ECLI:NL:TADRSGR:2025:196 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-013/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:196 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-10-2025 |
| Datum publicatie: | 29-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-013/DH/RO |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. De raad kan niet vaststellen dat verweerster klaagster niet naar behoren heeft bijgestaan. Klaagster spreekt verweerster pas jaren na het sluiten van het dossier aan op de gekozen strategie. Die strategie is echter steeds met klaagster besproken en voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding is die door klaagster goedgekeurd. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 oktober 2025
in de zaak 25-013/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 maart 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 9 januari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/120
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 63. Tevens heeft de raad kennisgenomen
van de op 5 maart 2025 door klaagster nagezonden stukken, de door verweerster op verzoek
van de voorzitter op 29 augustus 2025 per e-mail nagezonden e-mailcorrespondentie
en de daaropvolgende e-mail van klaagster van diezelfde datum.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is op 1 november 2015 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij
DHL.
2.3 Op 15 december 2015 is klaagster betrokken geweest bij een arbeidsongeval
waarbij zij letsel heeft opgelopen. In verband met dat letsel heeft zij zich ziekgemeld.
2.4 Klaagster is per 1 juni 2016 ziek uit dienst gegaan.
2.5 Omdat klaagster van mening was dat zij in de periode van 1 november 2015
tot en met 31 mei 2016 niet correct was uitbetaald heeft zij zich eind 2020/begin
2021 tot verweerster gewend voor juridische bijstand. Op 6 januari 2020 heeft het
intakegesprek plaatsgevonden en verweerster heeft vervolgens namens klaagster met
DHL gecorrespondeerd.
2.6 Omdat DHL niet bereid bleek tot een schikking heeft verweerster op 22 maart
2021 een concept dagvaarding opgesteld en aan klaagster gezonden met het verzoek deze
aandachtig door te lezen en aan te geven of zij met de inhoud akkoord ging.
2.7 Na enige correspondentie over het concept en de bij de dagvaarding te voegen
producties heeft verweerster op 14 april 2021 aan klaagster het aangepaste concept
gezonden met het verzoek haar te laten weten of dit akkoord was.
2.8 In reactie op dit bericht heeft klaagster verweerster diezelfde dag per e-mail
bericht:
“prima. Ik heb geen zin meer om alles opnieuw te lezen. Ik ben moe, ik ben het zat,
ik ben aan het einde van mijn latijn. ik laat het maar zo”.
2.9 Naar aanleiding van deze reactie van klaagster heeft tussen partijen telefonisch
overleg plaatsgevonden.
2.10 Op 16 april 2021 voor 13.32 uur heeft verweerster de dagvaarding ter betekening
aan de deurwaarder gezonden.
2.11 Per e-mail van 16 april 2021 te 14.51 uur heeft klaagster aan verweerster
het volgende bericht:
“Ik ben hier zo blij mee. Ik heb je het leven ook niet altijd gemakkelijk gemaakt.
Hiervoor mijn welgemeende verontschuldigingen.
Ik heb alles gelezen en kan mij erin vinden.
Voor mij is het belangrijk dat de feiten genoemd worden en die kan ik nu allemaal
teruglezen in dit lijvige stuk.
Ik denk dat met dit huzarenstuk van je we wel een eind kunnenkomen, de eerste hordes
op weg naar de eindstreep zijn 3-0 voor ons.”
2.12 Op 22 april 2021 is de dagvaarding uitgebracht; de wederpartij is daarbij
gedagvaard te verschijnen ter (rol)zitting van 25 mei 2021.
2.13 Naar aanleiding van de uitgebrachte dagvaarding hebben partijen tevergeefs
de mogelijkheden van een schikking beproefd. Op 21 juni 2021 heeft klaagster aan verweerster
bericht graag vonnis te willen. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 6 oktober
2021 voor conclusie van antwoord.
