ECLI:NL:TADRARL:2022:12 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-285/AL/MN
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:12 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-01-2022 |
Datum publicatie: | 18-02-2022 |
Zaaknummer(s): | 21-285/AL/MN |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen eigen advocaat in een familiezaak. Klager verwijt verweerder onder mee dat hij zijn zoon bij de zaak heeft betrokken. Op grond van gedragsregel 5 dient een advocaat voor ogen te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Gelet op de gecompliceerdheid van de zaak en de diverse procedures die al waren gevoerd is alleszins begrijpelijk dat verweerder het in het belang van klager oordeelde en derhalve tot zijn taak rekende om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te beproeven. Uiteraard diende verweerder dit te doen in overleg met klager. Wat dat betreft is het wat ongelukkig dat de eerste pogingen tot het beproeven van een schikking middels de inzet van de zoon van partijen kennelijk vooraf is gegaan aan het overleg hierover met klager. Anderzijds leert de ervaring dat dit soort initiatieven het beste van start gaan middels een eerste voorzichtig aftasten van de mogelijkheden bij de advocaat van de wederpartij in een informele sfeer die vaak in wandelgangen tot stand komt. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 10 januari
2022
in de zaak 21-285AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief van 30 april 2020, door de deken ontvangen op 4 mei 2020, heeft klager
bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna:
de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 maart 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 1152445/MV/SD van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 november 2021. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op
de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en
de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 De klacht betreft het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat
van klager in een familiezaak, waarin verweerder nadat de echtscheiding was uitgesproken
is ingeschakeld. De ex-partner van klager werd tijdens de bemoeienis van verweerder
door mr. B bijgestaan.
2.3 Bij vonnis in kort geding van 27 juni 2018 is klager veroordeeld om alle aanwijzingen
die de in het vonnis genoemde makelaar in verband met de verkoop van de voormalige
echtelijke woning zou geven op te volgen en om zich zonder voorbehoud aan de vaststellingsovereenkomst
van 7 mei 2018 te houden, met veroordeling tot betaling van een dwangsom bij niet-nakoming
van het vonnis.
2.4 Op 26 november 2018 is klager door het Juridisch Loket naar verweerder verwezen
met als omschrijving van het juridisch probleem (hierna: procedure a)):
“Ex-partner heeft beslag laten leggen op o.a. inkomen van klant. Klant meent dat sprake is van onrechtmatig beslag, er dreigt ook een faillissement. Klant wil met bijstand van een voorkeursadvocaat een kort geding procedure starten i.v.m. het opgelegde beslag.”
Voor deze zaak heeft verweerder op zijn naam een toevoeging aangevraagd. Bij beslissing van 10 januari 2019 heeft de Raad voor Rechtsbijstand deze toevoeging verleend.
2.5 Bij vonnis in kort geding van 27 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter aan de
ex-partner van klager vervangende toestemming verleend voor (kort gezegd) de levering
van de voormalige echtelijke woning voor het geval klager daaraan binnen een bepaalde
termijn geen medewerking zou verlenen.
2.6 Op verzoek van klager heeft verweerder tegen laatstgenoemd vonnis hoger beroep
ingesteld (hierna: procedure b)).
2.7 Verweerder heeft voor procedure b) op eigen naam opnieuw een toevoeging aangevraagd,
die is geweigerd. Het bezwaar tegen de afwijzing is ongegrond verklaard. In het advies
van 9 oktober 2019 van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand is
onder meer overwogen, dat verweerder bij de aanvraag van de toevoeging een zaakcode
Verbintenissenrecht heeft opgegeven en dat de Raad de aanvraag heeft geschaard onder de zaakcode personen- en familierecht overige geschillen. De Commissie heeft de keuze van de Raad voor Rechtsbijstand als juist beoordeeld.
Voor deze zaakcode geldt (aldus de Commissie) dat de advocaat met de specialisatie
personen- en familierecht bij de Raad ingeschreven dient te staan hetgeen bij verweerder
niet het geval is. Dat er eerder (in procedure a)) wel een toevoeging is verleend
is (aldus de Commissie) een kennelijke misslag en op grond van vaste jurisprudentie
is de Raad niet gehouden om thans in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving
te beslissen.
2.8 Bij e-mail van 23 oktober 2019 heeft verweerder klager als volgt bericht:
“Ook in bezwaar is de toevoeging afgewezen. Let op: dat heeft niet alleen met de zgn. specialistische familierecht kennis te maken maar ook met het vermogen dat zij cash gaat ontvangen. Dit is een serieus probleem.. Ik kreeg al bijna niets betaald maar ik ga failliet als ik jou en al mijn andere klanten gratis moeten bijstaan. Wat nu?? Ik doe het even heeel rustig aan omdat ik begrijp dat dit heel slecht nieuws is enjij mi niet kunt betalen.”
2.9 Verweerder heeft van mr. B een e-mail ontvangen van 17 maart 2020 waarin het volgende is opgenomen:
“Amice dank voor uw mailberichten.
