ECLI:NL:TADRARL:2021:284 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-655/AL/GLD
ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2021:284 |
---|---|
Datum uitspraak: | 30-08-2021 |
Datum publicatie: | 12-01-2022 |
Zaaknummer(s): | 20-655/AL/GLD |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen advocaat van wederpartij. Voor verweerder was er in het onderhavige geval geen reden om nader onderzoek te doen naar de bevoegdheid van de heer E om de vennootschap te vertegenwoordigen. Bovendien is de vraag of de heer E tijdens de zitting bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen niet relevant voor de rechtsgeldigheid van de in het proces-verbaal neergelegde overeenkomst tussen klagers en de vennootschap. Klacht in beide onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 30 augustus
2021
in de zaak 20-655/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klager
klaagster
hierna te noemen: klagers
gemachtigde: mr. L.
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 oktober 2018 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 1 september 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 18/120 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 5 juli 2021. Daarbij waren
klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder aanwezig. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 19.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klagers hebben een civielrechtelijke procedure gevoerd bij de rechtbank Gelderland
tegen besloten vennootschap B. B.V. (hierna: de vennootschap) waarin een geldbedrag
werd gevorderd. Verweerder is de gemachtigde van de vennootschap. De heer E. was bestuurder
van de vennootschap.
2.3 Op 8 september 2017 is een comparitie van partijen gehouden. De vennootschap
werd vertegenwoordigd door de heer E. Tijdens de comparitie is een schikking bereikt
waarbij is overeengekomen dat de vennootschap uiterlijk op 30 september 2017 een bedrag
van € 12.500,- aan klagers zou betalen. Verweerder heeft het proces-verbaal van de
schikking namens zijn cliënte ondertekend. De reden hiervoor was dat de heer E. de
comparitie vroegtijdig moest verlaten vanwege een afspraak bij de notaris.
2.4 De vennootschap heeft het overeengekomen bedrag niet op de uiterlijke betalingsdatum
aan klagers voldaan.
2.5 Nadat de gemachtigde van klagers het dossier van haar voorganger had overgenomen,
bleek haar uit de registers van de Kamer van Koophandel dat de heer E. op 1 juli 2017
is teruggetreden als bestuurder van de vennootschap en dat hij op 8 september 2017
zijn aandelen heeft overgedragen aan de opvolgend bestuurder de heer W.
2.6 De gemachtigde van klagers heeft verweerder bij brief van 17 juli 2018 aansprakelijk
gesteld voor de geleden schade doordat hij onbevoegd het proces-verbaal ter zitting
heeft getekend. Zij heeft hem de gelegenheid gegeven voor overleg over een oplossing
tot uiterlijk op 18 juli 2018 vanwege haar vakantie.
2.7 Bij e-mail van 27 augustus 2018 heeft de gemachtigde van klagers verweerder
het volgende bericht:
“Inmiddels ben ik terug van vakantie. Op 17 juli 2018 zond ik U bijgaand schrijven, waarop ik volgens mijn dossier nog geen reactie ontving. (…) Graag verneem ik uiterlijk a.s. woensdag 29 augustus of ik een reactie uwerzijds tegemoet kan zien. Indien u voornemens bent om niet te reageren verneem ik dat ook gaarne.”
2.8 Bij e-mail van 29 augustus 2018 heeft verweerder hierop als volgt gereageerd:
“Uw schrijven heb ik in goede orde ontvangen. Daar laat ik het bij.”
2.9 De gemachtigde van klagers heeft in een nadere conclusie van 8 oktober 2018
de rechtbank verzocht om de comparitie voort te zetten en getuigen te horen.
2.10 Verweerder heeft bij zijn antwoordakte van 14 november 2018 als productie
een machtiging gevoegd - gedateerd op 30 juni 2017 en ondertekend door de heren W.
en E. - waarin de heer W. de heer E. heeft gemachtigd om voor de vennootschap in
de lopende civiele procedures als gemachtigde te verschijnen en te komen tot een oplossing
in der minne. Verweerder heeft in zijn antwoordakte naar voren gebracht hij de machtiging
niet tijdens de comparitie op 8 september 2017 heeft ingebracht, omdat deze hem toen
nog niet bekend was.
2.11 Na een tussenvonnis van de rechtbank Gelderland van 15 mei 2019 hebben klagers
op 11 augustus 2019 de zaak bij de rechtbank Gelderland ingetrokken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) Nalatig te zijn geweest met betrekking tot het onderzoek naar de bevoegdheid
van de heer E. om cliënte te vertegenwoordigen en onbevoegd het proces-verbaal te
ondertekenen. De heer E. was vanaf 1 juli 2017 geen bestuurder meer van de vennootschap.
Zelfs tijdens de schorsing van de comparitie had hij de bevoegdheid van de heer E.
nog kunnen controleren.
