ECLI:NL:TADRSGR:2025:190 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-478/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:190 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-09-2025 |
| Datum publicatie: | 14-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-478/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door namens zijn cliënten aanspraak te maken op het (stil) pandrecht. Verder is niet gebleken dat verweerder heeft ingestemd met het afwachten van het kort geding totdat hij namens zijn cliënte zou overgaan tot het uitwinnen van de pandrechten. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
17 september 2025
in de zaak 25-478/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager 1
en
[…] B.V.
klaagster 2
en
[…] B.V.
klaagster 3
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 21 juli 2025 met kenmerk K147 2024 en van de op de
inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen
stukken van klager van 28 juli 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager 1 is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van klaagster 2 en klaagster
3.
1.2 Op 9 juni 2022 is klaagster 2 een koopovereenkomst aangegaan met HB B.V.
voor de aandelen in klaagster 3. Een deel van de koopsom bestond uit een ‘earn-out’
regeling, afhankelijk van het bedrijfsresultaat over de boekjaren 2022 en 2023, en
een ‘vendor loan’ verstrekt door HB B.V. aan klaagster 2. Daarnaast had HB B.V. een
vordering in rekening-courant op klaagster 3 en verkreeg zij pandrechten op de debiteuren
van klaagster 2 en klaagster 3.
1.3 In 2023 is een geschil ontstaan over de informatievoorziening voor het vaststellen
van de earn-out regeling over 2022. Nadat een andere vennootschap van klager failliet
is verklaard, heeft HB B.V. aangedrongen op het ontvangen van informatie, ten behoeve
van het maken van een risico-afweging om aanspraak te maken op het pandrecht. HB B.V.
is in dit geschil bijgestaan door verweerder.
1.4 Op 10 mei 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klagers geschreven:
“(…) Op 18 en 29 april 2024 zijn [klaagster 2] en [klaagster 3] verzocht en gesommeerd
om aan hun (informatie)verplichtingen onder de vendor loan en rekening-courant overeenkomsten
te voldoen. [Klaagster 2] en [klaagster 3] hebben daaraan geen gehoor gegeven. Gevolg
is dan ook dat zowel de vendor loan als de rekening-courant onmiddellijk opeisbaar
zijn geworden op grond van art. 4.1 van die overeenkomsten. Niet alleen is niet voldaan
aan meerdere informatieverplichtingen zoals overeengekomen in art. 7.1 van de overeenkomsten,
maar gezien het faillissement van het sterk verweven [andere vennootschap van klager
1] leeft bij cliënte de – terechte – vrees dat de verhaalbaarheid van de resterende
hoofdsommen, vermeerderd met kosten, boetes en rente beduidend zal verminderen (art.
4.1b).
[HB B.V.] eist hierbij zowel de vendor loan als de rekening-courant onmiddellijk
en geheel op. (…) Blijft tijdige betaling uit, dan zal cliënte zich genoodzaakt zien
haar pandrechten uit te oefenen. (…)”
1.5 Op 17 mei 2024 heeft de advocaat van klagers daarop gereageerd, waarin hij
betwist dat van enige directe opeising sprake kan zijn en dat daarom ook de pandrechten
niet kunnen worden uitgeoefend. Daarbij heeft de advocaat aangekondigd opdracht te
hebben gekregen een kort geding te starten met een vordering van een executieverbod,
waarbij hij aangeeft:
“Ik ga ervan uit dat hangende dit kort geding [HB B.V.] even pas op de plaats maakt.
Ook daar ontvang Ik graag van u binnen de gestelde termijn de bevestiging van, bij
gebreke van welke bevestiging een kort geding met voorbijgaan aan verhinderdata en
verkorting van de dagvaardingstermijn op de kortst mogelijke termijn zal worden aangevraagd.”
1.6 Op 18 mei 2024 heeft verweerder zijn verhinderdata doorgegeven voor het kort
geding. Er is geen bevestiging gegeven op het ‘pas op de plaats’ maken.
1.7 Op 23 mei 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klagers geschreven:
“Cliënten zijn inmiddels al meer dan een jaar aan het discussiëren over de (informatie-)verplichtingen
van uw cliënt. In de tussentijd weigert uw cliënt aan de concrete informatieverzoeken
te voldoen, of zelfs maar uit te leggen waarom niet aan (specifieke onderdelen van)
die verzoeken zou kunnen worden voldaan. Telkens werpt uw cliënt discussiepunten op
en wordt de stelling ingenomen dat ‘er al voldoende gedeeld is’. Kortom: we vallen
in herhaling. Ook onderstaand bericht – waarin overduidelijk naar spijkers op laag
water wordt gezocht – is daar een voorbeeld van. Uw cliënt bevindt zich echter niet
in de positie te menen dat er al voldoende gedeeld is en achterover te leunen. In
zowel de koopovereenkomst als de vendor loan en de rekening-courant zijn duidelijke
afspraken gemaakt over welke (informatie-)verplichtingen op uw cliënt(en) rusten.