Naar aanleiding van ons koffiegesprek heb ik met cliënte gesproken over de inzet van …. [zoon van partijen] in dit geschil. Uitgangspunt zou zijn een afkoop van de alimentatie door betaling van een bedrag ineens dan wel een verlaging van de alimentatie feitelijk omdat zij door alle schulden vanuit de echtscheiding niet in staat is financieel een eigen bestaan weer op te bouwen. Ik heb inmiddels begrepen dat … [zoon van partijen] zij het niet van harte wel een poging wil wagen om iets te berekenen en dat aan zijn ouders voor te leggen. Ik ben benieuwd waar hij mee komt.
…….
Mijn idee is dat we nu …. [zoon van partijen] in het vizier moeten houden en de ruimte moeten geven tot een redelijk voorstel richting zijn ouders te komen. Uw cliënt moet hem die ruimte ook gunnen en nu geen druk op de kinderen moet leggen. Dan verliest hij de streng naar family life.”
2.10 Bij e-mail van 18 maart 2020 heeft verweerder de in de vorige alinea genoemde e-mail met het volgende commentaar aan klager gezonden:
“beste ….. [klager]
Voila .. …[zoon van partijen] gaat een poging wagen om een voorstel te formuleren
ik zou er vriendelijk voor open staan als ik jou was”
Over de inschakeling van de zoon van partijen is vervolgens tussen klager en verweerder
gecorrespondeerd.
2.11 Bij e-mail van 19 maart 2020 heeft verweerder het volgende aan klager geschreven:
“Goedemorgen …. [klager],
Het is in ieders belang dat we procedures voorkomen.
Ik ben jouw slaafje niet, ik denk dat jij en ik op een breuk gaan uitkomen, dan leg ik mijn werk neer. Is dat niet het beste? Ik hoor graag van je”
2.12 De behandeling van het hoger beroep in procedure b) op 11 mei 2020 heeft niet
fysiek maar online per Zoom-verbinding plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft
verweerder rechtsbijstand verleend. In hoger beroep is het vonnis van de voorzieningenrechter
van 27 mei 2019 bekrachtigd en is klager in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
2.13 Gedurende een bepaalde periode heeft het kantooradres van verweerder als postadres
van klager gefunctioneerd in welke periode de post van klager op het kantooradres
van verweerder werd bezorgd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klager vreselijk onder druk te zetten door de zoon van klager in het geschil met
zijn ex-partner te betrekken;
b) klager enkele weken voor de hoger beroepszitting van 11 mei 2020 te laten weten
dat hij klager niet zou bijstaan;
c) een jaar eerder met klager af te spreken dat zijn kantoorgenoot, mr. V, de toevoeging
zou aanvragen omdat verweerder geen familierecht in zijn portefeuille had, welke afspraak
niet is nagekomen;
d) in een telefoongesprek van 30 april 2020 tegen klager te zeggen: “ik heb jou er liever niet bij, want je bent zo verbitterd en je hebt altijd commentaar”.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de hieronder genoemde klachtonderdelen onder meer het volgende
verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerder ontkent klager onder druk te hebben gezet om de zoon van partijen tussen
klager en zijn ex-partner te laten bemiddelen. Verweerder erkent dat hij de zoon van
partijen persoonlijk heeft gevraagd om te bemiddelen. Dit verzoek vond plaats op het
kantoor van klager ter gelegenheid van het ophalen van de post van klager door de
zoon van partijen. De zoon van partijen heeft dit voorstel (aldus verweerder) toen
niet onmiddellijk afgewezen.
Klachtonderdeel b)
4.3 Verweerder heeft klager tijdens de zitting in hoger beroep van 11 mei 2020 bijstand
verleend.
Klachtonderdeel c)
4.4 Verweerder was verbaasd over de afwijzing van de toevoeging in procedure b). Hij
zag het als verbintenissenzaak nu de echtscheiding al zo lang geleden was uitgesproken
en de nieuwe zaak daarmee in zijn visie geen verband meer had. Eerder was hem in deze
zaak wel een toevoeging verstrekt. Nadat de toevoegingsaanvraag in procedure b) was
afgewezen heeft verweerder klager erop gewezen dat het beter was een advocaat te zoeken
die hem wel op basis van een toevoeging kon bijstaan. Verweerder heeft hiervoor ook
zijn kantoorgenoot benaderd, die daartoe echter niet bereid was. De advocaat die klager
geraadpleegd had heeft de zaak niet overgenomen. Toen bleek dat geen enkele andere
advocaat bereid was klager verder te helpen heeft verweerder klager pro deo bijgestaan.
Klachtonderdeel d)
4.5 Verweerder heeft klager altijd met respect behandeld en hem niet klachtwaardig
bejegend.
5 BEOORDELING
5.1 De raad stelt voorop dat bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten dient te toetsen
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter
niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter
van de wettelijke normen, daarbij wel van belang zijn. Of het niet naleven van een
bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af
van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult.
Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de
advocatuur als zodanig wordt geschaad en dient zich te allen tijde te onthouden van
een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen
is immers in strijd met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. (vgl. HvD
30 augustus 2019, ECLI:NL:TAHVD: 2019: 125).
