ECLI:NL:TADRARL:2022:296 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-066/AL/GLD
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:296 |
---|---|
Datum uitspraak: | 21-11-2022 |
Datum publicatie: | 29-11-2022 |
Zaaknummer(s): | 22-066/AL/GLD |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Verweerster heeft in strijd met het eerste lid van gedragsregel 25 een e-mail aan de advocaat van klagers en in cc aan klagers zelf gestuurd. Ook een in cc gestuurde e-mail moet naar het oordeel van de raad worden gekwalificeerd als een rechtstreeks verstuurd bericht in de zin van genoemde gedragsregel. Door dit zo te doen heeft verweerster de filterfunctie van een advocaat miskend. Geen maatregel. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 21 november
2022
in de zaak 22-066/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster,
klager 1,
klager 2,
samen ook: klagers
gemachtigde: mr. J.A.M. van de S, advocaat te [plaats]
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 januari 2021 heeft de gemachtigde namens klagers bij de deken van de Orde
van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend
over verweerster.
1.2 Op 21 januari 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 21/23 van de
deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 oktober 2022. Daarbij
waren klagers en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op
de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Tussen klagers en de cliënt van verweerster is op 2 oktober 2020 een koopovereenkomst
tot stand gekomen met betrekking tot een woning. Daarover is tussen klagers, als verkopers,
en de cliënt van verweerster als koper, een geschil ontstaan.
2.2 Op 28 december 2020 heeft verweerster ieder van klagers aangeschreven in haar
hoedanigheid als advocaat van haar cliënt. Deze e-mail heeft zij in cc ook naar de
makelaar van klagers en de betrokken notaris gestuurd.
2.3 Op 30 december 2020 heeft verweerster ieder van klagers opnieuw aangeschreven
in verband met het uitblijven van een reactie op haar eerdere e-mail van 28 december
2020. In deze e-mail heeft zij namens haar cliënt een schikkingsvoorstel gedaan en
klagers erop gewezen dat indien zij daar niet aan mee willen werken, haar cliënt voorlopig
niet zal meewerken aan de levering van het gekochte.
Die middag heeft een advocaat, de gemachtigde van klagers in deze klachtzaak, telefonisch
contact gezocht met verweerster.
Om 17.40 uur heeft verweerster een e-mail gestuurd aan de betrokken notaris en heeft
in de cc ieder van klagers en hun makelaar meegenomen. In deze e-mail staat onder
andere vermeld:
“Namens koper bericht ik u hierbij dat ondergetekende vanmiddag gebeld is door de advocaat van verkopers. (…)
In het kader van transparantie heb ik alle geadresseerden uit uw e-mail cc in dit bericht opgenomen. Daarbij plaats ik de kanttekening dat ik tegen een praktisch probleem aanloop wegens het feit dat de advocaat-wederpartij niet via google te vinden is en anoniem met mij heeft gebeld. Ik kan mij dan ook niet tot hem en - in verband met gedragsregels – ook niet meer rechtstreeks tot zijn cliënten wenden. Ondanks zijn toezegging heeft de advocaat-wederpartij mij nog niet gemaild en beschik ik niet over zijn e-mailadres. Ik kan hem dan ook niet cc in dit bericht opnemen. (…)”.
Om 18.25 uur heeft de advocaat van klagers een e-mail gericht onder meer aan de betrokken notaris gestuurd, met ieder van klagers en verweerster in de cc. Die e mail luidt onder meer als volgt:
“[Verweerster] beweert ten onrechte geen bericht van mij te hebben ontvangen. Ik zend u allen als bijlage mijn emailbericht dat aan haar is verstuurd om 16:17 uur.
Ik ben er niet van gediend dat op een dergelijke wijze wordt gecorrespondeerd.(…)”
Om 18.42 uur heeft verweerster een aan de advocaat van klagers gerichte e-mail onder meer aan die advocaat gestuurd, met in de cc ieder van klagers. Verweerster heeft daarin het volgende geschreven:
“Uw e-mailbericht heb ik niet ontvangen. Zojuist heb ik mijn mailbox gecontroleerd die van mijn twee secretaresses die automatisch via de interne server een afschrift ontvangen van de e-mailberichten die ik ontvang. Ik heb geen enkele reden om hierover te liegen. (…)
Het voorstel van cliënt is helder. In het geval deze niet door uw cliënten wordt geaccepteerd, zal levering dit jaar niet plaatsvinden. Cliënt kan namelijk nu niet inschatten welke risico’s zijn verbonden aan afname van het pand.
Mocht u op dit bericht willen reageren, dan stel ik voor dat de overige partijen niet in cc worden opgenomen. (…).”
2.4 Op 4 januari 2021 heeft verweerster een e-mail aan de advocaat van klagers gestuurd,
met de notaris en de makelaar van klagers in de cc. Zij heeft namens haar cliënt de
koopovereenkomst ontbonden en klagers gesommeerd om de tussen partijen overeengekomen
boete te betalen.
2.5 Op 20 januari 2021 heeft verweerster een e-mail aan de advocaat van klagers gestuurd,
met ieder van klagers en hun makelaar in de cc. In deze e-mail heeft zij aangekondigd
de door klagers inmiddels verschuldigde boete van € 55.000,- via de gerechtelijke
weg te gaan incasseren. En voorts:
“Gelet op het feit dat deze brief is gericht op een rechtsgevolg, stuur ik een afschrift van deze brief rechtstreeks per e-mail aan uw cliënten en hun verkopend makelaar.”
Om 17.17 uur heeft de advocaat van klagers daarop als volgt gereageerd:
"Ik ontving uw brief van 20 januari 2021. U verneemt hierop separaat mijn reactie.
