ECLI:NL:TADRARL:2026:121 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-126/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-05-2026 |
| Datum publicatie: | 27-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-126/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De klacht van een derde wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 26 mei 2026
in de zaak 26-126/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 17 februari 2026 met kenmerk K 25/155.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder staat de heer C (hierna: werknemer) bij in een arbeidsrechtelijke kwestie met V (hierna: werkgever).
1.2 Klager is gedetacheerd als jurist bij werkgever en behartigt de belangen van werkgever.
1.3 In een e-mail van 29 oktober 2025 heeft verweerder aan klager (als vertegenwoordiger van werkgever) het volgende geschreven:
Geachte heer De W,
Tot mij wendde zich de heer C, wonende te [adres], met het verzoek om hem bij te staan.
Aan dit verzoek heb ik voldaan en namens cliënt bericht ik u als volgt.
Cliënt heeft zich wegens gezondheidsklachten op 15 oktober jl. ziek gemeld en was
sindsdien in afwachting van een oproep voor een consult bij de bedrijfsarts. Desondanks
heeft u cliënt sinds zijn ziekmelding meermaals onder druk gezet door te vragen naar
wat hij al dan niet zou mankeren en bent u zelfs op de stoel van de bedrijfsarts gaan
zitten door medische aannames te doen, hetgeen uiteraard kwalificeert als uiterst
verwijtbaar. Ik wijs u erop dat cliënt ter zake zijn medische situatie niet richting
zijn werkgever hoeft te verklaren.
Ook bent u cliënt sinds zijn ziekmelding telefonisch en per e-mail blijven benaderen,
terwijl hij in afwachting was, hetgeen hij ook heeft verzocht, van een oproep voor
een consult bij de bedrijfsarts. Dit consult staat inmiddels geagendeerd voor 4 november
aanstaande, maar in plaats van de bevindingen en het advies van de bedrijfsarts ter
zake af te wachten heeft u cliënt vandaag wederom telefonisch benaderd voor het maken
van een afspraak voor het opstellen van een plan van aanpak!? Ik veronderstel u bekend
met het gegeven dat een plan van aanpak uiterlijk binnen 8 weken na een ziekmelding,
met inachtneming van het advies van de bedrijfsarts, dient te worden opgesteld, maar
desalniettemin blijkt uit uw handelen dat u het advies van de bedrijfsarts naar aanleiding
van het aanstaande consult op 4 november aanstaande niet af wilt wachten. Immers,
u kiest er klaarblijkelijk voor om de druk bij cliënt nog verder op te voeren door
middel van het per e-mail bevestigingen van het telefoongesprek dat u vanochtend met
cliënt hebt gehad en meent u uw betreffende e-mail ook nog eens af te moeten sluiten
met het verkapt dreigen met een loonsanctie. Gelet op het voornoemde behoeft het dan
ook geen nader betoog dat V niet als een goed werkgever heeft gehandeld. Cliënt is
ziek en ik verzoek u dan ook om hem niet meer onder druk te zetten tijdens zijn ziekte
als ook geen aannames te zake meer te doen en voor nu eerst de rapportage van de bedrijfsarts
af te wachten.
Tot slot verzoek ik u om u in de onderhavige kwestie in het volg enkel nog tot mij
te wenden, zodat cliënt in alle rust aan zijn herstel kan werken. Waarvoor dank!
Onder voorbehoud van alle rechten en weren van cliënt.
1.4 Verweerder heeft deze e-mail aan zowel het persoonlijke als het zakelijke e-mailadres van klager gestuurd.
1.5 Klager heeft op 30 oktober 2025 met het zakelijke e-mailadres als volgt gereageerd:
Geachte heer B,
Zojuist heb ik u herhaaldelijk geprobeerd te contacteren, maar helaas nam u de telefoon
niet op. Uw e-mail van 29 oktober is ontvangen. Deze is echter ook verzonden naar
mijn privé e mailadres, terwijl V een zakelijk contactadres heeft dat u bekend had
kunnen zijn. Ik heb mijn privé adres nooit met u gedeeld. Aangezien dit e-mailadres
niet is bedoeld voor zakelijke correspondentie, acht ik deze wijze van contact onjuist
en ongepast, zeker van een advocaat.
