ECLI:NL:TADRARL:2022:79 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-002/AL/OV
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:79 |
---|---|
Datum uitspraak: | 04-04-2022 |
Datum publicatie: | 20-05-2022 |
Zaaknummer(s): | 22-002/AL/OV |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder heeft de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet overschreden. Drie klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond, een klachtonderdeel deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk en een klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 4 april 2022
in de zaak 22-002/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 6 januari 2022 met kenmerk 1374547, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is de ex-echtgenoot van de cliënte van verweerder. Verweerder staat zijn
cliënte sinds 2006 bij in diverse procedures tegen klager.
1.2 Bij vonnis in kort geding van 20 juni 2006 is het klager verboden rechtstreeks
dan wel middellijk met verweersters cliënte mondeling, schriftelijk, per e-mail, per
sms of op andere wijze contact te zoeken of te hebben, met uitzondering van middellijk
contact via de advocaten van partijen, zulks op straffe van € 500,- per keer voor
elke keer dat de man [klager] contact zoekt, tot een maximum van € 25.000,-.
1.3 Ook op grond van twee andere uitspraken is klager bedragen aan de cliënte van
verweerder verschuldigd.
1.4 Op 19 november 2008 heeft verweerder in verband met de door klager verschuldigde
bedragen in opdracht van zijn cliënte executoriaal beslag laten leggen ten laste van
klager.
1.5 Klager heeft een incassobureau opdracht gegeven om zijn pensioenrechten bij de
cliënte van verweerder te incasseren op grond van de Wet verevening pensioenrechten
na scheiding.
1.6 Op 15 maart 2021 heeft verweerder de deurwaarder onder meer gemaild:
‘Ik ben de advocaat van [naam cliënte] uit H. Om kort te gaan cliënte is slachtoffer van belaging door haar ex-echtgenoot de heer [naam klager].’
1.7 Op 16 maart 2021 heeft de deurwaarder klagers reactie op verweerders e-mail van
15 maart 2021 naar verweerder gemaild.
1.8 Op 17 maart 2021 heeft verweerder de deurwaarder gemaild dat zijn cliënte niets
aan klager gaat betalen. Verder heeft verweerder in zijn e-mail opgemerkt:
‘Betaling van pensioenrechten dient over en weer te geschieden. Dus eerst moet duidelijk
zijn (…) welke pensioenrechten cliënte heeft opgebouwd, daarna komen de rechten van
de heer [naam klager].
(…)
Mocht onverhoopt blijken dat [klager] meer rechten heeft opgebouwd dan cliënte, dan
komt de vraag naar de verrekening van de door hem verschuldigde dwangsommen jegens
mijn client.
Kortom: er is geen opeisbare titel van [klager] maar wel van cliënte. Verder is volstrekt
onduidelijk hoeveel pensioenrechten uw client heeft opgebouwd. Er valt niets op cliënte
te incasseren.’
1.9 Klagers opdracht aan de deurwaarder heeft door gebrek aan een rechtsgeldige titel
niet tot incassering van pensioenrechten geleid.
1.10 Op 21 maart 2021 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
het volgende.
a) Verweerder houdt zich niet aan de Nederlandse wet en dupeert daarmee alle betrokkenen
waaronder zijn eigen cliënte;
b) Verweerder maakt zich schuldig aan vermoeden van laster en smaad met zijn stelling
dat zijn cliënte slachtoffer is van belaging door klager;
c) Verweerders cliënte beschikt niet over een rechtsgeldige vordering op klager en
daarom handelt verweerder onrechtmatig jegens klager door de deurwaarder opdracht
te verstrekken tot incassering over te gaan. Verweerder is niet in het bezit van een
rechtsgeldige opdracht tot belangenbehartiging en hij heeft de deurwaarder misleid;
d) Verweerder maakt zich schuldig aan oplichting en/of bedrog en samenspanning met
de gerechtsdeurwaarder, omdat ten laste van klager in beslag genomen bedragen gedeeltelijk
voor andere doeleinden worden gebruikt;
e) Verweerder geeft adviezen aan zijn cliënte en aan de deurwaarder en is opdrachtgever
van de deurwaarder.
2.2 De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken
van klager ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht gevoerd en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op het verweer
ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klachtonderdelen gaan over het handelen van verweerder als advocaat van klagers
wederpartij. De advocaat van de wederpartij geniet een ruime mate van vrijheid om
de belangen van zijn cliënte te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn
cliënte goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden
doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij,
(b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs
kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënte de
belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk
doel. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij
voor zijn cliënte wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen
het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich
onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder
dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënte strekken, onevenredig nadeel
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 Uit de klachtbrief blijkt dat klager verweerder met dit klachtonderdeel verwijt
dat hij zich niet houdt aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en aan
het Wetboek van Strafrecht.