Ik wijs u er echter op dat u klachtwaardig handelt. U stuurt mijn cliënten rechtstreeks deze brief met kennelijk geen ander doel dan enige druk uit te oefenen. Door op deze wijze te handelen hebt u in strijd gehandeld met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Op grond van het eerste lid van gedragsregel 18 moet een advocaat die zich in verbinding wil stellen met een wederpartij waarvan hij weet dat deze wordt bijgestaan door een advocaat, dit slechts doen door tussenkomt van die advocaat, tenzij deze hem toestemming geeft zich rechtstreeks tot diens cliënt te wenden. Ik heb deze toestemming echter nimmer gegeven. (..).”
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: op 20 januari 2021 klagers
rechtstreeks aan te schrijven met het kennelijk uitsluitende doel om klagers onder
druk te zetten, en daarmee in strijd te handelen met gedragsregel 25.
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De raad stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het handelen van de advocaat
van de wederpartij van klagers. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline
komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt
te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid
is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat bij de behartiging
van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig
schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
5.2 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij
de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten
handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen,
onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of
nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Bij deze toetsing betrekt de tuchtrechter
de kernwaarden. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen
worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter
toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels. Die gedragsregels
kunnen overigens zo nodig wel van betekenis zijn bij bedoelde toets.
5.3 Zo bepaalt gedragsregel 25 lid 1 dat een advocaat zich met een partij betreffende
een aangelegenheid waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet
anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem
toestemming heeft gegeven rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. In
het tweede lid is als uitzondering bepaald dat een aanzegging met rechtsgevolg wel
rechtstreeks aan een partij mag worden gedaan, mits die aanzegging gelijktijdig aan
de advocaat van die partij wordt gestuurd.
5.4 Tijdens de zitting van de raad heeft verweerster haar verweer (alsnog) beperkt
tot het eerste lid van gedragsregel 25 en erkend dat de uitzondering van het tweede
lid niet van toepassing was. De vraag die nu voorligt is dan ook of verweerster in
strijd met het eerste lid van gedragsregel 25 heeft gehandeld door haar e-mail van
20 januari 2021 aan de advocaat van klagers ook in cc aan klagers te sturen.
5.5 Volgens verweerster treft haar in de specifieke omstandigheden van het geval tuchtrechtelijk
geen verwijt. In haar visie heeft zij die e-mail niet ‘rechtstreeks’ aan klagers gestuurd maar slechts in cc ter kennisname. Dat de e-mail ook niet rechtstreeks
voor klagers was bedoeld, blijkt ook uit de aanhef ervan. Tijdens de zitting van de
raad heeft verweerster verklaard dat zij in het belang van haar cliënt klagers welbewust
in de cc heeft gezet om zich ervan te verzekeren dat zij op de hoogte zouden zijn
van de inhoud ervan. Niet alleen had zij gehoord dat dat verstandig was voor het geval
de advocaat van klagers haar e-mail niet snel zou doorsturen, maar ook verliep haar
contact met de advocaat van klagers van meet af aan zeer moeizaam. Zij hoopte ook
dat als klagers ook zelf de bewuste e-mail hadden ontvangen, zij mogelijk alsnog bereid
zouden zijn om met haar cliënt te schikken. Dat zou in het belang van alle partijen
zijn geweest, aldus verweerster.
5.6 De raad volgt verweerster niet in haar verweer. Naar het oordeel van de raad moet
ook een in cc verstuurde e mail worden gekwalificeerd als een rechtstreeks verstuurd
bericht. Door de gewraakte e-mail van 20 januari 2021 dan ook in cc aan klagers te
sturen, heeft verweerster de filterfunctie van een advocaat miskend. Juist met dat
doel is deze regel voor advocaten geformuleerd. Dat de advocaat van klagers zijn cliënten
in voorafgaande correspondentie met verweerster zelf in de cc zette, maakt dit oordeel
niet anders. Dergelijke correspondentie tussen advocaat en cliënt is immers van een
andere orde dan ongeoorloofde rechtstreekse correspondentie tussen een advocaat met
de wederpartij.
5.7 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster de grenzen
van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klagers heeft
overschreden. Zij heeft bij de behartiging van de belangen van haar cliënt de belangen
van klagers onevenredig geschaad zonder dat daarmee een redelijk doel werd gediend.
Dit betekent dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt treft, zodat de klacht gegrond
wordt verklaard.
6 MAATREGEL
De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Toch ziet de raad voor oplegging van een
maatregel (waarvoor in beginsel een waarschuwing in aanmerking zou komen) geen aanleiding
om de navolgende redenen. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerster duidelijk
laten blijken dat zij nu goed begrijpt hoe groot de impact voor klagers moet zijn
geweest om haar e-mail van 20 januari 2021 met een juridische zakelijke toonzetting
te hebben ontvangen. Zij heeft daarvoor haar spijt betuigd richting klagers. Daarnaast
heeft zij de tijdens de zitting de context geschetst waarom zij heeft gehandeld zoals
gedaan. De miscommunicatie met de advocaat van klagers ontsloeg verweerster echter
niet van haar eigen verantwoordelijkheid om volgens de gedragsregels te blijven handelen.
Alhoewel verweerster daarom wel een tuchtrechtelijk wordt gemaakt, kan in dit geval,
mede gelet op het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster, worden volstaan
met alleen die constatering.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven
binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
7.2 Nu de raad geen maatregel oplegt, is verweerster geen forfaitaire reiskosten of
proceskosten verschuldigd.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1.
Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. C.W.J. Okkerse en H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2022.
griffier voorzitter
Verzonden d.d. 21 november 2022