren en ondersteunen. De raad kan niet vaststellen dat verweerders voorafgaand
aan de bespreking (volledig) bekend waren met de notitie en het voorstel. Het gaat
daarom te ver om te stellen dat zij tijdens de bespreking al hadden moeten ingrijpen.
Zij hadden echter wel na de bespreking met hun cliënten in gesprek moeten gaan en
ofwel het voorstel moeten corrigeren of daarvan uitdrukkelijk afstand moeten nemen.
Dat verweerders dat niet hebben gedaan, maakt dat zij het voorstel hebben gefaciliteerd
en ondersteund. De raad acht dat tuchtrechtelijk laakbaar. De klacht is daarmee gegrond.
5.4 De raad laat de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten voor wat die
is, omdat het oordeel daarover niet aan de tuchtrechter is.
6 MAATREGEL
6.1 Tijdens een bespreking waarbij ook verweerders aanwezig waren, is een voorstel
gedaan waarin het doen van aangifte bij de FIOD en/of politie van (fiscale) fraude
is ingezet als onderdeel van de onderhandelingen. Dat is een dreigement waarmee klagers
onevenredig in hun belangen zijn geschaad. Verweerders hebben tuchtrechtelijk laakbaar
gehandeld door dit voorstel te faciliteren en ondersteunen. Zij hebben daarmee de
kernwaarde integriteit geschonden. Omdat sprake is van schending van een kernwaarde,
acht de raad voor beide verweerders een berisping op zijn plaats.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moeten verweerders op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 100,-
(2x € 50,-) aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Verweerder en verweerster dienen ieder dus € 50,- aan klagers te betalen.
Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer
waarop betaald dient te worden schriftelijk aan verweerders door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerders daarnaast elk op
grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klager 1;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerders moeten het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken
nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager 1. Klager 1 geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer waarop betaald
dient te worden schriftelijk aan verweerders door.
7.4 Verweerders moeten ieder het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2
onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide zaken gegrond;
- legt aan beide verweerders de maatregel van berisping op;
- veroordeelt zowel verweerder als verweerster ieder tot betaling van het griffierecht
van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerder en verweerster gezamenlijk tot betaling van de reiskosten
van € 25,- aan klager 1, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in
7.3;
- veroordeelt zowel verweerder als verweerster ieder tot betaling van de proceskosten
van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn
als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. J.G. Colombijn-Broersma en M.G. van den Boogerd, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025