Cliënte heeft daar inmiddels meermaals op gewezen.
Zoals aangegeven levert het niet voldoen aan de (informatie-)verzoeken meerdere
gronden voor de onmiddellijke opeisbaarheid van de gehele vendor loan en rekening-courant
op. Eén van die gronden is inderdaad de vrees dat de verhaalbaarheid van de (resterende)
hoofdsom, vermeerderd met kosten, boetes en rente beduidend zal verminderen (een en
ander uitsluitend ter beoordeling van [HB B.V.]. Faillissement van het sterk verwezen
[andere vennootschap van klager 1] heeft bij [HB B.V.] uiteraard die vrees gewekt.
Het feit dat uw cliënt vervolgens heeft geweigerd ook maar iets van financiële informatie
te delen, doet deze vrees logischerwijs alleen maar toenemen en lever bovendien ene
zelfstandige opeisingsgrond op. (…)”
1.8 Verweerder heeft desgevraagd op 11 juni 2024 zijn aanvullende verhinderdata
doorgegeven.
1.9 Op 12 juni 2024 is een datum voor het kort geding aangevraagd en is de conceptdagvaarding
aan verweerder verzonden. Op 13 juni 2024 is de datum bepaald op 7 augustus 2024.
1.10 Op 17 juni 2024 heeft de deurwaarder in opdracht van verweerder een brief
betekend aan zestien opdrachtgevers van klagers, waarin wordt overgegaan tot uitwinning
van de pandrechten.
1.11 Op 18 juni 2024 heeft de advocaat van klagers aan verweerder onder meer
geschreven:
“Van cliënten vernam ik dat uw cliënte het kort geding kennelijk niet afwacht. Ik
begrijp dat zij is overgegaan tot het aanschrijven van verpande debiteuren met als
doel over te gaan tot uitwinning van haar pandrechten.
Met cliënte ga ik er – gelet op de eerdere toegezonden concept dagvaarding – vanuit
dat uw cliënte bekend is met het standpunt van mijn cliënten te dien aanzien: de vorderingen
van uw cliënte zijn niet opeisbaar, zij is in (schuldeisers)verzuim en kan derhalve
ook niet overgaan tot uitwinning van haar pandrechten. (…)’’
Diezelfde dag is ook de dagvaarding betekend aan de cliënte van verweerder. Ook
hebben klagers de debiteuren medegedeeld dat zij niet bevrijdend aan HB B.V. kunnen
betalen, waarna diverse debiteuren te kennen hebben gegeven de gelden onder zich te
houden totdat duidelijk was aan wie betaald moest worden.
1.12 Op 20 juni 2024 heeft de advocaat van klagers een vervroegde datum voor
het kort geding aangevraagd. Op 4 juli 2024 is het kort geding ter zitting behandeld.
1.13 Bij vonnis van 12 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd,
geoordeeld dat de vorderingen nog niet opeisbaar waren en dat er geen pandrecht was
gevestigd tot zekerheid van de betaling van de earn-out. HB B.V. is vervolgens veroordeeld
om onmiddellijk na betekening van het vonnis de uitoefening van haar pandrechten te
staken. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
1.14 Op 7 augustus 2024 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft onterecht zekerheden opgeëist voor de earn-out, terwijl hij
als advocaat wist dat het pandrecht niet zag op de earn-out verplichtingen en dat
‘opeising’ (waarmee ‘openbaarmaking’ zal zijn bedoeld) onterecht zou zijn;
b) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan eigenrichting en in strijd gehandeld
met gedragsregel 6 lid 2 door de indruk te wekken het kort geding af te wachten en
dat vervolgens niet te doen waarbij hij dat ook niet aan klagers heeft gemeld (zodat
klagers om een eerdere datum van kort geding hadden kunnen vragen). Evenmin heeft
hij klagers geïnformeerd over de voorgenomen executiemaatregelen;
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 6 lid 1, door klagers
onnodige kosten te laten maken voor het laten betekenen van een tweede dagvaarding;
d) Verweerder heeft klagers niet geïnformeerd welke debiteuren zijn aangeschreven,
zodat klagers niet schadebeperkend hadden kunnen optreden. Voor klagers 2 en 3 is
het openbaren van de pandrechten uiterst schadelijk, nog los van het feit dat de naam
van klager 1 door verweerder hierdoor onterecht door de modder wordt gehaald.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen.
