ECLI:NL:TADRARL:2022:5 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-020/AL/NN
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:5 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-01-2022 |
Datum publicatie: | 08-02-2022 |
Zaaknummer(s): | 21-020/AL/NN |
Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Klager klaagt over de dienstverlening aan hem door verweerder en zijn kantoorgenote. Hij verwijt verweerder onder meer niet voortvarend te zijn opgetreden. Een zaak van klager heeft verweerder op 19 juli 2017 in behandeling genomen. Op 11 juli 2018 heeft verweerder klager in deze zaak schriftelijk geadviseerd. In een andere zaak, die verweerder eveneens op 19 juli 2017 voor klager in behandeling heeft genomen, is pas eind 2019 een procedure aangespannen. De raad is van oordeel dat in de twee genoemde zaken door verweerder niet voldoende voortvarend is opgetreden. Het tijdsverloop tussen het in behandeling nemen van deze zaken en het moment dat er daadwerkelijk iets in deze zaken is gebeurd, is veel te lang. De overige, vele klachten van klager zijn naar het oordeel van de raad ongegrond zoals bijvoorbeeld het verwijt dat verweerder wellicht ten onrechte zaken als kansloos heeft beoordeeld omdat die beoordeling in beginsel tot de vrijheid van de advocaat behoort. Als hij van oordeel is dat een zaak te weinig kans van slagen heeft, dient hij een dergelijke zaak niet aan te nemen. De klacht dat verweerder de brief die door zijn kantoor in de interne klachtenprocedure is opgesteld, niet aan klager heeft verzonden, is niet onderbouwd en daarom ongegrond. Dit geldt ook voor het verwijt dat verweerder niet aan klager wenst mee te delen of hij diens aansprakelijkstelling heeft doorgezonden aan zijn verzekeraar. Het staat verweerder vrij om met klagers aansprakelijkheidsstelling te doen wat hij wil. De raad legt de maatregel van een waarschuwing op. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 10 januari
2022
in de zaak 21-020/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 augustus 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 januari 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2020 KNN109/1225526
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 november 2021. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. De ontbrekende e-mail met bijlage
7 genoemd onder punt 15 van het repliek is later aan het dossier toegevoegd.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en
de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft op 19 juli 2017 de behandeling van een drietal zaken van klager
overgenomen van zijn kantoorgenote mr. S. Een zaak betrof de aansprakelijkheidsstelling
van mr. G. Verweerder heeft klager over deze zaak op 11 juli 2018 en op 17 februari
2020 schriftelijk geadviseerd. Verweerder zag geen kansen in de zaak.
2.3 De tweede zaak ging over een geschil met de verzekeringsmaatschappij Reaal over
een ongevallenverzekering. Klager heeft in 2008 een ongeval gehad. De op grond daarvan
gedane uitkering was naar de mening van klager te laag. Op grond van de polisvoorwaarden
had klager recht op de benoeming van een deskundige. Een procedure daarover bij de
rechtbank Amsterdam is behandeld door verweerders kantoorgenote mr. D. De vordering
tot benoeming van een deskundige is afgewezen bij vonnis van 6 februari 2020.
2.4 De laatste zaak handelde over de aansprakelijkheid van deurwaarder S. werkzaam
bij Syncasso. In verband daarmee heeft verweerder zelf een klacht ingediend bij de
KBvG. De klacht werd ongegrond verklaard. Mr. D. die deze zaak behandelde heeft klager
op 17 februari 2020 schriftelijk geadviseerd af te zien van een vordering tegen Syncasso.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de drie zaken niet voortvarend te behandelen. De behandeling heeft ruim drie jaren
geduurd. Daarna heeft verweerder aangegeven dat klager een andere advocaat moest zoeken;
b) zich met lange tussenpozen in de zaken te verdiepen zodat hij zich steeds opnieuw
moest inlezen. Bovendien droeg hij werkzaamheden over aan een kantoorgenote die zich
ook volledig moest inlezen;
c) onnodig stukken bij klager op te vragen die hem al eerder waren gegeven;
d) geen antwoorden te geven op vragen van klager en hem uit te leggen waarom stellingen
van klager geen gevolgen hadden voor een eventuele procedure;
e) te eisen dat klager zich neerlegde bij verweerders negatieve advies over de zaak
tegen mr. G. als klager wenste dat de zaak tegen Reaal door verweerder werd opgepakt;
f) de zaak tegen mr. G. niet op basis van een toevoeging te willen doen;
g) in de zaak tegen Reaal drie jaar te wachten voordat er een procedure tot benoeming
van een deskundige werd aangespannen;
h) ongevraagd aan te geven dat in februari 2019 in de zaak tegen Reaal al 30 uren
waren besteed, maar niet te reageren op een verzoek om een urenspecificatie;
i) wellicht ten onrechte alle drie de zaken als kansloos aan te merken, terwijl het
nooit zeker is of een zaak niet gewonnen kan worden.
