ECLI:NL:TADRARL:2025:63 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 24-520/AL/GLD
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2025:63 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-03-2025 |
Datum publicatie: | 11-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-520/AL/GLD |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Beslissing op verzet |
Inhoudsindicatie: | Verzetbeslissing. Geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klachtonderdelen rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken. Verzet is ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 10 maart 2025
in de zaak 24-520/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 9 september 2024 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 november 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 9 juli 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 23/162 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 9 september 2024 heeft de voorzitter van de raad de klacht voor een deel niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige kennelijk ongegrond.
1.4 Op 9 oktober 2024 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum digitaal ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 januari 2025 . Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Verweerster heeft zich ter zitting laten bijstaan door een kantoorgenoot.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlagen . Ook heeft de raad kennisgenomen van de pleitnota van klager en van hetgeen partijen ter zitting voor het overige naar voren hebben gebracht.
2. VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager het niet eens is met de beslissing van de voorzitter. In dat verband stelt klager dat het rechtsbeginsel van hoor en wederhoor is geschonden, omdat de voorzitter hem niet eerst heeft gehoord voordat op de klacht werd beslist.
Verder is de beslissing van de voorzitter volgens klager niet dan wel onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, omdat de voorzitter in zijn beslissing geen concreet voorbeeld uit de familievoorgeschiedenis van partijen heeft aangehaald om te onderbouwen dat een minnelijke oplossing tussen partijen onmogelijk was. Daarbij wijst klager erop dat op een zitting van 18 april 2023 een minnelijke schikking is getroffen, zodat de raad eenvoudig kan vaststellen dat het oordeel van de voorzitter dat een minnelijke regeling niet door verweerster bereikt kon worden vanwege de familievoorgeschiedenis en verweerster wel tot dagvaarding mocht overgaan niet in stand kan blijven.
Daarnaast stelt klager dat de voorzitter niet in overweging heeft genomen dat verweerster ten onrechte niet heeft meegewerkt aan zijn verzoek van 30 november 2020 om een nieuwe taxatie te laten uitvoeren.
Tot slot herhaalt klager zijn stellingen die hij ook in zijn klachtbrief heeft opgenomen.
2.2 Tegen de feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
2.3 De raad zal hierna op de verzetgronden ingaan.
3. FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4. BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad ziet op grond van de stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. De door klager aangevoerde verzetgronden slagen dan ook niet. Het feit dat de voorzitter schriftelijk op de klacht heeft beslist en dus zonder zitting, betekent niet dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Partijen hebben hun standpunten over de klacht in de onderzoeksfase bij de deken over en weer naar voren kunnen brengen. De voorzitter heeft van die standpunten kennisgenomen en op grond daarvan geoordeeld dat op de klacht kan worden beslist zonder zitting omdat de klacht voor een deel niet-ontvankelijk en voor een andere deel kennelijk ongegrond is.
Bij de beoordeling van de klacht heeft de voorzitter rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. P.F.A. Bierbooms , voorzitter, mrs. G.W. Roest en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 maart 2025