ECLI:NL:TADRSGR:2025:211 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-310/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:211 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-310/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over voormalig eigen advocaat. Belangenconflict. Door tegen klager, zijn voormalige cliënt, op te treden in de echtscheidingsprocedure tussen klager en de ex-echtgenote van klager heeft verweerder een belangenconflict gecreëerd. Daarmee heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtwaardig handelen raakt aan de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid en rechtvaardigt daarom de oplegging van een maatregel. Daarbij weegt de raad mee dat verweerder tijdens de zitting heeft erkend dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, dat verweerder zijn werkwijze inmiddels heeft veranderd en dat aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-310/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 juli 2024 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van klager een brief ontvangen, gedateerd 26 juni 2024,
waarbij klager een klacht indient over verweerder. Op 3 juli 2024 heeft klager zijn
klacht aangevuld.
1.2 Op 9 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K131 2024 ia/lb
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 25 augustus 2025. Daarbij
was verweerder aanwezig. Klager was met bericht vooraf niet aanwezig. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 08. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail van klager van 29 mei 2025 en van de e-mail met bijlagen van verweerder
van
3 juni 2025. Op 19 augustus 2025 heeft verweerder, op verzoek van de raad, productie
8 behorend bij zijn e-mail van 3 juni 2025 nog nagestuurd. Tot slot heeft de raad
nog kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 19 augustus 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de
op de zitting afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is verwikkeld in een echtscheiding met zijn ex-echtgenote (hierna:
de ex-echtgenote). Verweerder staat de ex-echtgenote hierin bij. Klager wordt bijgestaan
door mr. E.
2.2 Op 8 juli 2021 heeft verweerder klager gemaild dat de ex-echtgenote hem heeft
benaderd met het verzoek haar bij te staan bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding.
In dezelfde e-mail heeft verweerder klager aangeraden zich te laten bijstaan door
een gespecialiseerde advocaat op het gebied van familierecht.
2.3 Op 29 november 2021 heeft verweerder klager een e-mail gestuurd met als onderwerp
‘Bevestiging van de opdracht’. In deze e-mail heeft verweerder vermeld:
‘Onder verwijzing naar ons telefonisch overleg in de voorliggende kwestie bevestig
ik u het navolgende. U had aangegeven een voorkeur te hebben voor een gemeenschappelijk
verzoek tot echtscheiding. Volgens u kunnen partijen overeenstemming bereiken omtrent
de hoofdlijnen. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gaat
u met de navolgende regeling akkoord:
- De kinderen krijgen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw/moeder;
- De kinderen krijgen alimentatie van € 429,- per kind per maand aan te moeder te
voldoen;
- De kosten van de school blijven voor rekening van de man/vader;
- De kinderen gaan ieder weekend van vrijdag tot zondag bij de vader wonen;
- De vrouw en kinderen blijven in de huidige echtelijke woning wonen. De man betaalt
alle vaste kosten van de echtelijke woning (huur/gas/electra en water) totdat het
jongste kind 12 jaar is geworden;
- De vrouw krijgt een bedrag ad€ 750,- per maand als partneralimentatie.
Ik ben bereid om u en uw vrouw juridisch bij te staan in deze kwestie. Voor de kosten
van rechtsbijstand heb ik voor uw echtgenote een toevoeging gekregen. Voor het deel
van uw kosten van de rechtsbijstand deel ik u mede dat u niet in aanmerking komt voor
gefinancierde rechtsbijstand. Voorgaande betekent dat u de kosten van de rechtsbijstand
voor uw rekening dient te nemen. Ik ben bereid om u in deze procedure bij te staan
op basis van 1 van de twee mogelijkheden:
1. Ik kan u bijstaan op basis van mijn uurtarief van € 175,- excl. 21% btw. In dat
geval wordt de helft (50%) van de aan de zaak te bestede tijd aan u gedeclareerd.
2. Anders ben ik bereid om u tegen een vast honorarium van € 1.000,- exclusief 21%
bij te staan.
Daarnaast dient u en uw echtgenote rekening te houden met het betalen van griffierechtkosten
aan de rechtbank en kosten van uittreksels/akten.
Indien u hiermee akkoord gaat dan verzoek ik u per e-mail uw akkoord te geven alsmede
per e-mail aan te geven voor welk honorarium gaat u kiezen. Na vernemen van uw reactie
zal ik onmiddellijk de stukken opstellen en een afspraak voor ondertekening maken.
(…).’
2.4 Op 30 november 2021 heeft klager verweerder gemaild:
‘Dank voor uw e-mail.
Ik wil graag de volgende voorwaarden, zoals overeengekomen, zoals gedeeltelijk overeengekomen
en verduidelijkt (zie onderstreept):
- De kosten van school inclusief het vervoer naar/van school blijven voor rekening
van de man/vader.
- De vrouw ontvangt een bedrag van € 750 per maand als partneralimentatie totdat
het jongste kind 12 jaar wordt; de partneralimentatie wordt verminderd met alle inkomsten
die de vrouw ontvangt totdat het jongste kind 12 jaar wordt.