4.2 De voorzitter stelt vast dat het geschil heeft plaatsgevonden tussen enerzijds
klaagsters 2 en 3 en anderzijds verweerder(s cliënte). Klager 1, die directeur/enig
aandeelhouder is in klaagsters 2 en 3, is daarin niet direct betrokken geweest als
natuurlijk persoon. De omstandigheid dat klager 1 meent dat zijn goede naam door het
slijk wordt gehaald, is gelegen in zijn hoedanigheid van directeur/enig aandeelhouder
in klaagsters 2 en 3, zodat ook hierom geen zelfstandig eigen belang aan klager 1
kan worden toegekend. Dat betekent dat klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk wordt
verklaard in zijn klacht.
4.3 Klaagsters 2 en 3 zijn wel ontvankelijk in hun klacht. Dat betekent dat de
voorzitter hierna toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. De voorzitter
zal klaagsters 2 en 3 hierna gezamenlijk aanduiden als ‘klaagsters’.
Toetsingskader
4.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
Klachtonderdelen a)
4.5 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door namens zijn cliënten aanspraak te maken op het (stil) pandrecht.
Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat sprake was van verzuim,
het niet nakomen van een informatieverplichting, waarover hij klaagsters al meerdere
keren had aangeschreven. Dat verweerder als partijdig advocaat voor zijn cliënt is
overgegaan tot openbaarmaking van het pandrecht omdat zijn cliënt vreesde dat bepaalde
vorderingen niet zouden worden betaald, valt onder de vrijheid die verweerder als
advocaat toekomt. Dat hij hiermee nadeel toebrengt aan klaagsters, is niet ongeoorloofd.
Daarbij is ook van belang dat verweerder geen evident onpleitbaar standpunt heeft
ingenomen. De enkele omstandigheid dat een voorzieningenrechter in kort geding een
voorlopig oordeel heeft gegeven dat het pandrecht onterecht is uitgeoefend, is onvoldoende
om te spreken dat verweerder ondoelmatig heeft gehandeld ten opzichte van klaagsters.
Het is eigen aan juridische procedures dat een van de partijen in het ongelijk wordt
gesteld. Dat klaagsters financieel nadeel hebben ondervonden, maakt het handelen van
verweerder evenmin reeds daarom ondoelmatig. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.6 Daarnaast is niet gebleken dat verweerder heeft ingestemd het afwachten van
het kort geding totdat hij namens zijn cliënte zou overgaan tot het uitwinnen van
de pandrechten. Dat klaagsters menen dat deze instemming impliciet is gegeven omdat
verweerder zijn verhinderdata voor het kort geding heeft doorgegeven, berust op een
misvatting van klaagsters. Evenmin was verweerder gehouden om los daarvan ook een
pas op de plaats te maken, enkel omdat een kort geding was aangekondigd dan wel dagvaarding
al was betekend. De voorzitter stelt overigens vast dat verweerder al op 10 mei 2024
heeft aangekondigd dat hij namens zijn cliënte het pandrecht openbaar zou maken als
niet aan de informatieverplichting zou worden gedaan. Alleen daarom al kan geen sprake
zijn van een schending van gedragsregel 6 lid 2. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.7 Zoals hiervoor is geoordeeld, was verweerder niet gehouden om een pas op
de plaats te maken met het uitoefenen van het pandrecht ten behoeve van zijn cliënte,
ook al was er al een dagvaarding betekend. Dat er vervolgens een tweede dagvaarding
moest worden betekend, kan verweerder tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Klachtonderdeel
c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.8 Klaagsters hebben niet uiteengezet op basis van welke rechtsregel verweerder
gehouden was om kenbaar te maken welke debiteuren hij had aangeschreven. Een dergelijke
regel is de voorzitter evenmin bekend, zodat niet kan worden ingezien welke tuchtrechtelijke
norm verweerder zou hebben geschonden. Dat volgt in ieder geval niet uit gedragsregel
6. Daarbij geldt, zoals hiervoor reeds overwogen, dat verweerder in beginsel geen
afweging hoeft te maken tussen het voordeel voor zijn cliënte en het nadeel dat klaagsters
daarvan ondervonden. In zoverre was verweerder niet verplicht om klager in de gelegenheid
te stellen om de door hem voorgenomen schadebeperkende maatregelen te kunnen laten
treffen. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.9 De voorzitter zal klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in zijn
klacht. De klacht van klaagsters is in zijn geheel kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klager 1, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht van klaagster 2 en klaagster 3, met toepassing van artikel
46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.
Griffier Voorzitter