ECLI:NL:TADRSGR:2022:32 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-190/DH/DH 21-193/DH/DH 21-196/DH/DH
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2022:32 |
---|---|
Datum uitspraak: | 21-03-2022 |
Datum publicatie: | 22-03-2022 |
Zaaknummer(s): |
|
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
Beslissingen: | Beslissing op verzet |
Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 21 maart 2022 in de zaken 21-190/DH/DH, 21-196/DH/DH en 21-193/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 14 april 2021 op de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. M.A.M. Lem
over:
1. mr. (…) 21-190/DH/DH
2. mr. (…) 21-196/DH/DH
3. mr. (…) 21-193/DH/DH
allen advocaat te Den Haag
verweerders
gemachtigde: mr. L.H. Rijpkema
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 31 maart, 6 en 9 april 2020 heeft mr. Lem, mede namens twee cliënten, bij
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken)
een klacht ingediend over verweerders. Op 11 juni 2020 heeft mr. Lem ook een klacht
namens klager ingediend over verweerders. Deze uitspraak bevat enkel een beslissing
over laatstgenoemde klacht.
1.2 Op 5 februari 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K073 2020 ar/cw
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 14 april 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de
raad (hierna: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing
is op 14 april 2021 verzonden aan partijen.
1.4 Op 14 mei 2021 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
De raad heeft het verzetschrift op 14 mei 2021 ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van 7 februari 2022 van de raad. Daarbij
waren klager, de gemachtigde van klager, verweerders en de gemachtigde van verweerders
aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het
verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en
van het verzetschrift van klager.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
a) De voorzitter is eraan voorbij gegaan dat de klacht ook was gericht tegen mr.
S.
b) De voorzitter heeft in rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van de beslissing de relevante
feiten niet (geheel) juist weergegeven, waarmee de beslissing is gegrond/gebaseerd
op onjuiste feiten.
2.2 Tegen de feiten (weergegeven in rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.8) in de
voorzittersbeslissing en de klachtomschrijving komt klager in het verzetschrift niet
expliciet en ondubbelzinnig op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
Verzetsgrond a)
4.2 De raad heeft reeds ter zitting toegelicht waarom de klacht gericht tegen mr.
S. geen onderdeel heeft uitgemaakt van de voorzittersbeslissing. Voor de klacht tegen
mr. S. heeft de raad een aparte klachtzaak (met een apart nummer) aangemaakt. In die
zaak zal de raad bij beslissing d.d. heden uitspraak doen. Klachtonderdeel a) is daarmee
ongegrond.
Verzetsgrond b)
4.3 De raad stelt vast dat rechtsoverweging 4.2 van de voorzittersbeslissing enkel
betrekking heeft op een weergave van het standpunt van verweerders en derhalve geen
oordeel van de voorzitter bevat.
4.4 Met betrekking tot rechtsoverweging 4.3 van de voorzittersbeslissing overweegt
de raad als volgt. Uit de door klager gegeven toelichting begrijpt de raad dat klager
zich op het standpunt stelt dat de voorzitter geen rekening heeft gehouden met het
feit dat verweerders pas gevolg hebben gegeven aan de beslissing van de Beroepscommissie
nádat zij de dagvaarding inzake het door klager aanhangig gemaakte kort-geding (strekkende
tot nakoming van de beslissing van de Beroepscommissie) hadden ontvangen.
4.5 De raad heeft niet kunnen vaststellen dat de voorzitter zijn beslissing heeft
gebaseerd op onjuiste feiten. In de weergave van het standpunt van verweerders in
rechtsoverweging 4.2 van de voorzittersbeslissing staat vermeld dat klager een kort
geding is gestart. Dat aspect is derhalve door de voorzitter meegenomen. Ook overigens
is niet gebleken dat de beslissing van de voorzitter in rechtsoverweging 4.3 onjuist
zou zijn. Klachtonderdeel b) is daarmee ongegrond.
Conclusie
4.6 Omdat het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens
geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar
de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
4.7 Geheel ten overvloede overweegt de raad dat niet is gebleken dat de verweerders
onder 1 en 2 destijds als behandelend advocaat betrokken waren in de kwestie die aan
de klacht ten grondslag ligt.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, T. Hordijk, L.P.M. Eenens en P.C.M. van Schijndel, leden, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 21 maart 2022.