4.3 De voorzitter kan op grond van de stukken niet vaststellen of het verwijt dat
klager verweerder maakt ten aanzien van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
juist is. Uit de stukken blijkt slechts dat klager vindt dat verweerders cliënte gehouden
is om mee te werken aan de verevening van pensioenrechten, terwijl verweerder dit
gemotiveerd heeft weersproken. Los van de verschillende standpunten over de verevening
van pensioenen betreft het een civielrechtelijk geschil tussen twee ex-echtgenoten
waarover de tuchtrechter niet inhoudelijk mag beslissen. Voor wat betreft het verwijt
dat verweerder zich niet houdt aan het Wetboek van Strafrecht is het ook niet aan
de tuchtrechter om daarover te oordelen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klachtonderdeel b) heeft betrekking op de e-mail van 15 maart 2021 (zie 1.6) waarin
verweerder heeft opgemerkt dat zijn cliënte slachtoffer is van belaging door klager.
De voorzitter begrijpt dat klager dit aanmerkt als ‘een vermoeden van laster en smaad’.
4.5 De voorzitter is van oordeel dat verweerder door zijn woordkeuze de grenzen van
de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden.
Het gaat om een mededeling van verweerder aan de deurwaarder waarbij verweerder de
belangen van zijn cliënte behartigt en de situatie met klager benoemt zoals zijn cliënte
die blijkbaar ervaart. Van onnodig grievende uitlatingen aan het adres van klager
is daarbij geen sprake. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.6 Op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk
verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop
de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het
handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. In lid 2 is
bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring op grond van het bepaalde in lid 1 achterwege
blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na het verstrijken
van de driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor
het indienen van de klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs
als bekend geworden zijn aan te merken.
4.7 In klachtonderdeel c) verwijst klager naar het vonnis in kort geding van 20 juni
2006 (zie 1.2) op grond waarvan verweerder de deurwaarder opdracht zou hebben gegeven
voor het incasseren van dwangsommen. Voor zover klager hier klaagt over handelen van
verweerder dat buiten de termijnen als bedoeld in artikel 46g leden 1 en 2 Advocatenwet
valt, is klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk. Voor het handelen van verweerder dat
wel binnen deze vervaltermijnen valt, is de voorzitter van oordeel dat hij als tuchtrechter
niet mag beoordelen of verweerders cliënte een rechtsgeldige vordering op klager heeft
en of verweerder onrechtmatig jegens klager heeft gehandeld door de deurwaarder opdracht
te verstrekken tot incassering over te gaan. Deze inhoudelijke oordelen zijn voorbehouden
aan de civiele rechter. In zoverre is klachtonderdeel c) dan ook kennelijk ongegrond.
Verder kan de tuchtrechter op grond van de dossierstukken niet vaststellen of sprake
is van misleiding van de deurwaarder. Bij de vraag of verweerder in het bezit is van
een rechtsgeldige opdracht tot belangbehartiging heeft klager geen rechtstreeks eigen
belang. Dit betreft immers alleen de relatie tussen de advocaat en zijn cliënte. In
zoverre is klachtonderdeel c) kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel d)
4.8 Voor het handelen dat klager verweerder met dit klachtonderdeel verwijt, oplichting
en/of bedrog en samenspanning met de gerechtsdeurwaarder, ontbreekt een feitelijke
onderbouwing, nog daargelaten dat de tuchtrechter in het algemeen niet kan treden
in dergelijke kwalificaties. Klachtonderdeel d) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
4.9 Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor een ieder, doch slechts voor
degenen die door een handelen of nalaten van een advocaat in zijn belang getroffen
is of kan worden. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing
is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken.
4.10 De voorzitter is van oordeel dat klager er niet over kan klagen dat verweerder
zijn cliënte en de deurwaarder adviezen geeft en dat verweerder opdrachtgever van
de deurwaarder is. De advisering van cliënten behoort immers tot de kerntaken van
de advocaat als behartiger van de belangen van zijn cliënten. Dat verweerder als advocaat
van zijn cliënte opdrachten en adviezen aan een deurwaarder geeft, zoals klager heeft
gesteld, vloeit daaruit voort en is volstrekt gangbaar. Niet is gebleken dat klager
door het door hem gestelde handelen van verweerder rechtstreeks in zijn eigen belang
is getroffen. Klachtonderdeel e) is dan ook niet-ontvankelijk.
Conclusie
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdelen a), b) en d) kennelijk
ongegrond verklaren, klachtonderdeel c) deels niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond
en deels kennelijk niet-ontvankelijk en klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdelen a), b) en d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond;
- klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, deels niet-ontvankelijk,
en met toepassing van artikel 46j Advocatenwet deels kennelijk ongegrond en deels
kennelijk niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. P.F.A. Bierbooms, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2022.
Griffier Voorzitter
Bij afwezigheid van mr. A.E. van Oost
is deze beslissing ondertekend door
mr. M.M. Goldhoorn (griffier)
Verzonden d.d. 4 april 2022