2.14 Per e-mail van 1 juli 2021 heeft klaagster aan verweerster bericht zich
niet te laten afschepen ‘met een fooi’.
2.15 DHL is bij vonnis van 5 november 2021 bij verstek veroordeeld tot hetgeen
was gevorderd. Verweerster heeft klaagster daarvan per e-mail van 7 november 2021
op de hoogte gebracht.
2.16 Bij de executie van het verstekvonnis bleek dat klaagster het niet eens
was met hetgeen conform haar eis was toegewezen.
2.17 Op 24 december 2021 heeft verweerster klaagster op de mogelijkheid van hoger
beroep gewezen, waarbij zij heeft aangegeven haar in die procedure niet te zullen
bijstaan.
2.18 Op 21 januari 2022 heeft de ex-echtgenoot van klaagster haar stukken en
het procesdossier bij verweerster opgehaald.
2.19 Op 21 maart 2024 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende.
a) Misbruik van positie en functie.
b) Ondermijning van de rechten van klaagster.
c) Misleiding, intimidatie en afpersing.
d) Uitlokking tot valsheid in geschrifte.
e) Het plegen van valsheid geschrifte.
f) Handelen in het belang van de wederpartijen DHL en UWV.
g) Ondermijning van de rechtsgang door het achterhouden van fundamenteel vastgelegde
feiten en beslissingen.
h) Het beïnvloeden van de rechter door dwaling, list en bedrog.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien
het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit
van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling
geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met
betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat
bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat
heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar
hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen
die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden
gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen
de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt
een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline
5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans
van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De
cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen
zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs
daaraan te stellen eisen.
5.2 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar
dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet
ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met
de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat
zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken.
Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil,
schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Inhoudelijk
5.3 De klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking
5.4 Op basis van de overgelegde stukken en de stellingen van partijen kan de
raad niet vaststellen dat verweerster klaagster niet naar behoren heeft bijgestaan.
Zij heeft onweersproken gesteld een juridische inschatting te hebben gemaakt van de
wijze waarop de zaak behandeld zou moeten worden, deze strategie met klaagster te
hebben besproken en haar concepten ter goedkeuring te hebben voorgelegd. Gelet hierop
is de raad van oordeel dat verweerster in zoverre zorgvuldig heeft gehandeld.
5.5 Pas jaren na sluiting van het dossier heeft klaagster verweerster met een
klacht aangesproken op de – in haar ogen achteraf onjuiste – strategie in de procedure.
Weliswaar valt uit de communicatie tussen klaagster en verweerster af te leiden dat
er discussie bestond over de door verweerster gekozen strategie. Echter de raad leidt
hier ook uit af dat deze strategie steeds met klaagster is besproken en voorafgaand
aan het uitbrengen van de dagvaarding door haar is goedgekeurd. De raad wijst hierbij
op de e-mail van klaagster van 16 april 2021. Bovendien heeft verweerster onweersproken
gesteld dat klaagster nogal wisselde in haar emoties en is het verweersters taak om
als dominus litis op te treden. Op welke grond verweerster een tuchtrechtelijk verwijt
kan worden gemaakt over de door haar gekozen processtrategie is naar het oordeel van
de raad onvoldoende naar voren gebracht. De door klaagster in dit verband ingenomen
stellingen zijn door haar niet nader onderbouwd. De raad gaat daar derhalve aan voorbij.
5.6 Van misbruik van positie en functie, ondermijning, misleiding, intimidatie,
afpersing, (uitlokking tot) valsheid in geschrifte, fusering met wederpartijen, ondermijning
van de rechtsgang, het beïnvloeden van de rechter door dwaling, list en bedrog, afpersing,
bedreiging, intimidatie, foltering, slavernij en dwangarbeid, discriminatie dan wel
enig ander door klaagster genoemd en door verweerder betwist misdrijf is de raad in
dit dossier niet gebleken.
5.7 De klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W. Knoester en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 oktober 2025