ECLI:NL:TADRARL:2022:28 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-954/AL/MN
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:28 |
---|---|
Datum uitspraak: | 14-03-2022 |
Datum publicatie: | 21-03-2022 |
Zaaknummer(s): | 20-954/AL/MN |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Beslissing op verzet |
Inhoudsindicatie: | Verzetbeslissing. Geen nieuwe gezichtpunten; geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad verklaart het verzet daarom ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 14 maart
2022
in de zaak 20-954/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 26 april 2021 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. RC
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 december 2019 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 december 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1055121/AS/SD
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 26 april 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad
(hierna ook: de voorzitter) klager in klachtonderdelen a) tot en met d), met toepassing
van artikel 46g, lid 1 onder a, Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel
e) kennelijk ongegrond.
1.4 Op 25 mei 2021 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen. Daarna heeft de raad
op 25 en 26 mei, 17 juni 2021 en 30 december 2021 nog aanvullingen op het verzetschrift
ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 17 januari 2022. Klager,
verweerder en de gemachtigde van verweerder waren met kennisgeving vooraf niet aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het
verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en
van het verzetschrift van klager. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails van
klager van 17 juni 2021 en 30 december 2021 met bijlagen.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager het niet
eens is met de beslissing van de voorzitter. Volgens klager had de voorzitter klachtonderdelen
a) tot en met d) apart moeten beoordelen in plaats van gezamenlijk. Door deze onderdelen
gezamenlijk te beoordelen heeft klager financiële en emotionele schade geleden. Volgens
klager heeft verweerder tegen de rechter gelogen en heeft verweerder beslag laten
leggen terwijl er geen vordering was. Verder heeft klager in verzet een aantal vragen
gesteld over de achterliggende kwestie met betrekking tot de echtscheidingsprocedure
van klager en zijn ex-echtgenote en over een gelegd beslag, welke vragen hij naar
eigen zeggen al vele malen eerder heeft gesteld maar waarop hij nog geen antwoord
heeft gekregen.
2.2 Tegen de feiten en de klachtomschrijving zoals die in de beslissing van de voorzitter
zijn vermeld, komt klager in verzet niet op.
2.3 De raad zal hierna, waar nodig, bij de beoordeling van het verzet op de stellingen
en stukken van klager ingaan.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing
van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad ziet geen aanleiding om naar aanleiding van het verzetschrift en de aanvullingen
daarop van klager aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. De voorzitter
heeft bij de beoordeling van de klachtonderdelen de juiste maatstaven toegepast en
hij heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
Het staat de voorzitter vrij om klachtonderdelen gezamenlijk te beoordelen. Het is
de raad niet gebleken dat klager hierdoor financiële en emotionele schade heeft geleden.
Een feitelijke onderbouwing van klagers standpunt hierover ontbreekt. Voor wat betreft
de vragen die klager ook in verzet heeft gesteld, kan de raad daar in deze verzetprocedure
geen antwoord op geven. Klagers vragen gaan immers over de achterliggende kwesties
van de echtscheiding en het gelegde beslag en het oordeel daarover is voorbehouden
aan de civiele rechter. De voorzitter heeft dus terecht en op juiste gronden geoordeeld
dat klachtonderdelen a) tot en met d), met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder
a, Advocatenwet, niet-ontvankelijk zijn en dat klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond
is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, en mrs. F.B.M. van Aanhold, W.W. Korteweg, E.M.G. Pouls en C.A.Th. Philipsen, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2022.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 14 maart 2022