3.2 Klager heeft op 15 juni 2020 een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder.
De klachtenfunctionaris zou bij brief van 31 juli 2020 daarop hebben gereageerd. Die
brief zou per email zijn verzonden maar klager heeft die email niet ontvangen. Verweerder
weigerde die brief opnieuw aan klager te verzenden en om aan te tonen dat de email
verzonden is. Klager stelt dat verweerder valsheid in geschrifte heeft gepleegd en
heeft daarvan aangifte gedaan.
3.3 Klager heeft verweerder aansprakelijk gesteld maar verweerder heeft niet aangegeven
dat hij die aansprakelijkheidsstelling aan zijn verzekeraar heeft doorgegeven.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 In de zaak tegen mr. G. heeft verweerder op 11 juli 2018 zijn (eind-)beoordeling
gegeven. Op verzoek van klager heeft hij nogmaals naar de zaak gekeken en op 17 februari
2020 opnieuw zijn oordeel gegeven.
Klachtonderdeel g)
4.3 In overleg en met toestemming van klager is in de zaak tegen Reaal in kort geding
bij de rechtbank Amsterdam benoeming van een deskundige gevorderd. Deze procedure
is behandeld door de kantoorgenote van verweerder, mr. D. Nadat de vordering was afgewezen
heeft mr. D. klager gemotiveerd aangegeven dat zij geen grond zag voor een hoger beroep
en ook niet voor een bodemprocedure. Verweerder ondersteunde dat.
Klachtonderdeel i)
4.4 In de zaak tegen Syncasso is, nadat de klacht van klager was afgewezen door de
KBvG, schriftelijk aan klager geadviseerd van de vordering af te zien.
Klachtonderdeel 3.2)
4.5 De klachtbehandelaar op het kantoor van verweerder, mr. M., heeft op 31 juli 2020
een reactie aan klager gemaild naar aanleiding van zijn klacht. De email werd verzonden
aan het telkens door klager gebruikte emailadres. Er is geen foutmelding ontvangen.
De bij die email gevoegde brief heeft verweerder in de procedure bij de deken bij
zijn verweer gedateerd 7 september 2020 toegevoegd (bijlage 2) en nogmaals aan de
deken toegezonden op 6 november 2020.
Klachtonderdeel 3.3)
4.6 Klager is in alle zaken correct geadviseerd, maar hij wil zich niet neerleggen
bij de adviezen.
5 BEOORDELING
Klager klaagt over de dienstverlening door verweerder en zijn kantoorgenote mr. D.
De raad zal bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder
rekening houden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze
waarop hij een zaak behandelt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht
mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene
wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Tot die professionele
standaard behoort het inschatten van de slagingskansen van een aanhangig te maken
procedure, het wijzen op risico’s van de verschillende mogelijkheden en het daarover
informeren van de cliënt. Voorts dient een advocaat bij de behandeling van een zaak
de leiding te nemen en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid te bepalen met welke
aanpak van zaken de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend.