5.2 Volgens vaste tuchtrechtspraak van het Hof van Discipline rust de bewijslast van
de gegrondheid van de klacht op de klager.
Klachtonderdeel a)
5.3 Tussen partijen staat vast dat verweerder persoonlijk aan de zoon van partijen
heeft gevraagd om in het geschil tussen klager en zijn ex-partner te bemiddelen en
dat een dergelijke poging niet is gedaan. Het contact is en passant bij het ophalen
van post op het kantoor van verweerder tot stand gekomen. Voorts heeft verweerder
een e-mail van mr. B aan klager doorgestuurd waarin melding wordt gemaakt van een
gezamenlijk gesprek tussen de advocaten over de mogelijkheid tot inschakeling van
de zoon van partijen. Tenslotte heeft klager zich beroepen op het commentaar van verweerder
bij deze e-mail waarin hij klager adviseert om mee te gaan in het plan om de zoon
in te schakelen. Meer bewijsmiddelen heeft klager ter onderbouwing van zijn klacht
niet naar voren gebracht. Voor de handelwijze van mr. B is verweerder niet (tuchtrechtelijk)
verantwoordelijk. Slechts het handelen van verweerder is in deze tuchtzaak aan de
orde.
5.4 Op grond van gedragsregel 5 dient een advocaat voor ogen te houden dat een regeling
in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Gelet op de gecompliceerdheid
van de zaak en de diverse procedures die al waren gevoerd is alleszins begrijpelijk
dat verweerder het in het belang van zijn cliënt oordeelde en derhalve tot zijn taak
rekende om de mogelijkheid van een minnelijke regeling te beproeven.
5.5 Uiteraard diende verweerder dit te doen in overleg met zijn cliënt. Wat dat betreft
is het wat ongelukkig dat de eerste pogingen tot het beproeven van een schikking middels
de inzet van de zoon van partijen kennelijk vooraf is gegaan aan het overleg hierover
met klager. Anderzijds leert de ervaring dat dit soort initiatieven het beste van
start gaan middels een eerste voorzichtig aftasten van de mogelijkheden bij de advocaat
van de wederpartij in een informele sfeer die vaak in wandelgangen tot stand komt.
De raad komt derhalve tot het oordeel dat verweerder - zo dit niet reeds als advocaat
van hem verwacht diende te worden - in ieder geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door te handelen zoals hij heeft gedaan. Zeker nu van tuchtrechtelijk
verwijtbare ontoelaatbare druk zetten op klager niet is gebleken. Wat klager daartoe
heeft aangevoerd is onvoldoende om een dergelijke conclusie te rechtvaardigen.
5.6 Klager heeft nog aangevoerd dat advocaten heden ten dage hun cliënten niet meer
verdedigen. Dit algemene verwijt is onvoldoende specifiek om daar zelfstandige betekenis
aan te hechten; daaruit blijkt niet dat verweerder niet voor klager is opgekomen.
Datzelfde oordeel geldt ook voor de ter zitting door klager nog aangehaalde verwijten
dat verweerder geen mentaliteit zou hebben, niet capabel zou zijn en er sprake zou
zijn van leugens en misleiding. Deze algemene verwijten zijn onvoldoende onderbouwd
om daar zelfstandige betekenis aan te hechten naast de vier onderscheiden klachtonderdelen.
5.7 De raad verklaart klachtonderdeel a) derhalve ongegrond.
Klachtonderdelen b) en c)
5.8 Nu deze klachtonderdelen direct met elkaar samenhangen zal de raad deze gezamenlijk
beoordelen.
5.9 Klachtonderdeel b) is door de feiten achterhaald en mist derhalve feitelijke grondslag.
Uiteindelijk heeft verweerder klager wel willen bijstaan, nadat gebleken was dat er
geen andere advocaat voorhanden was. Klachtonderdeel c) betreft het niet in behandeling
nemen van de zaak door de kantoorgenoot van verweerder. Verweerder kon zijn kantoorgenoot
daartoe niet dwingen. Verweerder heeft gedaan wat van hem verlangd kon worden namelijk
zijn kantoorgenoot vragen om de zaak over te nemen. Voor het aannemen van verder gaande
verplichtingen is door klager onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt.
5.10 De raad verklaart de klachtonderdelen b) en c) derhalve ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.11 Indien al zou vast komen te staan dat verweerder de gewraakte uitlatingen heeft
gedaan dan is de raad van oordeel dat deze zijn gebleven binnen de vrijheid die verweerder
bij de behartiging van de belangen van klager was gegeven. Wellicht zijn de uitlatingen
niet vriendelijk, maar er was een losse sfeer tussen partijen (klager gebruikte het
kantooradres van verweerder enige tijd als zijn postadres) en de uitlatingen moeten
bezien worden in het kader van verweerders taak om klager goed op de zitting voor
te bereiden en hem over een goede opstelling ter zitting te instrueren.
5.12 De raad verklaart klachtonderdeel d) derhalve ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;
Aldus beslist door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. F.B.M. van Aanhold, H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. A.M. van Rossum als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2022.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 10 januari 2022