- De kinderen zullen alimentatie ontvangen ten bedrage van 460,- euro per kind per
maand, te betalen aan de moeder; de moeder zal alle kosten (…) van de kinderen en
activiteiten (…) dragen.
- De vrouw en de kinderen zullen in de huidige echtelijke woning blijven wonen;
de echtgenoot zal alle vaste kosten van de echtelijke woning (…) betalen tot een
maandelijks maximum van 1500,-€ totdat het jongste kind 12 jaar wordt.
De overige voorwaarden blijven ongewijzigd.
Ik wil graag kiezen voor de tweede optie, dat is voor een vast bedrag van € 1.000,-
exclusief 21%.’
2.5 Op 7 december 2021 heeft verweerder klager en de ex-echtgenote een conceptconvenant
en een ouderschapsplan gemaild met het verzoek om deze stukken ‘aandachtig te lezen
en uw opmerkingen dan wel uw akkoord per e-mail door te geven.’
2.6 Op 8 december 2021 heeft klager het conceptconvenant met daarin zijn wijzigingen
aan verweerder en de ex-echtgenote gemaild.
2.7 Op 9 december 2021 heeft verweerder klager gemaild:
‘Gezien uw reactie op het concept osp/convenant verzoek ik u zich tot een advocaat
te wenden om u in deze procedure bij te staan. Gezien de belangen van mijn cliënte
kan ik u beiden niet gelijktijdig bijstaan.’
2.8 Op 24 december 2021 heeft verweerder klager per e-mail gevraagd om zijn financiële
gegevens door te geven voor het berekenen van de kinder- en partneralimentatie.
2.9 Op 4 maart 2022 heeft verweerder namens de ex-echtgenote een verzoek tot
echtscheiding en een verzoek tot voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank
Den Haag (hierna: de rechtbank). Namens klager is een verweerschrift tevens (voorwaardelijk)
zelfstandig verzoekschrift ingediend.
2.10 Op 19 april 2022 heeft de rechtbank in de procedure over de voorlopige voorzieningen
onder meer bepaald dat klager kinder- en partneralimentatie dient te betalen.
2.11 In de procedure over de echtscheiding heeft verweerder op 26 september 2022
namens de ex-echtgenote een verweerschrift op het zelfstandig verzoek van klager ingediend.
2.12 Op 14 maart 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen
klager en de ex-echtgenote. Bij de beoordeling van het verzoek om partneralimentatie
heeft de rechtbank overwogen: ‘Daarbij komt dat de man op geen enkel wijze inzicht
heeft verschaft in zijn inkomsten. (…)’
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft een belangenconflict veroorzaakt door eerst klager en de
ex-echtgenote gezamenlijk te vertegenwoordigen en nu alleen de ex-echtgenote te vertegenwoordigen
in de echtscheidingsprocedure tegen klager. Verweerder heeft de tijdens de bemiddeling
tussen klager en de ex-echtgenote verzamelde vertrouwelijke informatie tegen klager
gebruikt in de echtscheidingsprocedure. Daarmee heeft verweerder gedragsregel 15 geschonden.
b) verweerder heeft zich eenzijdig teruggetrokken uit de bemiddeling tussen klager
en de ex-echtgenote om zijn inkomsten te maximaliseren.
3.2 De raad zal hierna bij de beoordeling op de stukken en stellingen van klager
ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en heeft in zijn verweerschrift
betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert
verweerder aan dat de ex-echtgenote zijn cliënte is en dat zij hem heeft benaderd
voor het indienen van een verzoek tot echtscheiding. Verweerder merkt op dat hij klager
moest benaderen voor diens standpunt over het echtscheidingsverzoek, de verdeling
en de opvoedingstaken. Volgens verweerder was klager akkoord met het echtscheidingsverzoek
en heeft klager hem gevraagd een gemeenschappelijk verzoek in te dienen, maar kwam
klager daar na verzending van de opdrachtbevestiging op terug. Verweerder merkt op
dat hij klager toen direct heeft bericht dat hij klager niet kan bijstaan.
Verder benadrukt verweerder dat hij nooit enige kosten bij klager in rekening heeft
gebracht, dat klager nooit vertrouwelijke (financiële) gegevens aan hem heeft verstrekt
en dat zijn cliënte op basis van een toevoeging heeft bijgestaan. Daarbij merkt verweerder
op dat klager niet heeft vermeld welk belang van hem is geschaad en welke vertrouwelijke
informatie hij van klager heeft gekregen en op welke wijze hij daar misbruik van heeft
gemaakt.
Tot slot merkt verweerder op dat klager aanzienlijke procedures tegen de ex-echtgenote
heeft gevoerd om haar rechten te ontnemen en dat deze klacht een van klagers tactieken
is om het geschil met de ex-echtgenote op oneerlijke wijze te winnen. Daarbij wijst
verweerder erop dat klager nooit heeft vermeld bezwaar te hebben tegen het verlenen
van bijstand aan de ex-echtgenote ondanks het feit dat de echtscheidingsprocedure
in 2021 is gestart.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
In deze zaak gaat het om de binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm dat een
advocaat, gelet op zijn gebondenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en
vertrouwelijkheid, in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalige) cliënt
van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is uitgewerkt in gedragsregel 15.