Klachtonderdeel 3.1 onder a), b) en g)
5.1 Deze onderdelen van de klacht lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Al deze
klachtonderdelen komen er in feite op neer dat klager verweerder verwijt niet voortvarend
te zijn opgetreden. De zaak tegen mr. G. heeft verweerder op 19 juli 2017 in behandeling
genomen. Op 11 juli 2018 heeft verweerder klager schriftelijk geadviseerd om geen
stappen tegen mr. G. te nemen. In de zaak tegen Reaal, die verweerder eveneens op
19 juli 2017 in behandeling heeft genomen, is eind 2019 een procedure tegen Reaal
aangespannen tot benoeming van een deskundige. Na afwijzing van die vordering heeft
verweerders kantoorgenote mr. D. in maart 2020 negatief geadviseerd over een hoger
beroep of een bodemprocedure. De raad is van oordeel dat in de twee genoemde zaken
door verweerder niet voldoende voortvarend is opgetreden. Het tijdsverloop tussen
het in behandeling nemen van deze zaken en het moment dat er daadwerkelijk iets in
deze zaken is gebeurd, is veel te lang. Ter zitting heeft verweerder verklaard in
de laatstgenoemde zaak ook de verantwoordelijkheid te dragen voor het optreden van
mr. D. De zaak tegen Syncasso laat de raad buiten beschouwing nu onbetwist is komen
vast te staan dat verweerder met klager heeft afgesproken dat deze zaak diende te
blijven rusten totdat op de klachtprocedure bij de KBvG was beslist. Deze onderdelen
van de klacht zijn gegrond.
Klachtonderdeel 3.1 onder c), d), e), f), h), en i)
Deze onderdelen van de klacht zijn naar het oordeel van de raad ongegrond. Het feit
dat verweerder de dossierstukken op papier wenste te ontvangen en niet op een USB-stick
levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Het verwijt aan verweerder niet op alle specifieke
vragen van klager te willen ingaan, levert eveneens geen tuchtrechtelijk vergrijp
op. Dat verweerder eiste dat klager zich neerlegde bij het advies in de zaak mr. G.
voordat hij met de zaak tegen Reaal zou beginnen, is niet onderbouwd. Dat geldt ook
voor het verwijt dat verweerder die zaak niet op basis van een toevoeging wenste te
behandelen. De klacht dat verweerder ongevraagd aangaf dertig uren aan de zaak tegen
Reaal te hebben besteed en daarvan desgevraagd geen specificatie te willen verlenen
levert eveneens geen tuchtrechtelijk verwijt op. Dat geldt ook voor het verwijt dat
verweerder wellicht ten onrechte zaken als kansloos heeft beoordeeld omdat die beoordeling
in beginsel tot de vrijheid van de advocaat behoort. Als hij van oordeel is dat een
zaak te weinig kans van slagen heeft, dient hij een dergelijke zaak niet aan te nemen.
Klachtonderdeel 3.2)
5.2 Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat de brief van 31 juli 2020 niet aan klager
zou zijn verzonden. Klager heeft dit verwijt niet nader onderbouwd en bovendien op
7 september 2020 alsnog kennis kunnen nemen van deze brief die gehecht was aan het
verweer dat verweerder bij de deken heeft ingediend. Dit onderdeel van de klacht is
ongegrond.
Klachtonderdeel 3.3)
5.3 Verweerder is niet verplicht om aan klager mee te delen of hij diens aansprakelijkstelling
heeft doorgezonden aan zijn verzekeraar. Het staat verweerder vrij om met klagers
aansprakelijkheidsstelling te doen wat hij wil. Dit onderdeel van de klacht is eveneens
ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Mede gezien het feit dat aan verweerder al meerdere tuchtrechtelijke maatregelen
zijn opgelegd acht de raad een waarschuwing op zijn plaats. Verweerder dient zijn
zaken met meer voortvarendheid te behandelen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond
van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,
- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van
artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken
nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en
c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer 21-020/AL/NN.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen 3.1 onder a), b), c) en g) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen 3.1 onder d), e), f), h), en i), 3.2 en 3.3 ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op
de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse
Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;
Aldus beslist door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mrs. G.N. Paanakker, P. Rijnsburger, S.H.G. Swennen, E.H. de Vries, leden, bijgestaan door mr. J.M.G. Kuin-van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2022.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 10 januari 2022