Toelichting
Verweerder heeft op de zitting van 8 september 2017 onbevoegd een proces-verbaal inhoudende
een schikking ondertekend, met als gevolg dat de vennootschap zich niet aan deze schikking
gebonden acht. Gelet op hetgeen verweerder tijdens de zitting heeft verklaard, was
hij van tevoren ervan op de hoogte dat de heer E. later op dezelfde dag zijn aandelen
in de vennootschap zou gaan overdragen aan de heer W. Dat had voor verweerder aanleiding
moeten zijn om de bevoegdheid van de heer E. na te trekken. Hij had dit zelfs nog
tijdens de schorsing van de zitting kunnen doen. Aangezien de heer E. niet bevoegd
was om de vennootschap te vertegenwoordigen, heeft verweerder onbevoegd het proces-verbaal
getekend met alle gevolgen van dien.
b) (de gemachtigde van) klagers op een niet correcte wijze te bejegenen in zijn
e-mail van 29 augustus 2018.
Toelichting
c) De gemachtigde van klagers heeft in haar uitgebreide brief van 17 juli 2018
een voor klagers serieuze zaak met grote gevolgen bij verweerder aangekaart. Door
in zijn e-mail van 29 augustus 2018 deze brief met een enkele zinsnede te beantwoorden
zonder in te gaan op de inhoud van de zaak, heeft verweerder klagers geschoffeerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 De bevoegdheid van de heer E. om de vennootschap te vertegenwoordigen is tijdens
de gehele procedure nooit onderwerp van discussie geweest. Verweerder heeft geen enkele
aanleiding gehad om gedurende de procedure de openbare registers te raadplegen. Anders
dan klagers stellen, wist verweerder niet wat het doel was van de afspraak van de
heer E. bij de notaris. Partijen hadden al tijdens de schorsing overeenstemming bereikt,
zodat de aanwezigheid van de heer E. niet meer strikt noodzakelijk was. Verweerder
zou namens zijn cliënte tekenen. Hoewel verweerder er niet van op de hoogte was dat
de heer E. per 1 juli 2017 was teruggetreden, was de heer E. wel bevoegd gedurende
de procedure blijkens de later overgelegde machtiging d.d. 30 juni 2017.
Klachtonderdeel b)
4.3 Verweerder kan dit verwijt in het geheel niet plaatsen. Uit zijn e-mail van
29 augustus 2017 valt geen incorrecte bejegening van (de gemachtigde van) klagers
af te leiden.
5 BEOORDELING
5.1 Allereerst stelt de raad vast dat het gaat om een handelen van de advocaat
van de wederpartij van klagers. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline
komt aan een advocaat van de wederpartij van klager een grote mate van vrijheid toe
om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met
zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden
ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij,
b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met
de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn
cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder redelijk
doel. De raad zal het optreden van verweerder derhalve aan de hand van deze maatstaf
beoordelen
Klachtonderdeel a)
5.2 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder nalatig is geweest met betrekking
tot het onderzoek naar de bevoegdheid van de heer E. om de vennootschap te vertegenwoordigen,
overweegt de raad als volgt. Er was in het onderhavige geval voor verweerder geen
reden om een nader onderzoek te doen naar de bevoegdheid van de heer E. De vraag of
de heer E. tijdens de zitting van 8 september 2017 bevoegd was om de vennootschap
te vertegenwoordigen is bovendien niet relevant voor de rechtsgeldigheid van de in
het proces-verbaal neergelegde overeenkomst tussen klagers en de vennootschap. Verweerder
heeft namens zijn cliënte, de vennootschap, het proces-verbaal ondertekend. Vaststaat
dat verweerder ter zitting bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen. Anders
dan klagers stellen, was verweerder dus ook bevoegd om het proces-verbaal te ondertekenen.
De vennootschap werd gebonden door de geldige overeenkomst die namens haar is gesloten.
De eigendomsoverdracht van de aandelen van de oude aan de nieuwe bestuurder van de
vennootschap maakt dit niet anders. Nu van enig klachtwaardig handelen of nalaten
van verweerder niet is gebleken, zal klachtonderdeel a) ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.3 Ten aanzien van het verwijt dat verweerder klagers niet correct heeft bejegend
in zijn e-mail van 29 augustus 2018, overweegt de raad als volgt. De raad constateert
dat de gemachtigde van klagers in haar e-mail van 27 augustus 2018 verweerder onder
meer heeft bericht dat zij het ook graag van hem verneemt als hij voornemens is om
niet te reageren op haar brief van 17 juli 2018. De gemachtigde van klagers heeft
dus in haar e-mail de mogelijkheid aan verweerder geboden om niet inhoudelijk te reageren.
Verder stelt de raad vast dat in haar brief aan verweerder van 17 juli 2018 is vermeld
dat zij al inhoudelijk overleg hadden gehad over de zaak. Tegen deze achtergrond bezien,
is de reactie in de e-mail van 29 augustus 2018 van verweerder naar het oordeel van
de raad weliswaar summier, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klachtonderdeel
b) zal dan ook ongegrond worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E. Zweers, voorzitter, mrs. H.K. Scholtens en M.W. Veldhuijsen, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2021.
Griffier Voorzitter
verzonden d.d. 30 augustus 2021