Klachtonderdeel a) is gegrond
5.2 Met klachtonderdeel a) verwijt klager verweerder dat hij in strijd heeft
gehandeld met gedragsregel 15. Op grond van gedragsregel 15 mag een advocaat, behoudens
bijzondere omstandigheden, niet optreden tegen een cliënt of een voormalige cliënt.
De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten
koste van zijn (voormalig) cliënt in een belangenconflict te raken. Daarnaast moet
de (voormalig) cliënt er volledig op kunnen vertrouwen dat (vertrouwelijke) gegevens
over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de (voormalig) cliënt aan de
advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment
tegen hem worden gebruikt. De advocaat streeft ernaar om te voorkomen dat hij tegen
een cliënt of een voormalige cliënt optreedt en wanneer die situatie zich toch voordoet,
zal de advocaat daar alert op moeten zijn en zich geheel en uit eigen beweging moeten
terugtrekken.
5.3 De raad stelt op grond van de opdrachtbevestiging van 29 november 2021 vast
dat klager een voormalig cliënt van verweerder is geweest. De vraag is dan ook of
verweerder in afwijking van de hoofdregel van gedragsregel 15 lid 1 tegen klager heeft
mogen optreden in de echtscheidingsprocedure. Een advocaat mag namelijk alleen dan
tegen een voormalige cliënt optreden als is voldaan aan elk van de drie voorwaarden
die in gedragsregel 15 lid 3 zijn opgesomd of als sprake is van de situatie bedoeld
in gedragsregel 15 lid 4 waarin sprake is van instemming van de huidige cliënt en
de voormalige cliënt. Nu van een lid 4-situatie in deze klachtzaak geen sprake is,
moet de raad beoordelen of is voldaan aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarden:
a. de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten
aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de
advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk;
b. de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige
of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige
of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling
van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en
c. niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande
cliënt.
5.4 De raad stelt vast dat verweerder de ex-echtgenote in de echtscheidingsprocedure
tegen klager bijstaat, terwijl hij klager en de ex-echtgenote eerder als gezamenlijk
advocaat heeft bijgestaan toen nog sprake was van een gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek.
Waar verweerder dus aanvankelijk de belangen van beide ex-echtgenoten behartigde in
de echtscheidingsprocedure en daarmee samenhangende kwesties van de partner- en kinderalimentatie
en de zorg voor de kinderen, is verweerder later alleen de belangen van de ex-echtgenote
gaan behartigen in procedures tegen klager. Behalve de advocaat-cliëntrelatie tussen
verweerder en klager staat hiermee ook vast dat de aan verweerder toevertrouwde belangen
van de ex-echtgenote dezelfde zaak betreffen als de zaak waarin verweerder klager
en de ex-echtgenote gezamenlijk heeft bijgestaan, dat die belangen daarmee verband
houden en dat ook een toekomstig verband aannemelijk is. Aan de eerste voorwaarde
(onder a) om wel tegen klager te mogen optreden is dan ook niet voldaan.
5.5 Nu aan elk van de drie voorwaarden uit lid 3 van gedragsregel 15 moet zijn
voldaan om wel tegen klager te mogen optreden in de echtscheidingsprocedure en aan
de eerste voorwaarde (onder a) al niet is voldaan, kan een beoordeling van de twee
andere voorwaarden (onder b en c) achterwege blijven. De uitzondering van lid 3 op
het verbod om tegen een (voormalige) cliënt te mogen optreden is hier dan ook niet
van toepassing. Dit betekent dat de hoofdregel van het verbod geldt en dat verweerder
door te gaan optreden voor de ex-echtgenote tegen klager de hoofdregel van gedragsregel
15 heeft geschonden en daarmee ook tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel
a) is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.6 De raad kan niet vaststellen dat verweerder zich heeft teruggetrokken uit
de bemiddeling tussen klager en de ex-echtgenote om zijn kosten te maximaliseren.
Het is niet gebleken dat verweerder kosten bij klager in rekening heeft gebracht en
verweerder heeft dat ook betwist. In dat kader heeft verweerder toegelicht dat hij
de ex-echtgenote heeft bijgestaan op basis van een toevoeging. Bij gebrek aan een
feitelijke onderbouwing is klachtonderdeel b) dan ook ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Door tegen klager, zijn voormalige cliënt, op te treden in de echtscheidingsprocedure
tussen klager en de ex-echtgenote van klager heeft verweerder een belangenconflict
gecreëerd. Daarmee heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtwaardig
handelen raakt aan de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid en rechtvaardigt
daarom de oplegging van een maatregel. Daarbij weegt de raad mee dat verweerder tijdens
de zitting heeft erkend dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, dat verweerder zijn
werkwijze inmiddels heeft veranderd en dat aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke
maatregel is opgelegd. Onder deze omstandigheden ziet de raad aanleiding om in dit
geval te volstaan met de oplegging van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, en mrs. M. van Eck,
E.A.L. van Emden, D.G.M. van den Hoogen en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden 20 oktober 2025