Ik verzoek u dan ook met klem om voortaan uitsluitend te corresponderen via het zakelijke
kanaal van V: [emailadres].
Voor de goede orde merk ik op dat het privé adres kennelijk via uw cliënt aan u is
verstrekt. Gezien de aard, inhoud en de toon van uw email bericht, ervaar ik deze
handelswijze als persoonlijk en onnodig intimiderend. Ik vertrouw erop dat u zich
voortaan zult houden aan de gebruikelijke gedragsregels binnen de advocatuur en uitsluitend
via de juiste zakelijke weg communiceert.
Uw bericht is ter kennisgenomen, in een apart emailbericht zullen wij daarop inhoudelijk reageren, dan zal voor toekomstig gebruik mijn privé-emailadres niet onnodig herhaald worden.’
1.6 Op 30 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klager te benaderen op zijn persoonlijke e-mailadres.
b) zich intimiderend richting klager uit te laten.
c) met tussenkomst van zijn cliënt een e-mail te construeren, althans een e-mail te overleggen waarvan klager vermoedt dat deze een georkestreerd karakter heeft.
d) ongeoorloofd persoonsgegevens van derden te verwerken.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van een derde die bij de onderliggende procedure betrokken is. Aan deze advocaat komt een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klager stelt dat verweerder hem op zijn privé e-mailadres heeft benaderd, terwijl verweerder ook beschikte over zijn zakelijke e-mailadres. De voorzitter stelt vast dat verweerder klager eenmaal heeft benaderd gelijktijdig via zowel zijn persoonlijke e-mailadres als zijn zakelijk e-mailadres. Dit betrof een stelbrief waarin verweerder zich kenbaar maakte als advocaat van de werknemer. Verweerder deed dat omdat zijn cliënt hem had verteld dat klager met hem correspondeerde via deze beide e-mailadressen. De voorzitter is hierover van oordeel dat het verweerder vrij stond om klager een e-mailbericht naar dit e-mailadres te sturen. Klager is hierdoor niet in zijn belangen geschaad en verweerder heeft bovendien – op verzoek van klager – na deze ene e-mail geen e-mails naar dit e-mailadres gestuurd. De voorzitter is van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.3 Klager stelt dat de inhoud van de e-mail van verweerder aan hem van 29 oktober 2025 intimiderend en onnodig verwijtend is. De voorzitter volgt klager niet in dit verwijt. De inhoud van deze brief is zakelijk in toon en inhoud en verwoorden het standpunt van zijn cliënt. Intimidatie of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen kan op grond van dit e-mailbericht niet worden vastgesteld. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.4 Klager stelt dat hij vermoedt dat de door verweerder overgelegde e-mail van 13 november 2025 een ‘georkestreerd karakter’ heeft. De voorzitter is hierover van oordeel dat dit verwijt onvoldoende is onderbouwd. Het verwijt wordt bovendien door verweerder betwist. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel d)
4.5 Klager stelt ten slotte dat verweerder persoonsgegevens van andere personen ongeoorloofd heeft verwerkt. Klager doelt daarmee niet op gegevens van hemzelf. De voorzitter overweegt hierover dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Klager verwijt verweerder dat hij onjuist heeft gehandeld met betrekking tot de gegevens van andere personen. Niet is gebleken dat klager hierdoor in zijn belang wordt of kan worden getroffen, klager heeft dat ook niet gesteld. Dat betekent dat dit klachtonderdeel niet inhoudelijk wordt behandeld en niet-ontvankelijk wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel a), b) en c) e klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 26 mei 2026